← België

Cassatiebeschikking 15797 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 18/03/2024

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 18 maart 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ORD.15.797 Rolnummer: A. 241222/VII-42396 Zaak: Cassatiebeschikking 15797 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 18/03/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-03-20 Raadplegingen: 100 - laatst gezien 2026-06-11 05:03 Fiche Beschikking nr 15.797 van 18 maart 2024 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 15.797 van 18 maart 2024 in de zaak A. 241.222/VII-42.396 In zake : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Tine Bricout en Carmenta Decordier kantoor houdend te 9041 Gent-Oostakker Orchideestraat 61 A bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : XXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bruno Soenen kantoor houdend te 9000 Gent Vaderlandstraat 32 bij wie woonplaats wordt gekozen ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 14 februari 2024, strekt tot de cassatie van arrest nr. 300.170 van 16 januari 2024 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 1 maart 2024 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. Om een beslissing houdende bevel om het grondgebied te verlaten te nemen op grond van artikel 7, eerste lid, 1°, van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende VII-42.396-1/5 de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet), volstaat het niet enkel vast te stellen dat de betrokkene op het grondgebied van het Rijk verblijft zonder in het bezit te zijn van de bij artikel 2 van de vreemdelingenwet vereiste documenten, te dezen een geldig visum. Het bestuur dient op grond van artikel 74/13 van de vreemdelingenwet ook rekening te houden “met het hoger belang van het kind, het gezins- en familieleven en de gezondheidstoestand van de betrokken onderdaan van een derde land”. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft herhaaldelijk gesteld dat het recht om te worden gehoord integraal deel uitmaakt van de rechten van de verdediging, die een algemeen beginsel van Unierecht vormen (HvJ 11 december 2014, Boudjlida, C-249/13; HvJ 5 november 2014, Mukaburega, C-166/13; HvJ 17 juli 2014, Ys e.a., C-141/12 en C-372/12). Het recht om te worden gehoord waarborgt dat eenieder in staat wordt gesteld naar behoren en daadwerkelijk zijn standpunt kenbaar te maken in het kader van een administratieve procedure en voordat een besluit wordt genomen dat zijn belangen op nadelige wijze kan beïnvloeden. Die regel beoogt met name, ter verzekering van de effectieve bescherming van de betrokken persoon, deze laatste in kennis te stellen om een vergissing te corrigeren of individuele omstandigheden aan te voeren die ervoor pleiten dat het besluit wordt genomen, niet wordt genomen of dat in een bepaalde zin wordt besloten. Het Hof heeft eveneens herhaaldelijk opgemerkt dat schending van de rechten van de verdediging, in het bijzonder het recht om te worden gehoord, naar Unierecht pas tot nietigverklaring van het na afloop van de administratieve procedure genomen besluit leidt, wanneer deze procedure zonder deze onregelmatigheid een andere afloop had kunnen hebben. Hieruit volgt volgens het Hof dat niet elke onregelmatigheid bij de uitoefening van de rechten van de verdediging tijdens een administratieve procedure een schending van die rechten oplevert. Voorts is niet elk verzuim om met name het recht om te worden gehoord te eerbiedigen zodanig dat dit stelselmatig leidt tot de onrechtmatigheid van het genomen besluit. Teneinde een dergelijke onrechtmatigheid te constateren, staat het immers aan de nationale rechter om aan de hand van de specifieke feitelijke en juridische omstandigheden van het geval na te gaan of, wanneer hij van oordeel is dat sprake is van een onregelmatigheid die het recht om te worden gehoord aantast, de administratieve procedure in kwestie een andere afloop had kunnen hebben, omdat de betrokkene elementen ter rechtvaardiging van zijn standpunt had kunnen aanvoeren (HvJ 10 september 2013, M.G. en N.R., C-383/13 en aldaar aangehaalde rechtspraak). VII-42.396-2/5
