← België

Cassatiebeschikking 15756 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 15/02/2024

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 15 februari 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ORD.15.756 Rolnummer: A. 240890/VII-42339 Zaak: Cassatiebeschikking 15756 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 15/02/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-02-16 Raadplegingen: 86 - laatst gezien 2026-06-11 05:22 Fiche Beschikking nr 15.756 van 15 februari 2024 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 15.756 van 15 februari 2024 in de zaak A. 240.890/VII-42.339 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Gérald Gaspart kantoor houdend te 1060 Brussel Berckmansstraat 89 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 4 januari 2024, strekt tot de cassatie van arrest nr. 298.098 van 1 december 2023 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 19 januari 2024 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. Verzoeker verwijst in het opschrift van het enige middel naar een schending van artikel 48/3 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet), zonder verder uiteen te zetten op welke wijze deze bepaling zou zijn geschonden met het bestreden arrest. VII-42.339-1/4
  2. Verzoeker laat gelden dat hij voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen had aangevoerd dat uit de beslissing van 8 juni 2023 tot intrekking van verzoekers vluchtelingenstatus, die tot het bestreden arrest heeft geleid, niet zou blijken welke de doorslaggevende redenen waren voor verzoekers eerdere erkenning als vluchteling. Hij acht artikel 149 van de Grondwet en artikel 55/3/1, § 2, van de vreemdelingenwet geschonden doordat in het bestreden arrest niet zou zijn nagegaan welke de doorslaggevende redenen waren voor zijn erkenning als vluchteling en doordat zijn kritiek dienaangaande niet zou zijn beantwoord.
  3. Naar luid van artikel 55/3/1, § 2, 2°, van de vreemdelingenwet wordt de vluchtelingenstatus ingetrokken “ten aanzien van de vreemdeling wiens status werd erkend op grond van feiten die hij verkeerd heeft weergegeven of achtergehouden, van valse verklaringen of van valse of vervalste documenten die doorslaggevend zijn geweest voor de erkenning van de status […]”.
  4. In antwoord op verzoekers kritiek dat niet zou blijken welke de doorslaggevende redenen waren voor zijn erkenning als vluchteling, wijst de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen er in het bestreden arrest op dat in de beslissing van 19 maart 2019 waarmee verzoeker werd erkend als vluchteling “wordt gesteld dat de commissaris-generaal na een grondige beoordeling van de motieven van verzoekers verzoek om internationale bescherming beslist heeft verzoeker de hoedanigheid van vluchteling toe te kennen”. Hij vervolgt: “De thans bestreden beslissing is gesteund op pertinente motieven die steun vinden in het administratief dossier en die door verzoeker niet worden weerlegd. Vooreerst wordt in de bestreden beslissing omstandig gewezen op tegenstrijdigheden en bevreemdende elementen in de verklaringen van verzoekers familieleden die op essentiële punten de geloofwaardigheid van hun vrees ondermijnen. Daarnaast bleken de verklaringen van verzoekers familieleden over hun problemen na verzoekers vertrek evenmin plausibel, alsook werd uitvoerig uiteengezet dat verzoekers verklaringen afgelegd tijdens zijn persoonlijk onderhoud in het kader van een mogelijke heroverweging van zijn vluchtelingenstatus niets aan deze vaststellingen, kon wijzigen maar er wel bijkomende elementen aan het licht kwamen die de vaststelling bevestigen dat verzoeker en zijn familieleden geen geloofwaardige vrees ten aanzien van El Salvador aannemelijk maken. Uit de omstandige motivering van de bestreden beslissing blijkt dat de commissaris- generaal de door verzoeker gegeven vluchtmotieven, gelet op de concrete en pertinente vaststellingen, thans ongeloofwaardig acht. Bijgevolg werden de motieven die verzoeker initieel bij zijn verzoek om internationale bescherming gaf en waarop de commissaris-generaal zich baseerde om verzoeker als VII-42.339-2/4 vluchteling te erkennen door verzoeker verkeerd weergegeven en heeft hij desbetreffend valse verklaringen afgelegd. Aangezien uit de bestreden beslissing duidelijk blijkt dat de door verzoeker aangehaalde vluchtmotieven, waarop de beslissing tot erkenning als vluchteling is gebaseerd, thans duidelijk als ongeloofwaardig en zelfs als bedrieglijk worden beoordeeld, mede gelet op de verklaringen van zijn familieleden en zijn eigen verklaringen bij heroverweging van zijn vluchtelingenstatus, kon de commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen terecht de vluchtelingenstatus intrekken. Verzoeker beperkt zich in het verzoekschrift verder tot een louter theoretische uiteenzetting van de door hem aangehaalde schendingen om te komen tot de vraag zijn verklaringen opnieuw te onderzoeken op basis van de inhoud van zijn administratief dossier om te besluiten dat de kern van zijn relaas geloofwaardig is, dat hij zijn land van herkomst heeft verlaten omwille van een gegronde vrees voor vervolging die nog steeds actueel is en dat hij geen valse verklaringen aflegde, waardoor het statuut van vluchteling moet worden bevestigd. Met een dergelijk algemeen betoogt overtuigt verzoeker dan ook niet. Verzoeker weerlegt, verklaart noch verschoont de pertinente vaststellingen van de bestreden beslissing inzake de beweerde vrees voor vervolging die steun vinden in het administratief dossier en door de Raad worden gehandhaafd. Verzoeker weerlegt evenmin de pertinente vaststellingen met betrekking tot de subsidiaire bescherming, die evenzeer steun vinden in het administratief dossier en door de Raad worden gehandhaafd. Gelet op hetgeen voorafgaat heeft, verweerder in de bestreden beslissing terecht besloten tot de intrekking van verzoekers vluchtelingenstatus overeenkomstig artikel 55/3/1, §, 2, 2° van de Vreemdelingenwet en dient de subsidiaire beschermingsstatus aan verzoeker te worden ontzegd.” Uit het voorgaande blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen oordeelt dat verzoeker als vluchteling werd erkend op basis van de door verzoeker aangehaalde vluchtmotieven. Derhalve beschouwt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen onmiskenbaar deze vluchtmotieven, ook zonder het gebruik van het woord “doorslaggevend”, als doorslaggevend voor de erkenning als vluchteling. In het bestreden arrest worden, met verwijzing naar de beslissing van de verwerende partij van 8 juni 2023, de als doorslaggevend beschouwde gronden aangegeven voor verzoekers erkenning als vluchteling en de redenen waarom wordt besloten tot de bedrieglijkheid en ongeloofwaardigheid van verzoekers desbetreffende verklaringen. Hieraan wordt geen afbreuk gedaan door het feit dat de beslissing waarmee verzoeker voordien werd erkend als vluchteling zelf niet nader is gemotiveerd. Derhalve heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen onderzocht welke de doorslaggevende redenen waren voor verzoekers aanvankelijke erkenning als vluchteling en blijkt zulks ook uit de motieven van het bestreden arrest. VII-42.339-3/4 Verzoeker toont geen schending aan van artikel 55/3/1, § 2, 2°, van de vreemdelingenwet noch van artikel 149 van de Grondwet.
  5. Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  6. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  7. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op 15 februari 2024, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bryan Geerts, toegevoegd griffier. De griffier De voorzitter Bryan Geerts Carlo Adams VII-42.339-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ORD.15.756 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.