id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 04 april 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ORD.15.823 Rolnummer: A. 241304/VII-42417 Zaak: Cassatiebeschikking 15823 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 04/04/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-04-09 Raadplegingen: 81 - laatst gezien 2026-06-11 05:03 Fiche Beschikking nr 15.823 van 4 april 2024 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 15.823 van 4 april 2024 in de zaak A. 241.304/VII-42.417 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bruno Soenen kantoor houdend te 9000 Gent Vaderlandstraat 32 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 22 februari 2024, strekt tot de cassatie van arrest nr. 300.311 van 19 januari 2024 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 8 maart 2024 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- Eerste middel
- Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft herhaaldelijk en ondubbelzinnig gesteld dat geschillen betreffende de toegang tot, het verblijf op en de verwijdering van het grondgebied niet onder de toepassing van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, VII-42.417-1/4 ondertekend te Rome op 4 juni 1950, (hierna: EVRM) vallen. (zie EHRM (GK) 5 oktober 2000, Maaouia/Frankrijk; EHRM (GK) 4 februari 2005, Mamatkulov en Askolov/Turkije; EHRM 14 februari 2008, Hussain/Roemenië; EHRM 27 februari 2014, Zarmayev/België).
- De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter opgelegde jurisdictionele motiveringsplicht heeft het karakter van een vormvereiste. Een uitspraak is gemotiveerd in de zin van de voornoemde bepaling wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet die hem ertoe brengen die beslissing te nemen. Om te voldoen aan de jurisdictionele motiveringsplicht is het niet relevant of die motieven in rechte of in feite juist zijn. Alleen een gemis aan motivering of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven, maken een schending uit van de voornoemde bepalingen. Wanneer de motivering een verkeerde gevolgtrekking in rechte maakt, kan dit een schending van de wet uitmaken, maar is er nog geen sprake van een motiveringsgebrek. De rechterlijke motiveringsverplichting houdt niet in dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen moet antwoorden op elk argument dat tot staving of weerlegging van een middel is aangevoerd, maar dat geen afzonderlijk middel of afzonderlijke weerlegging vormt. Anders dan verzoeker voorhoudt, is de motivering van het bestreden arrest aanzienlijk ruimer dan “het louter verwijzen naar de beslissing van het CGVS”. Verzoeker gaat voorbij aan de omstandige en concrete motieven vanaf pagina 13 van het bestreden arrest betreffende verzoekers minderjarigheid tijdens het persoonlijk onderhoud op het commissariaat-generaal, betreffende de voorgehouden beschuldiging door de taliban van diefstal in een huis, betreffende de wijze waarop verzoekers verklaringen op de dienst Vreemdelingenzaken werden vertaald en genoteerd, betreffende de door verzoeker voorgehouden handelwijze en onmiddellijk vertrek, betreffende de door verzoeker na het persoonlijk onderhoud bezorgde bijkomende documenten en betreffende verzoekers voorgehouden en “gepercipieerde” verwestering. Na het betoog uit verzoekers aanvullende nota te hebben geciteerd, gaat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ook omstandig in op de daarin ontwikkelde argumentatie betreffende verzoekers verblijf in België en de mate waarin verzoeker ondertussen verwesterd zou zijn en dientengevolge een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade in vluchtelingenrechtelijke zin aannemelijk zou maken. VII-42.417-2/4 In de mate dat verzoeker de juistheid van de gegeven motieven betwist, vraagt hij in wezen een nieuwe beoordeling van de zaak zelf, hetgeen geen verband houdt met de jurisdictionele motiveringsplicht als vormvereiste en waarvoor de Raad van State als cassatierechter niet bevoegd is.
- Het eerste middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. Tweede middel
- Zoals blijkt uit de beoordeling van het eerste middel, kan verzoeker de schending van artikel 6 van het EVRM niet op ontvankelijke wijze opwerpen. Verzoekers kritiek dat zijn advocaat ter terechtzitting van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet zou hebben mogen pleiten als het louter een toelichting van het beroepschrift en de aanvullende nota betrof, houdt geen verband met de jurisdictionele motiveringsplicht als vormvereiste.
- Het tweede middel is kennelijk niet ontvankelijk. Derde middel
- Zoals blijkt uit de beoordeling van het eerste middel, kan verzoeker de schending van artikel 6 van het EVRM niet op ontvankelijke wijze opwerpen.
- Verzoeker verwijst naar en citeert uit een arrest van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in een andere en volgens verzoeker zeer vergelijkbare zaak, namelijk betreffende een vriend en buur van verzoeker. Verzoekers kritiek is beperkt tot het weergeven van de motivering in die andere zaak, zonder evenwel in te gaan op de motieven van het bestreden arrest. Hij toont hiermee geen schending aan van de jurisdictionele motiveringsplicht. Voor zover verzoekers kritiek als inhoudelijk kan worden beschouwd, houdt deze geen verband met de jurisdictionele motiveringsplicht als vormvereiste.
- Het derde middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. VII-42.417-3/4 BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet toelaatbaar.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op vier april tweeduizend vierentwintig, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bryan Geerts, toegevoegd griffier. De griffier De voorzitter Bryan Geerts Carlo Adams VII-42.417-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ORD.15.823 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div