id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 29 maart 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ORD.15.813 Rolnummer: A. 241218/VII-42394 Zaak: Cassatiebeschikking 15813 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 29/03/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-04-02 Raadplegingen: 95 - laatst gezien 2026-06-11 05:03 Fiche Beschikking nr 15.813 van 29 maart 2024 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 15.813 van 29 maart 2024 in de zaak A. 241.218/VII-42.394 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tristan Wibault kantoor houdend te 1060 Brussel Henri Jasparlaan 128 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 14 februari 2024, strekt tot de cassatie van arrest nr. 299.755 van 10 januari 2024 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 1 maart 2024 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- A. Eerste middel Eerste middelonderdeel
- Volgens verzoeker diende de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich bij het onderzoek op grond van artikel 57/6/2, § 1, van de wet van 15 december 1980 VII-42.394-1/8 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet) te beperken tot de toetsing van het bestaan van nieuwe elementen of bevindingen.
- Artikel 57/6/2, § 1, van de vreemdelingenwet luidt: “Na ontvangst van het volgend verzoek dat door de minister of diens gemachtigde werd overgezonden op grond van artikel 51/8, onderzoekt de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen bij voorrang of er nieuwe elementen of feiten aan de orde zijn, of door de verzoeker zijn voorgelegd, die de kans aanzienlijk groter maken dat de verzoeker voor erkenning als vluchteling in de zin van artikel 48/3 of voor subsidiaire bescherming in de zin van artikel 48/4 in aanmerking komt. Bij gebrek aan dergelijke elementen of feiten verklaart de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen het verzoek niet-ontvankelijk. In het andere geval, of indien de verzoeker voorheen enkel het voorwerp heeft uitgemaakt van een beslissing tot beëindiging bij toepassing van artikel 57/6/5, § 1, 1°, 2°, 3°, 4° of 5° verklaart de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen het verzoek ontvankelijk. Bij het in het eerste lid bedoelde onderzoek houdt de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen in voorkomend geval rekening met het feit dat de verzoeker zonder geldige uitleg heeft nagelaten, tijdens de vorige procedure, in het bijzonder bij het aanwenden van het in artikel 39/2 bedoelde rechtsmiddel, de elementen te doen gelden die de indiening van zijn volgend verzoek rechtvaardigen.” Opdat een volgend verzoek om internationale bescherming ontvankelijk zou worden verklaard volstaat het derhalve niet dat “nieuwe” elementen worden aangevoerd, ze moeten ook “de kans aanzienlijk groter maken” dat de betrokkene in aanmerking komt voor erkenning als vluchteling of voor subsidiaire bescherming. Het onderzoek van deze laatste voorwaarde betreft eveneens de ontvankelijkheid van het volgend verzoek.
- Anders dan verzoeker voorhoudt, volgt uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie betreffende richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de raad van 26 juni 2013 ‘betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (herschikking)’ (hierna: richtlijn 2013/32) niet dat het onderzoek in de ontvankelijkheidsfase beperkt moet blijven tot enkel het bestaan van nieuwe elementen. Reeds uit de tekst van artikel 40.3 van richtlijn 2013/32 blijkt dat in het “voorafgaande onderzoek” in de ontvankelijkheidsfase niet enkel het bestaan van nieuwe elementen wordt nagegaan maar ook of deze “de kans aanzienlijk groter maken dat de VII-42.394-2/8 verzoeker voor erkenning als persoon die internationale bescherming geniet in aanmerking komt”. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft dit bevestigd in zijn arrest van 10 juni 2021 in de zaak C-921/19, LH tegen Nederland: “
- Artikel 40, leden 2 en 3, van richtlijn 2013/32 voorziet dan ook in een behandeling van volgende verzoeken in twee stappen. In het kader van de eerste, voorafgaande stap wordt nagegaan of deze verzoeken ontvankelijk zijn, terwijl in de tweede stap die verzoeken ten gronde worden onderzocht.
- Deze eerste stap omvat eveneens twee fasen, waarbij in elke fase andere, door diezelfde bepaling vastgestelde ontvankelijkheidsvoorwaarden worden onderzocht.
