id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 07 maart 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ORD.15.779 Rolnummer: A. 241002/VII-42363 Zaak: Cassatiebeschikking 15779 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 07/03/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-03-11 Raadplegingen: 104 - laatst gezien 2026-06-11 05:03 Fiche Beschikking nr 15.779 van 7 maart 2024 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 15.779 van 7 maart 2024 in de zaak A. 241.002/VII-42.363 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tristan Wibault kantoor houdend te 1060 Brussel Henri Jasparlaan 128 tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 23 januari 2024, strekt tot de cassatie van arrest nr. 299.326 van 21 december 2023 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 6 februari 2024 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- Eerste middel
- Uit het dossier van de zaak blijkt dat verzoeker met toepassing van artikel 40ter van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet) een aanvraag voor een verblijfskaart van een familielid van een burger van de Unie heeft ingediend met twee ter post aangetekende brieven van dezelfde datum. In de eigenlijke VII-42.363-1/7 (Franstalige) aanvraag, ingediend via de gemeente Elsene, wijst verzoeker erop dat hij de vader is van het Belgische kind J.O., geboren in 2022, en dat hij de aanvraag indient “sur base de l’article 40ter, en tant que père de sa fille Belge”. In de Nederlandstalige brief aan de gemeente Steenokkerzeel, met de Franstalige aanvraag als bijlage, heet het eveneens dat verzoeker de vader is van het Belgische kind J.O., geboren in 2022, en dat hij de aanvraag indient “op basis van artikel 40ter, als vader van zijn Belgische dochter”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft derhalve op wettige wijze geoordeeld dat de verwerende partij de aanvraag tot gezinshereniging moest beoordelen in functie van verzoekers minderjarige Belgische dochter en niet in functie van zijn meerderjarige zoon. Verzoeker heeft er op het einde van zijn aanvraag trouwens zelf op gewezen dat in theorie enkel de relatie tussen verzoeker en zijn dochter in aanmerking kan worden genomen voor de toepassing van artikel 40ter van de vreemdelingenwet en dat geen enkele bepaling in het Belgische recht expliciet de relatie tussen verzoeker en zijn (meerderjarige) zoon regelt. Dat het verzoeker opportuun scheen het geheel van die relaties in een globaal onderzoek te betrekken, doet geen afbreuk aan het voorgaande. Noch artikel 40ter van de vreemdelingenwet noch enige andere bepaling voorziet immers een recht op gezinshereniging voor een aanvrager als ouder van een Belgische meerderjarige bloedverwant in neergaande lijn die zijn recht van vrij verkeer op het grondgebied van de lidstaten van de Europese Unie niet heeft uitgeoefend. Evenmin kan verzoeker zich beroepen op een bepaalde gezinssituatie met zijn meerderjarige zoon waarmee rekening zou moeten worden gehouden bij de beoordeling van een aanvraag in functie van zijn minderjarige dochter.
- De door verzoeker aangehaalde rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft betrekking op een andere feitelijke en juridische situatie dan de voorliggende zaak en kan dus niet dienstig worden ingeroepen. Net omdat het te dezen enkel een aanvraag in functie van de minderjarige dochter betreft, kan verzoeker zich niet dienstig beroepen op de relatie met zijn meerderjarige zoon om tot een schending van artikel 7 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie te besluiten.
