← België

Cassatiebeschikking 15825 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 08/04/2024

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 08 april 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ORD.15.825 Rolnummer: A. 241401/VII-42431 Zaak: Cassatiebeschikking 15825 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 08/04/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-04-09 Raadplegingen: 92 - laatst gezien 2026-06-11 01:10 Fiche Beschikking nr 15.825 van 8 april 2024 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 15.825 van 8 april 2024 in de zaak A. 241.401/VII-42.431 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Vincent Neerinckx kantoor houdend te 9140 Temse Akkerstraat 1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 4 maart 2024, strekt tot de cassatie van arrest nr. 300.840 van 30 januari 2024 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 22 maart 2024 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. Eerste middel
  2. Met toepassing van artikel 57/6/1, § 1, van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet) kan de commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen in de in die bepaling vermelde gevallen “een verzoek om internationale bescherming volgens een versnelde procedure behandelen”. In die VII-42.431-1/4 gevallen geldt een beslissingstermijn van 15 werkdagen. Overeenkomstig artikel 39/57, § 1, tweede lid, van de vreemdelingenwet bedraagt de termijn om tegen dergelijke beslissing beroep aan te tekenen bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen 10 dagen, dit in plaats van de gewone beroepstermijn van 30 dagen. De voornoemde beslissingstermijn van 15 werkdagen is een termijn van orde waarvan de overschrijding enkel tot gevolg heeft dat niet meer de verkorte doch de gewone beroepstermijn van 30 dagen van toepassing is.
  3. Uit de niet betwiste gegevens van de zaak blijkt dat de voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aangevochten beslissing niet binnen een termijn van 15 werkdagen was genomen, hoewel de verwerende partij de toepassing had aangekondigd van artikel 57/6/1, § 1, van de vreemdelingenwet. Het gevolg hiervan is dus enkel dat verzoeker beschikte over een beroepstermijn van 30 dagen, zoals in het bestreden arrest ook wordt vastgesteld. Verzoekers kritiek, die als uitgangspunt heeft dat het verstrijken van de voormelde beslissingstermijn van 15 werkdagen tot gevolg zou hebben dat de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen het verzoek tot internationale bescherming niet meer kennelijk ongegrond zou kunnen verklaren met toepassing van artikel 57/6/1 van de vreemdelingenwet, faalt naar recht.
  4. Het eerste middel is kennelijk ongegrond. Tweede middel
  5. De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter opgelegde jurisdictionele motiveringsplicht heeft het karakter van een vormvereiste. Een uitspraak is gemotiveerd in de zin van de voornoemde bepaling wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet die hem ertoe brengen die beslissing te nemen. Om te voldoen aan de jurisdictionele motiveringsplicht is het niet relevant of die motieven in rechte of in feite juist zijn. Alleen een gemis aan motivering of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven, maken een schending uit van de voornoemde bepalingen. Wanneer de motivering een verkeerde gevolgtrekking in rechte maakt, kan dit een schending van de wet uitmaken, maar is er nog geen sprake van een motiveringsgebrek. VII-42.431-2/4 De rechterlijke motiveringsverplichting houdt niet in dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen moet antwoorden op elk argument dat tot staving of weerlegging van een middel is aangevoerd, maar dat geen afzonderlijk middel of afzonderlijke weerlegging vormt.
  6. Verzoeker voert met verwijzing naar zijn bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ingediende aanvullende nota en stukken aan dat hij op concrete en individuele wijze heeft aangetoond dat zijn belagers in Albanië in staat zijn de rechtsgang te beïnvloeden en dat de familie B. er invloed uitoefent op justitie, politie en parket. Volgens verzoeker schendt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de jurisdictionele motiveringsplicht door “een voor de hand liggende link […] tussen de geciteerde en neergelegde artikelen enerzijds en de vrees van verzoeker anderzijds” te miskennen. Verzoeker kritiek heeft betrekking op de juistheid van de gegeven motieven en derhalve niet op de jurisdictionele motiveringsplicht als vormvereiste. Met die kritiek vraagt verzoeker bovendien een nieuwe beoordeling van de zaak zelf, waarvoor de Raad van State als cassatierechter niet bevoegd is.
  7. Het tweede middel is kennelijk niet ontvankelijk. BESLUIT:
  8. Het cassatieberoep is niet toelaatbaar.
  9. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 24 euro. VII-42.431-3/4 Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op acht april tweeduizend vierentwintig, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bryan Geerts, toegevoegd griffier. De griffier De voorzitter Bryan Geerts Carlo Adams VII-42.431-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ORD.15.825 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.