← België

Cassatiebeschikking 15709 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 16/01/2024

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 16 januari 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ORD.15.709 Rolnummer: A. 240595/VII-42273 Zaak: Cassatiebeschikking 15709 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 16/01/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-01-18 Raadplegingen: 97 - laatst gezien 2026-06-10 19:31 Fiche Beschikking nr 15.709 van 16 januari 2024 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 15.709 van 16 januari 2024 in de zaak A. 240.595/VII-42.273 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Mieke Van den Broeck kantoor houdend te 1210 Brussel Haachtsesteenweg 55 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 27 november 2023, strekt tot de cassatie van arrest nr. 296.343 van 26 oktober 2023 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 8 december 2023 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. Eerste onderdeel van het enige middel
  2. In een eerste middelonderdeel voert verzoeker aan dat de interpretatie in het bestreden arrest van het begrip “nieuwe elementen” in artikel 57/6/2, § 1, van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, VII-42.273-1/8 de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet) niet richtlijnconform is. Volgens verzoeker vermocht de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in de ontvankelijkheidsfase enkel nagaan of de door verzoeker in zijn volgend (zesde) verzoek om internationale bescherming bijgebrachte documenten “nieuwe elementen” zijn maar niet of ze ook bewijsvoerend zijn, hetgeen pas in het onderzoek ten gronde moet worden uitgezocht.
  3. Artikel 57/6/2, § 1, van de vreemdelingenwet luidt: “Na ontvangst van het volgend verzoek dat door de minister of diens gemachtigde werd overgezonden op grond van artikel 51/8, onderzoekt de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen bij voorrang of er nieuwe elementen of feiten aan de orde zijn, of door de verzoeker zijn voorgelegd, die de kans aanzienlijk groter maken dat de verzoeker voor erkenning als vluchteling in de zin van artikel 48/3 of voor subsidiaire bescherming in de zin van artikel 48/4 in aanmerking komt. Bij gebrek aan dergelijke elementen of feiten verklaart de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen het verzoek niet-ontvankelijk. In het andere geval, of indien de verzoeker voorheen enkel het voorwerp heeft uitgemaakt van een beslissing tot beëindiging bij toepassing van artikel 57/6/5, § 1, 1°, 2°, 3°, 4° of 5° verklaart de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen het verzoek ontvankelijk. Bij het in het eerste lid bedoelde onderzoek houdt de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen in voorkomend geval rekening met het feit dat de verzoeker zonder geldige uitleg heeft nagelaten, tijdens de vorige procedure, in het bijzonder bij het aanwenden van het in artikel 39/2 bedoelde rechtsmiddel, de elementen te doen gelden die de indiening van zijn volgend verzoek rechtvaardigen.” Opdat een volgend verzoek om internationale bescherming ontvankelijk zou worden verklaard volstaat het derhalve niet dat “nieuwe” elementen worden aangevoerd, ze moeten ook “de kans aanzienlijk groter maken” dat de betrokkene in aanmerking komt voor erkenning als vluchteling of voor subsidiaire bescherming. Het onderzoek van deze laatste voorwaarde betreft eveneens de ontvankelijkheid van het volgend verzoek.
  4. Anders dan verzoeker voorhoudt, volgt uit artikel 40 van richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de raad van 26 juni 2013 ‘betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (herschikking)’ en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie niet dat het onderzoek in de ontvankelijkheidsfase wordt beperkt tot enkel het bestaan van nieuwe elementen. VII-42.273-2/8 Artikel 40 van richtlijn 2013/32 luidt: “[…]
  5. Om krachtens artikel 33, lid 2, onder d), een beslissing over de ontvankelijkheid van een verzoek om internationale bescherming te nemen, wordt een volgend verzoek om internationale bescherming eerst aan een voorafgaand onderzoek onderworpen om uit te maken of er nieuwe elementen of bevindingen aan de orde zijn of door de verzoeker zijn voorgelegd in verband met de behandeling van de vraag of hij voor erkenning als persoon die internationale bescherming geniet in aanmerking komt krachtens Richtlijn 2011/95/EU.
