← België

Cassatiebeschikking 15805 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 25/03/2024

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 25 maart 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ORD.15.805 Rolnummer: A. 241208/VII-42393 Zaak: Cassatiebeschikking 15805 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 25/03/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-03-26 Raadplegingen: 98 - laatst gezien 2026-06-11 05:03 Fiche Beschikking nr 15.805 van 25 maart 2024 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 15.805 van 25 maart 2024 in de zaak A. 241.208/VII-42.393 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Sylvie Sarolea kantoor houdend te 1348 Louvain-La-Neuve Rue de la Draisine 2/004 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 9 februari 2024, strekt tot de cassatie van arrest nr. 300.053 van 15 januari 2024 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 27 februari 2024 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. Eerste middelonderdeel
  2. De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter en door artikel 39/65 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet) aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen opgelegde jurisdictionele motiveringsplicht VII-42.393-1/3 heeft het karakter van een vormvereiste. Een uitspraak is gemotiveerd in de zin van de voornoemde bepaling wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet die hem ertoe brengen die beslissing te nemen. Om te voldoen aan de jurisdictionele motiveringsplicht is het niet relevant of die motieven in rechte of in feite juist zijn. Alleen een gemis aan motivering of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven, maken een schending uit van de voornoemde bepalingen. Wanneer de motivering een verkeerde gevolgtrekking in rechte maakt, kan dit een schending van de wet uitmaken, maar is er nog geen sprake van een motiveringsgebrek. De rechterlijke motiveringsverplichting houdt niet in dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen moet antwoorden op elk argument dat tot staving of weerlegging van een middel is aangevoerd, maar dat geen afzonderlijk middel of afzonderlijke weerlegging vormt. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen stelt in het bestreden arrest in essentie en herhaaldelijk vast dat verzoeker door louter te volharden in zijn verklaringen niet “de pertinente, correcte en draagkrachtige motieven” in de beslissing van de verwerende partij ontkracht. Anders dan verzoeker voorhoudt, houdt deze beoordeling door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet in dat verzoeker “niet [wordt] geloofd omdat hij niet wordt geloofd”, noch dat verzoeker wordt aangemoedigd om zijn verklaringen aan te passen. Uit de overwegingen in het bestreden arrest blijkt duidelijk dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de motieven van de voor hem aangevochten beslissing draagkrachtig acht en er zich bij aansluit met de vaststelling dat verzoeker die motieven niet ontkracht door enkel te volharden in zijn verklaringen. Op dat vlak is geen sprake van een gebrekkige of tegenstrijdige motivering. Verzoeker toont geen schending aan van artikel 149 van de Grondwet of van artikel 39/65 van de vreemdelingenwet. Tweede middelonderdeel
  3. Zoals reeds blijkt uit de beoordeling van het eerste middelonderdeel, berust verzoekers kritiek dat hij volgens de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet zou mogen volharden in zijn relaas doch zijn verklaringen zou moeten veranderen, op een verkeerde lezing van het bestreden arrest. Er wordt enkel geoordeeld dat verzoeker door louter te volharden in zijn relaas de ook door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen draagkrachtig bevonden motieven uit de beslissing van de verwerende partij niet ontkracht. VII-42.393-2/3 Verzoeker toont derhalve geen schending aan van het recht van verdediging. Hij voert ook niet anders dan met de voorgaande ongegrond bevonden kritiek aan dat “het beginsel van doeltreffende voorziening in rechte, vastgelegd in de artikelen 13 EVRM en 47 van het Handvest [van de grondrechten van de Europese Unie] zou zijn geschonden met het bestreden arrest. Conclusie
  4. Het enige middel in zijn beide onderdelen kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  5. Het cassatieberoep is niet toelaatbaar.
  6. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op vijfentwintig maart tweeduizend vierentwintig, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bryan Geerts, toegevoegd griffier. De griffier De voorzitter Bryan Geerts Carlo Adams VII-42.393-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ORD.15.805 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.