← België

Cassatiebeschikking 15833 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 18/04/2024

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 18 april 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ORD.15.833 Rolnummer: A. 241445/VII-42440 Zaak: Cassatiebeschikking 15833 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 18/04/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-04-19 Raadplegingen: 100 - laatst gezien 2026-06-07 05:51 Fiche Beschikking nr 15.833 van 18 april 2024 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 15.833 van 18 april 2024 in de zaak A. 241.445/VII-42.440 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Romy Jessen kantoor houdend te 4000 Luik Rue Paul Devaux 2 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 13 maart 2024, strekt tot de cassatie van arrest nr. 301.924 van 20 februari 2024 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 22 maart 2024 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. Verzoeker citeert wat hij in zijn aanvullende nota onder “B. wat de subsidiaire bescherming betreft” heeft aangevoerd voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Hij besluit “dat er geen afweging en onderzoek van de argumenten van verzoeker heeft plaatsgevonden en dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich met twee zinnen volledig bij de motieven van de aanvankelijk bestreden beslissing aansluit” en citeert deze twee zinnen uit het bestreden arrest: VII-42.440-1/4 “Zelfs wanneer rekening wordt gehouden met enkele regionale verschillen, blijkt er in Afghanistan geen sprake van een uitzonderlijke situatie waar de mate van het willekeurig geweld in het gewapende conflict dermate hoog is dat zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een burger die terugkeert naar Afghanistan, louter door zijn aanwezigheid aldaar een reëel risico loopt om te worden blootgesteld aan een ernstige bedreiging van zijn leven of persoon. Voorgaande vindt steun in de Country Guidance Afghanistan van januari 2023 en is gelet op de informatie opgenomen in de EUAA ‘Afghanistan: Country Focus’ van december 2023 nog steeds actueel.”
  2. De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter en door artikel 39/65 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet) aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen opgelegde jurisdictionele motiveringsplicht heeft het karakter van een vormvereiste. Een uitspraak is gemotiveerd in de zin van de voornoemde bepaling wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet die hem ertoe brengen die beslissing te nemen. Om te voldoen aan de jurisdictionele motiveringsplicht is het niet relevant of die motieven in rechte of in feite juist zijn. Alleen een gemis aan motivering of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven, maken een schending uit van de voornoemde bepalingen. Wanneer de motivering een verkeerde gevolgtrekking in rechte maakt, kan dit een schending van de wet uitmaken, maar is er nog geen sprake van een motiveringsgebrek. De rechterlijke motiveringsverplichting houdt niet in dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen moet antwoorden op elk argument dat tot staving of weerlegging van een middel is aangevoerd, maar dat geen afzonderlijk middel of afzonderlijke weerlegging vormt.
  3. Anders dan verzoeker voorhoudt, is de motivering van het bestreden arrest voor de verwerping van zijn kritiek niet beperkt tot de door verzoeker geciteerde twee zinnen. Deze zinnen vormen slechts de laatste alinea en conclusie van de omstandige concrete motivering in punt 5.2.
  4. van het bestreden arrest. Dit alles betreft overigens uitsluitend de in artikel 48/4, § 2, c), van de vreemdelingenwet bedoelde situatie van een ernstige bedreiging van het leven of de persoon, als burger, ingevolge willekeurig geweld. De door verzoeker in het cassatiemiddel geciteerde argumentatie uit zijn aanvullende nota heeft nochtans geen betrekking op het gevaar en de mate van willekeurig geweld in Afghanistan maar veeleer op de gevolgen van verwestering en de mogelijkheid van terugkeer naar Afghanistan. VII-42.440-2/4 Verder wordt in punt 5.2.
  5. van het bestreden arrest overwogen: “Verzoeker is afkomstig uit de provincie [N.]. Uit de beschikbare landeninformatie blijkt niet dat het geweld aldaar een hoog niveau bereikt, waardoor er een hogere mate aan individuele elementen vereist is om aan te nemen dat een burger, wanneer hij terugkeert naar het grondgebied, een reëel risico zou lopen op een ernstige bedreiging van zijn leven of vrijheid. Voorgaande ligt in dezelfde lijn van de Country Guidance Afghanistan van januari
  6. Verzoeker zet in zijn verzoekschrift als dusdanig, geen concrete persoonlijke omstandigheden uiteen, die volgens hem het risico om slachtoffer van willekeurig geweld te worden verhogen. Het komt niet aan de Raad toe om dit in de plaats van verzoeker in te vullen. In de mate dat verzoeker zou verwijzen naar zijn verblijf in het Westen of zijn vluchtrelaas, verwijst de Raad naar wat hieromtrent reeds werd vastgesteld in de voorgaande punten.” Wat verzoekers verblijf in het Westen en de gevolgen bij een mogelijke terugkeer naar Afghanistan betreft, wordt in punt 5.1.
  7. van het bestreden arrest een vier bladzijden lange analyse gemaakt van de toestand in Afghanistan op basis van de recentste landenrapporten, waaruit het volgende wordt besloten: “Het komt aan verzoeker toe concreet aan te tonen dat hij is verwesterd dan wel als verwesterd zal worden beschouwd of als een persoon die de religieuze, morele of sociale normen heeft overschreden. Beide risicoprofielen kunnen in een zekere mate met elkaar overlappen. In het kader van een risico-analyse van de redelijke mate van waarschijnlijkheid voor een verzoeker om bij terugkeer naar Afghanistan te worden blootgesteld aan vervolging omwille van (toegeschreven) verwestering/overschrijding van religieuze, morele of sociale normen dringt zich een individuele beoordeling op waarbij rekening moet worden gehouden met risicobepalende factoren zoals het geslacht, de leeftijd, het gebied van herkomst en de conservatieve omgeving, de duur van het verblijf in het Westen, de aard van de tewerkstelling van de verzoeker, het gedrag van verzoeker, de zichtbaarheid van de verzoeker en de zichtbaarheid van de normoverschrijding (ook voor normoverschrijdingen in het buitenland), enzovoort.” Hierna wordt in de punten 5.1.
  8. tot en met 5.1.
  9. een twee bladzijden lange beoordeling gemaakt van verzoekers individuele toestand, met als besluit dat, “[g]elet op verzoekers individuele omstandigheden […] in casu niet [kan] worden aangenomen dat hij dient te vrezen voor vervolging of ernstige schade omwille van een terugkeer uit Europa en/of een (toegeschreven) verwestering en/of een (toegeschreven) overschrijding van religieuze, morele en/of sociale normen”.
  10. In het licht van het voorgaande toont verzoeker met de algemene kritiek dat de beoordeling in het bestreden arrest van zijn argumentatie betreffende de subsidiaire bescherming slechts zou bestaan uit twee zinnen, geen schending aan van de in VII-42.440-3/4 artikel 149 van de Grondwet en artikel 39/65 van de vreemdelingenwet vervatte jurisdictionele motiveringsplicht.
  11. Het enige middel is kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  12. Het cassatieberoep is niet toelaatbaar.
  13. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op achttien april tweeduizend vierentwintig, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bryan Geerts, toegevoegd griffier. De griffier De voorzitter Bryan Geerts Carlo Adams VII-42.440-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ORD.15.833 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.