  6. Indien uit het in lid 2 bedoelde voorafgaande onderzoek wordt geconcludeerd dat er nieuwe elementen of bevindingen aan de orde zijn gekomen of door de verzoeker werden voorgelegd die de kans aanzienlijk groter maken dat de verzoeker voor erkenning als persoon die internationale bescherming geniet in aanmerking komt krachtens Richtlijn 2011/95/EU, wordt het verzoek verder behandeld overeenkomstig hoofdstuk II. De lidstaten kunnen ook in andere redenen voorzien om een volgende verzoek verder te behandelen.” Reeds uit de tekst van het voornoemde artikel 40.3 blijkt dat in het “voorafgaande onderzoek” in de ontvankelijkheidsfase niet enkel het bestaan van nieuwe elementen wordt nagegaan maar ook of deze “de kans aanzienlijk groter maken dat de verzoeker voor erkenning als persoon die internationale bescherming geniet in aanmerking komt”. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft dit bevestigd in zijn arrest van 10 juni 2021 in de zaak C-921/19, LH tegen Nederland: “
  7. Artikel 40, leden 2 en 3, van richtlijn 2013/32 voorziet dan ook in een behandeling van volgende verzoeken in twee stappen. In het kader van de eerste, voorafgaande stap wordt nagegaan of deze verzoeken ontvankelijk zijn, terwijl in de tweede stap die verzoeken ten gronde worden onderzocht.
  8. Deze eerste stap omvat eveneens twee fasen, waarbij in elk fase andere, door diezelfde bepaling vastgestelde ontvankelijkheidsvoorwaarden worden onderzocht.
  9. Aldus bepaalt artikel 40, lid 2, van richtlijn 2013/32 in de eerste fase dat, om krachtens artikel 33, lid 2, onder d), een beslissing over de ontvankelijkheid van een verzoek om internationale bescherming te nemen, een volgend verzoek eerst aan een voorafgaand onderzoek wordt onderworpen om uit te maken of er nieuwe elementen of bevindingen aan de orde zijn of door de verzoeker zijn overgelegd in verband met de behandeling van de vraag of hij krachtens richtlijn 2011/95 in aanmerking komt voor erkenning als persoon die internationale bescherming geniet.
  10. Slechts indien er daadwerkelijk sprake is van dergelijke nieuwe elementen of bevindingen ten opzichte van het eerste verzoek om internationale bescherming, wordt in de tweede fase het onderzoek van de ontvankelijkheid van het volgende verzoek voortgezet overeenkomstig artikel 40, lid 3, van deze richtlijn, teneinde na te gaan of die nieuwe elementen en bevindingen de kans aanzienlijk groter maken dat de verzoeker in aanmerking komt voor erkenning als persoon die internationale bescherming geniet.
  11. Bijgevolg dient weliswaar te zijn voldaan aan beide ontvankelijkheidsvoorwaarden opdat het volgende verzoek verder wordt behandeld overeenkomstig artikel 40, lid 3, VII-42.273-3/8 van deze richtlijn, maar dit neemt niet weg dat het gaat om onderscheiden voorwaarden die niet met elkaar mogen worden verward.” Verzoekers bewering als zou uit de punten 46, 50 en 51 van het voornoemde arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie blijken dat zijn aanvraag ontvankelijk had moeten worden verklaard, enkel omdat ze is gesteund op “nieuwe elementen”, berust op een foutieve lezing van dat arrest. De door hem geciteerde overwegingen betreffen slechts de vraag welke elementen als nieuw moeten worden beschouwd en hebben geen betrekking op de beoordeling of ze de kans aanzienlijk groter maken dat de betrokkene in aanmerking komt voor internationale bescherming. Dat deze laatste beoordeling eveneens in de ontvankelijkheidsfase gebeurt, blijkt uit punt 53 van hetzelfde arrest: “Derhalve dient de beoordeling van de beslissingsautoriteit slechts in de tweede fase van toetsing van de ontvankelijkheid van een volgend verzoek, zoals deze is beschreven in punt 37 van het onderhavige arrest, betrekking te hebben op de toetsing of de nieuwe elementen en bevindingen die aan de orde zijn gekomen of door de verzoeker werden overgelegd, de kans aanzienlijk groter maken dat de verzoeker krachtens richtlijn 2011/95 in aanmerking komt voor erkenning als persoon die internationale bescherming geniet.”
  12. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vermocht zich derhalve zonder schending van artikel 57/6/2, § 1, van de vreemdelingenwet, geïnterpreteerd overeenkomstig artikel 40, lid 2, van richtlijn 2013/32, bij het onderzoek van de ontvankelijkheid van verzoekers zesde verzoek om internationale bescherming uit te spreken over de vraag of de nieuw aangebrachte documenten al dan niet de kans aanzienlijk groter maken om in aanmerking te komen voor internationale bescherming. Verzoekers kritiek faalt naar recht. Tweede onderdeel van het enige middel
  13. In een tweede middelonderdeel “niet afdoende feitenvinding – onbehoorlijke behandeling van het verzoek om internationale bescherming” voert verzoeker aan dat er “in casu geenszins een volledige en correcte behandeling van de asielaanvraag [is] geweest”.