- Aldus bepaalt artikel 40, lid 2, van richtlijn 2013/32 in de eerste fase dat, om krachtens artikel 33, lid 2, onder d), een beslissing over de ontvankelijkheid van een verzoek om internationale bescherming te nemen, een volgend verzoek eerst aan een voorafgaand onderzoek wordt onderworpen om uit te maken of er nieuwe elementen of bevindingen aan de orde zijn of door de verzoeker zijn overgelegd in verband met de behandeling van de vraag of hij krachtens richtlijn 2011/95 in aanmerking komt voor erkenning als persoon die internationale bescherming geniet.
- Slechts indien er daadwerkelijk sprake is van dergelijke nieuwe elementen of bevindingen ten opzichte van het eerste verzoek om internationale bescherming, wordt in de tweede fase het onderzoek van de ontvankelijkheid van het volgende verzoek voortgezet overeenkomstig artikel 40, lid 3, van deze richtlijn, teneinde na te gaan of die nieuwe elementen en bevindingen de kans aanzienlijk groter maken dat de verzoeker in aanmerking komt voor erkenning als persoon die internationale bescherming geniet.
- Bijgevolg dient weliswaar te zijn voldaan aan beide ontvankelijkheidsvoorwaarden opdat het volgende verzoek verder wordt behandeld overeenkomstig artikel 40, lid 3, van deze richtlijn, maar dit neemt niet weg dat het gaat om onderscheiden voorwaarden die niet met elkaar mogen worden verward.” Verzoekers bewering als zou uit punt 50 van het voornoemde arrest blijken dat het onderzoek van zijn volgend verzoek om internationale bescherming beperkt moest worden tot het al dan niet bestaan van “nieuwe elementen”, berust op een foutieve lezing van dat arrest. De door hem geciteerde overweging betreft slechts de vraag welke elementen als nieuw moeten worden beschouwd en hebben geen betrekking op de beoordeling of ze de kans aanzienlijk groter maken dat de betrokkene in aanmerking komt voor internationale bescherming. Dat deze laatste beoordeling eveneens in de ontvankelijkheidsfase gebeurt, blijkt uit punt 53 van hetzelfde arrest: “Derhalve dient de beoordeling van de beslissingsautoriteit slechts in de tweede fase van toetsing van de ontvankelijkheid van een volgend verzoek, zoals deze is beschreven in punt 37 van het onderhavige arrest, betrekking te hebben op de toetsing of de nieuwe elementen en bevindingen die aan de orde zijn gekomen of door de verzoeker werden overgelegd, de kans aanzienlijk groter maken dat de verzoeker krachtens richtlijn 2011/95 in aanmerking komt voor erkenning als persoon die internationale bescherming geniet.” VII-42.394-3/8
- De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vermocht zich derhalve zonder schending van artikel 57/6/2, § 1, van de vreemdelingenwet, geïnterpreteerd overeenkomstig artikel 40 van richtlijn 2013/32, bij het onderzoek van de ontvankelijkheid van verzoekers volgend (vierde) verzoek om internationale bescherming uit te spreken over de vraag of de nieuw aangebrachte documenten al dan niet de kans aanzienlijk groter maken om in aanmerking te komen voor internationale bescherming. Verzoekers kritiek faalt naar recht. Tweede middelonderdeel
- Het recht om te worden gehoord waarborgt dat eenieder in staat wordt gesteld naar behoren en daadwerkelijk zijn standpunt kenbaar te maken in het kader van een administratieve procedure en voordat een besluit wordt genomen dat zijn belangen op nadelige wijze kan beïnvloeden. Wat betreft de vraag of verzoeker naar aanleiding van zijn vierde verzoek om internationale bescherming moest worden gehoord door de commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest: “Verzoeker, die op 27 september 2017 werd gehoord in een persoonlijk onderhoud op het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen, werd niet opnieuw gehoord en heeft evenmin de mogelijkheid gehad om een nieuwe vragenlijst in te vullen in navolging van de fundamenteel gewijzigde situatie in Afghanistan. Deze handelwijze van de commissaris-generaal ontneemt verzoeker evenwel niet de mogelijkheid om zijn verzoek om internationale bescherming op nuttige wijze aan te vullen of te wijzigen in het licht van de fundamenteel gewijzigde situatie in Afghanistan en desgevallend, in de huidige stand van de procedure, individuele elementen of persoonlijke omstandigheden voor te leggen die de kans aanzienlijk groter maken dat hij voor erkenning als vluchteling in de zin