  2. De verzoekende partij acht de draagwijdte van het hoorrecht en het zorgvuldigheidsbeginsel in het licht van artikel 74/13 van de vreemdelingenwet echter geschonden met het bestreden arrest, in essentie “[d]oordat de rechter in vreemdelingenzaken in het bestreden arrest heeft geoordeeld dat de verzoekende partij, aangezien het bestreden bevel [om het grondgebied te verlaten] iets minder dan een jaar na de aanvraag [om machtiging tot verblijf op grond van artikel 9bis van de vreemdelingenwet] werd genomen, bij verweerster moest informeren naar haar gezinsleven in België en dat aangezien dit niet gebeurd is, verweerster niet werd gehoord omtrent haar op 10 november 2022 geboren dochter”. Zij verwijst daartoe naar de mogelijkheid voor verweerster om de geboorte van dat kind kenbaar te maken in de loop van de behandeling van de aanvraag op grond van 9bis van de vreemdelingenwet waarvan de beslissing het bevel om het grondgebied te verlaten voorafging. Concreet overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen hierover: “Vooreerst kan de verwerende partij niet gevolgd worden waar zij in de nota met opmerkingen stelt dat het in casu bestreden bevel om het grondgebied te verlaten een accessorium is van de beslissing tot onontvankelijkheid van de aanvraag om machtiging tot verblijf op grond van artikel 9bis van de Vreemdelingenwet. Het gaat wel degelijk om twee afzonderlijke, van elkaar losstaande beslissingen. Artikel 74/13 van de Vreemdelingenwet bepaalt: ‘Bij het nemen van een beslissing tot verwijdering houdt de minister of zijn gemachtigde rekening met het hoger belang van het kind, het gezins- en familieleven en de gezondheidstoestand van de betrokken onderdaan van een derde land.’ Feit is dat de dochter van de verzoekende partij op 10 november 2022 werd geboren. De verwerende partij heeft, hoewel de bestreden beslissing iets minder dan een jaar na de aanvraag werd genomen, op geen enkele wijze bij de verzoekende partij geïnformeerd naar enig gezinsleven in België. De verzoekende partij werd niet gehoord. De verzoekende partij brengt bij haar verzoekschrift een ‘afschrift Database Akten Burgerlijke Stand’ bij, waaruit blijkt dat de overheid op de hoogte was of op zijn minst had kunnen zijn van de geboorte van haar dochter. De bestreden beslissing bevat geen enkele motivering over het hoger belang van het kind of het gezinsleven dat de verzoekende partij heeft met haar jonge dochter. De argumenten die de verwerende partij in de nota met opmerkingen op dit punt naar voor brengt betreffen een a- posteriori motivering. De verzoekende partij maakt met haar betoog een schending van artikel 74/13 van de Vreemdelingenwet in combinatie met het zorgvuldigheidsbeginsel, het hoorrecht en de materiële motiveringsplicht aannemelijk.” De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt in het bestreden arrest zonder schending van artikel 74/13 van de vreemdelingenwet, het hoorrecht VII-42.396-3/5 of het zorgvuldigheidsbeginsel dat het beroep tot nietigverklaring niet de beslissing tot niet- ontvankelijkheid van de aanvraag op grond van artikel 9bis van de vreemdelingenwet tot voorwerp heeft maar wel het bevel om het grondgebied te verlaten. In de mate dat de verzoekende partij de beoordeling in het bestreden arrest betwist dat zij verweerster had moeten horen alvorens de beslissing houdende bevel om het grondgebied te verlaten te nemen daar de beslissing betreffende de aanvraag op grond van artikel 9bis van de vreemdelingenwet iets minder dan een jaar voordien was genomen, vraagt de verzoekende partij in wezen een nieuwe beoordeling van de zaak zelf, waarvoor de Raad van State als cassatierechter niet bevoegd is. Het komt de rechter ten gronde immers toe te oordelen of de betrokkene al dan niet op nuttige wijze werd gehoord en of de overheid al dan niet op de hoogte kon zijn van de geboorte van verweersters jongste dochter. De verwijzing door de verzoekende partij naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 november 2014 in de zaak C-166/13, Mukaburega, doet geen afbreuk hieraan en toont geen onwettigheid aan van de voormelde concrete beoordeling door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.
  3. Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  4. Het cassatieberoep is niet toelaatbaar.
  5. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 24 euro. VII-42.396-4/5 Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op achttien maart tweeduizend vierentwintig, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bryan Geerts, toegevoegd griffier. De griffier De voorzitter Bryan Geerts Carlo Adams VII-42.396-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ORD.15.797 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.