  14. Met de kritiek dat er “in casu geenszins een volledige en correcte behandeling van de asielaanvraag [is] geweest” en dat “de RvV […] dus de beslissing van VII-42.273-4/8 het CGVS [had] moeten vernietigen”, vraagt verzoeker in wezen een nieuwe beoordeling van de zaak zelf, waarvoor de Raad van State als cassatierechter niet bevoegd is. Verzoeker verwijst naar een “onvolledig dossier” en betwist in wezen de gemaakte beoordeling wat de bewijswaarde van zijn nieuwe documenten betreft. Ook hiermee vraagt hij de Raad van State in wezen de beoordeling van de zaak over te doen wat de vraag betreft of deze stukken de kans aanzienlijk groter maken dat verzoeker in aanmerking komt voor internationale bescherming. Derde onderdeel van het enige middel
  15. In een derde middelonderdeel acht verzoeker artikel 149 van de Grondwet geschonden omdat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet zou antwoorden op de kritiek dat verzoekers taskara’s grondig onderzocht moeten worden daar het gaat om authentieke documenten en dat een grondig onderzoek moet gebeuren naar de wijze waarop de taskara’s werden verkregen en welke gevolgen hieruit kunnen worden getrokken. De Raad voor Vreemdelignenbetwistingren overweegt in het bestreden arrest onder meer: “In navolging van de commissaris-generaal, moet worden vastgesteld dat de verzoekende partij er niet in slaagt om in het kader van haar zesde en huidig verzoek om internationale bescherming verklaringen af te leggen of documenten bij te brengen die, gelet op haar vorige verklaringen en bijgebrachte documenten, kunnen worden beschouwd als nieuwe elementen die de kans op internationale bescherming aanzienlijk vergroten. De taskara van de verzoekende partij, en die van haar echtgenote en minderjarige dochters, die ze ongeveer een maand voor de val van de voormalig Afghaanse regering heeft verkregen via de Afghaanse ambassade in Brussel, hebben maar een beperkte bewijswaarde. Uit de landeninformatie die door beide partijen werd toegevoegd aan het administratief dossier, blijkt immers dat in Afghanistan een hoog niveau van corruptie heerst en dat dergelijke documenten kunnen en worden nagemaakt en tegen een vergoeding kunnen worden verkregen. Bijgevolg is de bewijswaarde van de taskara’s bijzonder relatief. Verder valt in de algemene landeninformatie te lezen dat diplomatieke posten zoals ambassades niet zelf verantwoordelijk zijn voor de uitgifte van een taskara. Ze fungeren louter als doorgeefluik. Ze ontvangen de aanvraag van een taskara en sturen deze door naar de bevoegde instanties in Afghanistan. Vervolgens ontvangen ze deze documenten en geven deze door aan de aanvrager van deze documenten in het desbetreffende land. Uit de landeninformatie blijkt verder dat voor de aanvraag slechts een kopie van de taskara van een mannelijk familielid nodig is. Omdat dergelijke documenten door de hoge mate van corruptie in Afghanistan eenvoudig te verkrijgen zijn, hebben de voorgelegde taskara’s slechts een relatieve bewijswaarde. De verzoekende partij VII-42.273-5/8 brengt overigens geen verduidelijking van de wijze waarop ze haar taskara en de taskara van de kinderen heeft verkregen bij de Afghaanse ambassade in België of welke stappen ze hiervoor heeft doorlopen. Ook tijdens de terechtzitting brengt ze geen verduidelijking hieromtrent. Uit de beslissing van 9 mei 2016 blijkt bovendien dat de verzoekende partij verklaard heeft niemand meer te hebben in Afghanistan. De verzoekende partij slaagt er dus geenszins in om de algemene landeninformatie hieromtrent te weerleggen. Inzake de bijgebrachte DNA-test wordt in de bestreden beslissing op goede gronden gemotiveerd dat een dergelijk attest de familieband of aanverwantschapsband aantoont, maar geen verband houdt met de nationaliteit(en) waarover een persoon beschikt. Immers bloedverwanten kunnen een verschillende nationaliteit hebben. De enveloppe toont immers enkel aan dat ze post heeft gekregen uit Afghanistan. De foto’s van het gezin van de verzoekende partij en haar schoonzus tonen enkel aan dat er een familiale link is tussen deze twee gezinnen maar kan geenszins de Afghaanse nationaliteit van de verzoekende partij of haar gezin aantonen. De foto van het Afghaanse paspoort van haar schoonzus en de Iraanse verblijfkaart kan haar nationaliteit en verblijf in Iran aantonen maar toont geenszins de nationaliteit van de verzoekende partij en haar gezin aan. De foto’s van de Belgische verblijfstitel van haar