id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 16 februari 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ORD.15.764 Rolnummer: A. 240918/VII-42347 Zaak: Cassatiebeschikking 15764 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 16/02/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-02-20 Raadplegingen: 80 - laatst gezien 2026-06-11 05:22 Fiche Beschikking nr 15.764 van 16 februari 2024 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 15.764 van 16 februari 2024 in de zaak A. 240.918/VII-42.347 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Juliette Richir kantoor houdend te 5000 Namen Rue Patenier 52 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 8 januari 2024, strekt tot de cassatie van arrest nr. 298.117 van 1 december 2023 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 19 januari 2024 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- Eerste onderdeel van het enige middel
- Verzoeker beperkt zich in een eerste onderdeel van het enige middel tot de algemene kritiek dat zijn nieuwe medische verslagen, in tegenstelling tot de eerdere verslagen van psychologen, zijn geschreven door artsen en een neuroloog en daarom moeten worden beschouwd als nieuwe elementen in de zin van artikel 57/6/2, § 1, van de wet van VII-42.347-1/4 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet). Volgens verzoeker heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, “[d]oor zijn analyse te beperken tot de inhoud van het verslag en niet tot de hoedanigheid van de opsteller ervan”, het voornoemde artikel 57/6/2, § 1, en artikel 149 van de Grondwet geschonden.
- De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen oordeelt in het bestreden over de nieuwe attesten van verzoeker: “De Raad treedt de volgende correcte en pertinente vaststellingen bij van de nota met opmerkingen van de commissaris-generaal van 7 juni 2023: '2.4.
- Wat het verslag van de neuroloog d.d. 10/11/2022 betreft, blijkt dat de neuroloog een vraaggesprek heeft gehad met verzoeker, waaruit bepaalde elementen worden weerhouden. Een EEG leverde geen bijzondere vaststellingen op. In het verslag van de neuroloog d.d. 09/12/2022 wordt verwezen naar evaluaties van de neuropsycholoog uit mei en augustus
- Er kan redelijkerwijze worden aangenomen dat het hier de attesten van de heer V. H.(... ) d.d. 26/05/2021 en 26/08/2021 betreft, dewelke werden neergelegd in het kader van het vorige verzoek om internationale bescherming zodat de inhoud ervan al het voorwerp heeft uitgemaakt van een beoordeling door de Raad. Zij hierbij overigens opgemerkt dat de neuroloog vaststelt dat de vermoedens van de neuropsycholoog geuit in een eerste rapport niet gevaloriseerd werden in een tweede rapport. Verder werd bijkomend neurologisch onderzoek gedaan, volgend op de eerdere consultatie. De neuroloog concludeert dat een 'cognitief gebrek' (‘déficit cognitif’) zeer waarschijnlijk is en een laag IQ vermoed wordt. Er wordt echter niet geduid wat de reikwijdte hiervan is, noch wordt eenduidig gesteld dat verzoeker niet in staat kan worden geacht om waarheidsgetrouwe verklaringen over zijn eigen leven en directe omgeving in het land van herkomst af te leggen. Bijgevolg brengen de attesten van de neuroloog geen gegevens bij die van die aard zijn dat ze een ander licht werpen op de eerdere beoordelingen van verzoekers mentale en cognitieve capaciteiten (zie supra). Aangaande het attest van de psychiater d.d. 01/02/2023 merkt verweerder op dat in het verzoekschrift geen concrete tegenargumenten worden ontwikkeld om de vaststellingen in de bestreden beslissing aangaande dit stuk, te weerleggen. Verzoeker beperkt zich tot het citeren uit dit attest. Dienaangaande kan nog worden opgemerkt dat uit het attest blijkt dat de psychiater verzoeker slechts twee maal heeft gezien op consultatie. Er wordt verwezen naar neuropsychologische testen doch deze worden niet verder geduid, hetgeen ook geldt voor de vaststellingen die eruit getrokken worden. Vaststellingen aangaande PTSD worden in het geheel niet verder geduid. Dit attest is dan ook niet van dien aard dat het tot een andere beoordeling van verzoekers mentale en cognitieve capaciteiten zou moeten leiden dan de beoordeling door de Raad in het kader van de voorgaande verzoeken. Verzoeker laat overigens na om dit zelf op enigerlei wijze te duiden.[…]’” Voorbijgaand aan de voormelde concrete motivering, toont verzoeker met zijn algemene kritiek geen schending aan van de in artikel 149 van de Grondwet vervatte jurisdictionele motiveringsplicht noch van artikel 57/6/2, § 1, van de VII-42.347-2/4 vreemdelingenwet. Deze laatste bepaling verbiedt geenszins dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich steunt op de inhoud van een medisch attest om te oordelen of er al dan niet sprake is van een nieuw element dat de kans aanzienlijk groter maakt om in aanmerking te komen voor internationale bescherming. Tweede onderdeel van het enige middel
- Anders dan verzoeker voorhoudt, laat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verzoekers nieuwe medische attesten niet “buiten beschouwing” doch beoordeelt hij de inhoud ervan. Dit blijkt reeds uit de beoordeling van het eerste middelonderdeel supra. Verzoekers kritiek mist in die mate feitelijke grondslag. In de mate dat verzoeker het standpunt van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen “onbegrijpelijk” vindt omdat de nieuwe attesten verzoekers verontrustende geestestoestand zouden bevestigen en zijn geloofwaardigheid zouden versterken, vraagt verzoeker in wezen een nieuwe beoordeling van de zaak zelf. Als cassatierechter is de Raad van State hiervoor echter niet bevoegd. Conclusie
- Het enige middel is in zijn beide onderdelen, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet toelaatbaar.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. VII-42.347-3/4 Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op 16 februari 2024, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bryan Geerts, toegevoegd griffier. De griffier De voorzitter Bryan Geerts Carlo Adams VII-42.347-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ORD.15.764 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div