van artikel 48/3 van de Vreemdelingenwet of voor subsidiaire bescherming in de zin van artikel 48/4 van de Vreemdelingenwet in aanmerking komt. Immers kan verzoeker dit bewerkstelligen via het verzoekschrift en via een aanvullende nota. […] Ondanks zijn bewering dat hij wel degelijk nieuwe verklaringen zou kunnen afleggen, ontwaart de Raad geen enkel begin van een nieuwe verklaring in de voorgelegde procedurestukken. In casu is de Raad van oordeel dat verzoeker ruimschoots de mogelijkheid heeft en heeft gehad om in zijn verzoekschrift, bij aanvullende nota of ter terechtzitting op nuttige en effectieve wijze te duiden welke invloed de machtsovername door de taliban sinds augustus 2021 heeft gehad op zijn eigen persoonlijke situatie. VII-42.394-4/8 In casu wordt vastgesteld dat verzoeker niet opnieuw moest worden gehoord door middel van een nieuw persoonlijk onderhoud op het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen. Nu verzoeker niet concreet uiteenzet welke elementen hij had willen aanvoeren, maakt hij een schending van het hoorrecht, in de zin van artikel 41 van het Handvest, niet aannemelijk (HvJ 10 september 2013, C-383/13 PPU, M.G. e.a., pt. 38 e.v.).” Het vormt op zich geen schending van het hoorrecht als algemeen beginsel van Unierecht of van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie om te oordelen dat het indienen van een volgend (schriftelijk) verzoek om internationale bescherming en van een verzoekschrift tot beroep en een aanvullende nota bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen en het gehoord worden ter terechtzitting volstaan om zijn standpunt naar behoren en daadwerkelijk kenbaar te maken. Met de enkele stelling dat met betrekking tot de voorgehouden verwestering en de gevolgen daarvan ook een gehoor noodzakelijk is, toont verzoeker dan ook geen schending aan van het hoorrecht. Verder oordeelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen soeverein of hij al dan niet beschikt over voldoende essentiële elementen die inhouden dat hij kan komen tot de bevestiging of hervorming van de voor hem bestreden beslissing zonder aanvullende onderzoeksmaatregelen hiertoe te moeten bevelen.
- Waar verzoeker aanvoert dat “de feitelijke omstandigheden op zijn minst ruimte [laten] voor twijfel over de gegrondheid van de beslissing”, vraagt hij een nieuwe beoordeling van de zaak zelf, waarvoor de Raad van State als cassatierechter niet bevoegd is.
- Verder wordt in het bestreden arrest met betrekking tot verzoekers voorgehouden verwestering het volgende overwogen: “De Raad wijst erop dat een door louter tijdsverloop ontwikkelde westerse levensstijl in beginsel geen afdoende reden is om te worden erkend als vluchteling, tenzij de verzoeker aannemelijk maakt dat het gaat om verwesterd gedrag dat op een godsdienstige of politieke overtuiging is gebaseerd en dat bijzonder belangrijk is voor een verzoeker om zijn (godsdienstige) identiteit of morele integriteit te behouden. Het komt aan verzoeker toe om dit aan te tonen, met name dat hij bepaalde concrete gebruiken of elementen van een levensstijl heeft aangenomen die deel uitmaakt van of dermate fundamenteel is voor zijn identiteit of morele integriteit dat er van hem niet mag verwacht worden dat hij dit opgeeft indien hij hierdoor concrete en geloofwaardige problemen met derden zou riskeren, als uiting van een politieke of religieuze overtuiging. Verzoeker blijft daartoe evenwel in gebreke. Verzoeker duidt nergens in concreto aan dat er in zijn hoofde sprake zou zijn van persoonlijke uiterst moeilijk of nagenoeg onmogelijk te veranderen of te verhullen VII-42.394-5/8 kenmerken of gedragingen. Verzoeker is een volwassen man die in juni 1991 (zie medisch onderzoek in opdracht van de Dienst Voogdij van de FOD Justitie […] ten tijde van verzoekers eerste verzoek om internationale bescherming) werd geboren en wiens vormende jaren zich in Afghanistan hebben afgespeeld. Blijkens zijn verklaringen is verzoeker uit Afghanistan vertrokken in