schoonzus en zoon, tonen aan dat zij in België mogen verblijven maar kan de Afghaanse nationaliteit van de verzoekende partij en haar gezin niet aannemelijk maken. Voorts mag in een volgend verzoek rekening worden gehouden met alle feitelijke elementen, ook met elementen die resulteren uit verklaringen die gedurende de behandeling van een eerder verzoek zijn afgelegd, en met vaststellingen gedaan in het kader van een vorig verzoek. Uit de voorgaande beslissingen inzake haar verzoeken om internationale bescherming blijkt dat de verzoekende partij haar profiel van Afghaanse vluchteling die heel haar leven in Iran verbleven heeft niet aannemelijk gemaakt heeft omwille van - vage, wisselende en tegenstrijdige verklaringen over onder andere haar identiteit en profiel; - het feit dat haar verklaringen omtrent haar identiteit niet overeenstemmen met de toen bijgebrachte documenten. Voorts had de verzoekende partij geen kennis over haar regio van herkomst in Afghanistan. Bovendien hebben zowel de verzoekende partij als haar echtgenote geen eenduidige verklaringen over hun familiesamenstelling afgelegd. Omtrent voormelde elementen wordt op omstandige wijze gemotiveerd in de beslissingen en arresten inzake haar voorgaande beschermingsverzoeken. Gelet op deze eerder gedane omstandige vaststellingen in het kader van haar vorige beschermingsverzoeken omtrent haar beweerde nationaliteit en haar voorgehouden verblijf van Afghaanse vluchteling in Iran en gelet op het geheel van voorgaande bevindingen en de beperkte en bijzonder relatieve bewijswaarde en betrouwbaarheid van de “taskara” die zij heden voorlegt, zijn deze documenten, wanneer ze worden beoordeeld en gewogen samen met het geheel van de vaststellingen omtrent verzoekende partij haar ongeloofwaardig bevonden verklaringen, niet van die aard dat ze een ander licht kunnen werpen op de eerdere bevindingen dat zij haar nationaliteit, reële verblijfssituatie en leefomstandigheden voor haar aankomst in België niet verduidelijkt. Wanneer deze stukken, met hun beperkte relatieve bewijswaarde en inhoud, worden meegewogen in het kader van een integrale geloofwaardigheidsbeoordeling, dan moet de Raad besluiten dat deze niet opwegen tegen het geheel van de bevindingen van de commissaris-generaal en de Raad gedaan in het kader van verzoekende partij haar eerdere beschermingsverzoeken waaruit volgt dat geen geloof kan worden gehecht aan haar Afghaanse nationaliteit. VII-42.273-6/8 Het geheel aan documenten, landeninformatie en de verklaringen van de verzoekende partij in acht genomen en bezien in hun onderlinge samenhang, concludeert de Raad dat de verzoekende partij geen elementen aanbrengt die de kans aanzienlijk groter maken dat zij in aanmerking komt voor erkenning als vluchteling in de zin van artikel 48/3 van de Vreemdelingenwet of voor subsidiaire bescherming in de zin van artikel 48/4 van dezelfde wet. Aangezien artikel 57/6/2 van de Vreemdelingenwet niet is geschonden, moet er geen inhoudelijk onderzoek worden gevoerd naar materiële voorwaarden voor internationale bescherming voorzien in artikel 48/3 en artikel 48/4 van de Vreemdelingenwet. Derhalve heeft de commissaris-generaal in de bestreden beslissing ten aanzien van de verzoekende partij terecht besloten tot de niet-ontvankelijkheid van haar volgend verzoek om internationale bescherming.” Uit het voorgaande blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen duidelijk uiteenzet waarom hij op grond van zijn onderzoek van de voorliggende gegevens van oordeel is dat de door verzoeker bijgebrachte documenten de kans niet aanzienlijk groter maken dat verzoeker in aanmerking komt voor internationale bescherming. De kritiek dat aan verzoeker geen vragen werden gesteld op de terechtzitting houdt geen verband met een mogelijke schending van de motiveringsplicht als vormvereiste voor jurisdictionele beslissingen, evenmin als de stelling dat de gegeven motivering “onjuist” is en verzoeker “schaadt”. Conclusie
  16. Het enige middel is in zijn drie onderdelen, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  17. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  18. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. VII-42.273-7/8 Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op 16 januari 2024, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Carlo Adams VII-42.273-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ORD.15.709 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.