- Het eerste middel is kennelijk ongegrond. VII-42.363-2/7 Tweede middel
- Verzoeker voert in essentie aan dat een daadwerkelijk rechtsmiddel in de zin van artikel 13 van het EVRM een “volle toetsing” vereist en dat het annulatieberoep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen daar niet aan voldoet. Het bestreden arrest heeft betrekking op een beslissing houdende weigering van verblijf van meer dan drie maanden zonder bevel om het grondgebied te verlaten. Met die beslissing wordt derhalve geen einde gesteld aan een bestaand gezinsleven noch houdt ze een verwijderingsmaatregel in. Anders dan verzoeker voorhoudt, is de bevoegdheid van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen als annulatierechter niet beperkt tot “een loutere wettigheidstoets”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vermag bij zijn onderzoek naar een mogelijke schending van artikel 8 van het EVRM immers na te gaan of de verwerende partij is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die gegevens correct heeft beoordeeld, of zij haar onderzoek grondig en voldoende nauwgezet heeft gevoerd en of de genomen beslissing redelijk en proportioneel is. In het licht van het voorgaande volstaat een annulatieberoep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen om te voldoen aan de voorwaarden van een daadwerkelijk rechtsmiddel in het licht van artikel 8 iuncto artikel 13 van het EVRM.
- Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie waarborgt het “recht op een doeltreffende voorziening in rechte” met als voorwaarden “een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld” met de “mogelijkheid zich te laten vertegenwoordigen”. Deze bepaling vereist niet dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen bij de behandeling van een beroep tegen een beslissing tot weigering van verblijf zou beschikken over hervormingsbevoegdheid.
- Het tweede middel is kennelijk ongegrond. Derde middel
- De in artikel 149 van de Grondwet en artikel 39/65 van de vreemdelingenwet vervatte jurisdictionele motiveringsplicht heeft het karakter van een VII-42.363-3/7 vormvereiste. Een uitspraak is gemotiveerd in de zin van de voornoemde bepaling wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet die hem ertoe brengen die beslissing te nemen. Om te voldoen aan de jurisdictionele motiveringsplicht is het niet relevant of die motieven in rechte of in feite juist zijn. Alleen een gemis aan motivering of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven, maken een schending uit van de voormelde bepalingen. Wanneer de motivering een verkeerde gevolgtrekking in rechte maakt, kan dit een schending van de wet uitmaken, maar is er nog geen sprake van een motiveringsgebrek. De rechterlijke motiveringsverplichting houdt niet in dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen moet antwoorden op elk argument dat tot staving of weerlegging van een middel is aangevoerd, maar dat geen afzonderlijk middel of afzonderlijke weerlegging vormt.
- Zoals reeds blijkt uit de beoordeling van het eerste middel supra, overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen uitdrukkelijk dat verzoekers aanvraag voor een verblijfskaart enkel kan worden behandeld in functie van zijn minderjarige Belgische dochter als referentiepersoon. Daarmee geeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen duidelijk aan waarom geen rekening kan worden gehouden met de door verzoeker voorgehouden gezinsband met zijn meerderjarige zoon.
- De zinsnede in het bestreden arrest “zelfs indien ervan uit gegaan dient te worden dat verzoeker een gezinsleven onderhoudt met zijn dochter” houdt niet in, zoals verzoeker nochtans aanvoert, dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het bestaan van dat gezinsleven niet relevant acht. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verwijst immers enkel naar en citeert een zinsnede uit de voor hem aangevochten beslissing van de verwerende partij. In die beslissing werd onderzocht of er al dan niet sprake was van een gezinsleven met de niet bij verzoeker verblijvende dochter (de referentiepersoon) en er werd op grond van een aantal concrete vaststellingen aangenomen dat eigenlijk niet kan worden gesproken van een gezinsleven met het kind en dat het met de voorhanden zijnde informatie redelijk was te stellen dat de weigeringsbeslissing om redenen van openbare orde wel degelijk evenredig is met het familiale en persoonlijke belang van de betrokkene. Het is pas daarna dat de verwerende partij in haar beslissing oordeelde over het gezinsleven met de minderjarige dochter: “Zelfs indien we er van uit gaan dat mijnheer wel degelijk een hechte band heeft met de baby, achten we die band van mijnheer met het kind en het hoger belang van het kind, ondergeschikt aan het gevaar dat mijnheer vormt voor de openbare orde”. Ook deze beoordeling werd nader in concreto gemotiveerd. Verzoekers kritiek berust dan ook op VII-42.363-4/7 een foutieve lezing van het bestreden arrest. Verzoeker toont er geen tegenstrijdigheid in de motivering mee aan.
