← België

Cassatiebeschikking 15778 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 04/03/2024

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 04 maart 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ORD.15.778 Rolnummer: A. 240992/VII-42361 Zaak: Cassatiebeschikking 15778 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 04/03/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-03-07 Raadplegingen: 102 - laatst gezien 2026-06-11 05:03 Fiche Beschikking nr 15.778 van 4 maart 2024 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 15.778 van 4 maart 2024 in de zaak A. 240.992/VII-42.361 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bruno Van Overdijn kantoor houdend te 1060 Brussel Berckmansstraat 83 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 22 januari 2024, strekt tot de cassatie van arrest nr. 299.042 van 20 december 2023 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 6 februari 2024 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. De artikelen 1 tot en met 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’, artikel 62 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet) en de zorgvuldigheidsplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur zijn als dusdanig niet van toepassing op jurisdictionele beslissingen zoals het bestreden arrest. Al kan de Raad van State als VII-42.361-1/5 cassatierechter het middel onderzoeken waarin wordt opgeworpen dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen als annulatierechter bij de beoordeling van de aanvankelijk bestreden beslissing de inhoud van die bepalingen of dat beginsel zou hebben geschonden, hij vermag zich daarbij niet in de plaats van de annulatierechter te stellen om zelf te oordelen of de motivering van die beslissing afdoende is of niet, noch of die beslissing op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen of niet. Verzoekster kan dan ook niet dienstig aanvoeren dat de voormelde bepalingen en beginselen met het bestreden arrest zouden zijn geschonden omdat in de beslissing van de verwerende partij van 6 juni 2023 (hierna: aanvankelijk bestreden beslissing) geen rekening zou zijn gehouden met alle elementen van de zaak en de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dit zou hebben moeten vaststellen. Het enige middel is in die mate kennelijk niet ontvankelijk.
  2. De in artikel 149 van de Grondwet en artikel 39/65 van de vreemdelingenwet vervatte jurisdictionele motiveringsplicht heeft het karakter van een vormvereiste. Een uitspraak is gemotiveerd in de zin van de voornoemde bepaling wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet die hem ertoe brengen die beslissing te nemen. Om te voldoen aan de jurisdictionele motiveringsplicht is het niet relevant of die motieven in rechte of in feite juist zijn. Alleen een gemis aan motivering of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven, maken een schending uit van de voormelde bepalingen. Wanneer de motivering een verkeerde gevolgtrekking in rechte maakt, kan dit een schending van de wet uitmaken, maar is er nog geen sprake van een motiveringsgebrek. De rechterlijke motiveringsverplichting houdt niet in dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen moet antwoorden op elk argument dat tot staving of weerlegging van een middel is aangevoerd, maar dat geen afzonderlijk middel of afzonderlijke weerlegging vormt. In de aanvankelijk bestreden beslissing waarmee verzoeksters met toepassing van artikel 9bis van de vreemdelingenwet ingediende verblijfsaanvraag onontvankelijk wordt verklaard, wordt overwogen dat de aangehaalde elementen geen buitengewone omstandigheden vormen waarom de betrokkene de aanvraag om machtiging tot verblijf niet kan indienen via de gewone procedure, namelijk via de diplomatieke of consulaire post bevoegd voor de verblijfplaats of de plaats van oponthoud in het buitenland. VII-42.361-2/5 De verwerende partij overweegt dat een aantal door verzoekster aangehaalde elementen, onder meer dat zij verschillende opleidingen volgde, een talent heeft om oude en zieke personen te helpen en wenst te werken in een dergelijke sector die altijd mensen zoekt, behoren tot de beoordeling van de gegrondheid van de aanvraag en niet worden behandeld in de ontvankelijkheidsfase. Verzoekster heeft voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aangehaald dat zij haar aanvraag onder meer had gesteund op de mogelijkheid om snel een job te hebben in geval van regularisatie van haar verblijf en dat zij een belangrijk bewijs (“proef”) had bezorgd aan de verwerende partij, namelijk dat een werkgever bereid is verzoekster een job te geven als zij een verblijfstitel krijgt. Volgens haar vormde dit een buitengewone omstandigheid waarover niets wordt gezegd in de aanvankelijk bestreden beslissing. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen sluit zich in het bestreden arrest aan bij de beoordeling in de aanvankelijk bestreden beslissing dat verzoekster wenst te werken in de sector van de hulpverlening en oude en zieke mensen doch dat deze elementen behoren tot de gegrondheid en niet worden behandeld in de ontvankelijkheidsfase. Volgens de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen toont verzoekster niet aan dat deze motivering niet adequaat zou zijn. Nu verzoekster enkel heeft willen aantonen dat een bepaalde werkgever haar een job zou willen geven als zij een verblijfsvergunning zou krijgen, toont zij niet aan dat de motivering in het bestreden arrest als zouden haar werkbereidheid en mogelijk snelle tewerkstelling geen deel uitmaken van de beoordeling van de ontvankelijkheidsfase, waar het enkel gaat om buitengewone omstandigheden die het haar zouden verhinderen of bijzonder moeilijk maken een verblijfsaanvraag in te dienen via de normale procedure, niet volstaat. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geeft duidelijk aan waarom verzoeksters desbetreffende kritiek niet kan leiden tot de voorgehouden schending van de formelemotiveringsplicht of van de zorgvuldigheidsplicht. Verzoekster toont wat dat betreft geen schending aan van de jurisdictionele motiveringsplicht. Het enige middel is in die mate kennelijk ongegrond. VII-42.361-3/5
  3. De bewijskracht van een akte, afgeleid uit artikel 8.17 en volgende van boek VIII van het Burgerlijk Wetboek, betreft de vereiste eerbiediging van hetgeen in die akte schriftelijk is vastgelegd. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen miskent de bewijskracht van een akte indien hij aan een geschrift, waarnaar hij uitdrukkelijk verwijst, een verklaring toeschrijft die dit geschrift niet bevat dan wel ontkent dat dit geschrift een verklaring bevat die er wel in voorkomt. Door te overwegen dat het aantonen van werkbereidheid en een mogelijk snelle tewerkstelling na het verkrijgen van een verblijfsvergunning elementen zijn die behoren tot de gegrondheidsfase en niet tot de beoordeling van de ontvankelijkheid van een verblijfsaanvraag op grond van artikel 9bis van de vreemdelingenwet, schendt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet de bewijskracht van een stuk waarin een werkgever er zich toe verbindt verzoekster aan te werven indien zij een machtiging tot verblijf krijgt. Het enige middel is in die mate kennelijk ongegrond.
  4. Verzoekster verwijst in het opschrift van het middel naar de artikelen 9bis, 39/2 en 39/73 van de vreemdelingenwet doch zij zet niet uiteen, minstens niet anders dan met de voormelde ongegrond bevonden kritiek, op welke wijze deze bepalingen zouden zijn geschonden met het bestreden arrest. Het enige middel is in die mate kennelijk onontvankelijk. BESLUIT:
  5. Het cassatieberoep is niet toelaatbaar.
  6. Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. VII-42.361-4/5 Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op 4 maart 2024, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bryan Geerts, toegevoegd griffier. De griffier De voorzitter Bryan Geerts Carlo Adams VII-42.361-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ORD.15.778 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.