- Bij zijn vertrek uit Afghanistan was verzoeker 24 jaar oud. Het komt aan verzoeker toe om aan te tonen dat hij bepaalde concrete gebruiken of elementen van een levensstijl heeft aangenomen die deel uitmaken van of dermate fundamenteel zijn voor zijn identiteit of morele integriteit dat er van hem niet mag worden verwacht dat hij afziet van dit gedrag of deze levenswijze opgeeft dan wel aanpast om problemen te ontlopen wegens het niet naleven van de heersende regels en normen binnen de huidige Afghaanse samenleving, zoals vormgegeven door de taliban. Door louter te verwijzen naar zijn verblijf van intussen ruim acht jaar in België, maakt verzoeker geenszins concreet aannemelijk dat hij om deze reden zal worden gepercipieerd als verwesterd en bij terugkeer naar Afghanistan zal worden vervolgd. Hij komt immers niet verder dan te verwijzen naar de algemene situatie in Afghanistan, zonder evenwel concreet te duiden op welke wijze deze elementen zouden duiden op persoonlijke uiterst moeilijk of nagenoeg onmogelijk te veranderen of te verhullen kenmerken of gedragingen. Waar hij stelt dat hij in België vrienden heeft, met hen af en toe een pintje gaat drinken en een aantal feestdagen meeviert (zie verzoekers aanvullende nota, stukken 20-23) en dat hij zich in België heeft kunnen integreren, brengt hij geen concrete, persoonlijke elementen aan waaruit zou kunnen blijken dat zijn verblijf in België zich in zijn hoofde heeft uitgestrekt voorbij hetgeen kan worden verwacht van een vreemdeling die in het kader van zijn lopende procedure om internationale bescherming in België verblijft naar persoonlijke uiterst moeilijk of nagenoeg onmogelijk te veranderen of te verhullen kenmerken of gedragingen. Wat betreft de Facebookgesprekken is hoger reeds komen vast te staan dat aan deze stukken geen bewijswaarde kan worden toegekend daar de authenticiteit van deze gesprekken niet kan worden nagegaan. Tevens werd hoger vastgesteld dat verzoeker niet aannemelijk maakt dat de taliban op de hoogte zouden zijn van zijn eenmalige deelname aan een betoging. De Raad wijst er verder op dat verzoekers familie zich heden nog in Afghanistan bevindt, waaronder zijn verloofde, en dat uit het voorgaande is gebleken dat geen geloof kan worden gehecht aan zijn voorgehouden problemen met de taliban. Verzoeker kan zich desgevallend bij zijn familie in Afghanistan informeren naar de veranderingen in de heersende regels en normen binnen de huidige Afghaanse samenleving, zoals vormgegeven door de taliban. Verzoeker maakt dus niet aannemelijk dat hij bij terugkeer naar Afghanistan zal worden gezien als iemand die de sociale normen niet respecteert en als zijnde ‘besmet’ door de Westerse waarden en dat hij in die zin een risico loopt om te worden vervolgd.” Anders dan verzoeker voorhoudt, is dus geen sprake van “een stereotype motivering met betrekking tot de ingeroepen verwestering”. Conclusie
- Het eerste middel is kennelijk ongegrond. B. Tweede middel VII-42.394-6/8 Eerste middelonderdeel
- Het eerste onderdeel van het tweede middel is identiek aan het eerste onderdeel van het eerste middel en faalt derhalve eveneens naar recht. Tweede middelonderdeel
- Uit de behandeling van het tweede onderdeel van het eerste middel en het in punt 7 supra opgenomen citaat uit het bestreden arrest blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich geenszins heeft beperkt tot het verwerpen van de ingeroepen vrees voor verwestering omdat de authenticiteit van de door verzoeker bijgebrachte facebookberichten niet kan worden gecontroleerd. Net omwille van de omstandige beoordeling van verzoekers argumentatie, toont verzoeker niet aan dat geen “behoorlijke en volledige behandeling” van de in het kader van zijn volgend verzoek om internationale bescherming ontwikkelde argumentatie zou zijn gebeurd. Verder is de Raad van State als cassatierechter niet bevoegd om de door de eerste rechter gemaakte beoordeling over te doen wat de vraag betreft of de bijgebrachte elementen al dan niet de kans aanzienlijk groter maken op erkenning als vluchteling of op de toekenning van de subsidiaire beschermingsstatus. Conclusie
- Het tweede middel is kennelijk ongegrond. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet toelaatbaar.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. VII-42.394-7/8 Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op negenentwintig maart tweeduizend vierentwintig, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bryan Geerts, toegevoegd griffier. De griffier De voorzitter Bryan Geerts Carlo Adams VII-42.394-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ORD.15.813 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div