- Volgens verzoeker is de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen “voorbij gegaan aan verschillende doorslaggevende elementen met betrekking tot het gezinsleven van verzoeker”. In het bestreden arrest wordt opgemerkt dat, ook indien ervan wordt uitgegaan dat verzoeker een gezinsleven onderhoudt met zijn dochter, de overheid beperkingen kan aanbrengen aan de uitoefening van dit gezinsleven wanneer zij dit noodzakelijk acht voor de openbare orde. Vervolgens worden de talrijke in de beslissing van de verwerende partij vermelde strafrechtelijke veroordelingen van verzoeker opgesomd met hun voorwerp, gevolgd door de vaststellingen en onderzoeken betreffende feiten waarbij hij ook betrokken was na zijn vrijlating na in totaal 15 jaar in de gevangenis te hebben doorgebracht. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vermeldt nog “dat verzoeker niet ontkent dat er een gerechtelijk onderzoek lopende is onder leiding van de onderzoeksrechter voor de feiten van 2023”. Hij oordeelt verder als volgt: “Uit de elementen die eigen zijn aan de zaak oordeelt verweerder dat het duidelijk is dat het persoonlijk gedrag van verzoeker van dien aard is dat er wel degelijk sprake is van een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor de openbare orde. Gelet op de ernst van de feiten alsook de hoeveelheid van veroordelingen motiveert verweerder dat er zelfs sprake is van dwingende redenen van nationale veiligheid. Wat betreft de feiten waarvoor nog een gerechtelijk onderzoek lopende is, voert verzoeker aan dat hij geen kennis heeft kunnen nemen van deze processen-verbaal. Hij vermoedt dat feiten betreffen in het kader van een incident met de moeder van zijn dochter waarbij hij deze laatste geslagen zou hebben na een hevige ruzie en waarbij de politie is tussengekomen. Verzoeker zou bewust zijn van zijn agressieproblematiek en geeft aan daaraan te willen werken. Hij zou opnieuw regelmatig contact hebben met de moeder van zijn dochter. Wat betreft de oudere feiten voert verzoeker aan dat hij na een celstraf van vijftien jaar een nieuwe weg probeert in te slaan, zich bewust is van zijn fouten en aan zelfreflectie zou doen waarbij hij zijn problemen wil aanpakken. De Raad dient op te merken dat verzoeker de ernst van de feiten waarvoor hij werd veroordeeld niet ontkent. Hij geeft aan te willen werken aan zijn problematiek, maar verduidelijkt niet concreet op welke manier deze intentie opweegt tegen de zwaarwichtigheid en de hoeveelheid aan veroordelingen waarvan verzoeker het voorwerp uitmaakte. Verzoeker kan worden bijgetreden waar hij betoogt dat enkele feiten geseponeerd werden, doch blijkt niet dat dit opweegt tegen de vele ernstige feiten waarvoor verzoeker wel veroordeeld werd en het feit dat er effectief een gerechtelijk onderzoek lopende is. De verwerende partij heeft aldus besloten dat bij verzoeker, gelet op zijn verleden van zeer zware delicten in het kader van jeugdbendecriminaliteit, waarvoor hij vijftien jaar in de gevangenis heeft verbleven, sinds 2022 geregeld opnieuw strafbare feiten werden vastgesteld. Verzoeker tracht in zijn betoog een en ander te relativeren en te VII-42.363-5/7 minimaliseren. Hoewel verzoeker ten dele moet worden bijgetreden waar hij aanvoert dat niet elk pv in zijnen hoofde een strafrechtelijke inbreuk bewijst, weerlegt hij met zijn betoog niet dat sedert zijn vrijlating, verzoeker meermaals in contact kwam met politie en gerecht in het kader van strafbare feiten. Door te oordelen dat verzoeker, gelet op zijn zeer zware strafrechtelijke verleden, niet blijkt werkelijk een andere weg te zijn opgeslagen en aldus nog steeds een actueel, reëel en voldoende ernstig gevaar voor de openbare orde vormt, in de zin van artikel 43, § 1, 2°, van de vreemdelingenwet, heeft de verwerende partij haar appreciatiebevoegdheid niet overschreden. […] Waar verzoeker erop wijst dat hij wel degelijk een gezinsrelatie onderhoudt met zijn dochter, gaat hij eraan voorbij dat verweerder deze relatie ondergeschikt acht aan het openbare orde element zoals hiervoor onderzocht. In de bestreden beslissing wordt er ook op gewezen dat het de moeder van zijn dochter vrijstaat om verzoeker te bezoeken in zijn land van herkomst. Verzoeker voert aan dat er hierbij voorbijgegaan wordt aan het feit dat de moeder van verzoekers kind van Rwandese origine is en dat zij daarom het risico loopt om slachtoffer te worden van aanvallen en discriminatie in Kinshasa vanwege de spanningen tussen Congo en Rwanda. Deze praktische bezwaren om te kunnen reizen en te verblijven in Congo zouden niet in rekening genomen zijn bij het nemen van de bestreden beslissing. De Raad stelt echter vast dat verzoeker zich beperkt tot een vrij vage bewering. Bij de uiteenzetting van de feiten eigen aan de zaak, merkt verzoeker in zijn verzoekschrift zelf op dat de moeder van zijn dochter de Belgische nationaliteit heeft. Noch bij zijn aanvraag noch bij zijn verzoekschrift legt verzoeker concrete stukken neer waaruit blijkt dat het werkelijk zeer moeilijk dan wel onmogelijk is voor de moeder van zijn dochter om te reizen naar Congo omwille van haar Rwandese origine. Verzoeker beperkt zich tot een loutere verklaring op basis waarvan niet aannemelijk wordt gemaakt dat de bestreden beslissing kennelijk onredelijk of onzorgvuldig is.” Uit het voorgaande blijkt duidelijk waarom de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen besluit tot de ongegrondheid van verzoekers kritiek tegen de beoordeling in de beslissing van de verwerende partij dat het voorgehouden gezinsleven van verzoeker en zijn minderjarige dochter een weigering van verzoekers aanvraag omwille van redenen van openbare orde niet in de weg staat.
- Het derde middel is kennelijk ongegrond. Vierde middel
- De overweging in het bestreden arrest dat “verzoeker ten dele moet worden bijgetreden waar hij aanvoert dat niet elk pv in zijnen hoofde een strafrechtelijke inbreuk bewijst” houdt niet in dat, naast de effectieve veroordelingen, geen rekening zou kunnen worden gehouden met het feit dat verzoeker was betrokken bij een aantal onderzoeken van strafbare feiten. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen somt de onderzoeken en processen-verbaal alsmede het voorwerp ervan op en stelt vast dat het VII-42.363-6/7 seponeren van enkele feiten niet blijkt op te wegen tegen “de vele ernstige feiten waarvoor verzoeker wel veroordeeld werd en het feit dat er effectief een gerechtelijk onderzoek lopende is” en dat verzoeker “met zijn betoog niet [weerlegt] dat sedert zijn vrijlating, verzoeker meermaals in contact kwam met politie en gerecht in het kader van strafbare feiten”. Verzoeker toont wat dat betreft geen gebrekkige of tegenstrijdige motivering in het bestreden arrest aan.
- Het vierde middel is kennelijk ongegrond. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet toelaatbaar.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op 7 maart 2024 door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bryan Geerts, toegevoegd griffier. De griffier De voorzitter Bryan Geerts Carlo Adams VII-42.363-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ORD.15.779 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div