← België

Cassatiebeschikking 15837 - Penitentiair recht (met inbegrip van cassatie) - 23/04/2024

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 23 april 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ORD.15.837 Rolnummer: A. 241550/IX-10443 Zaak: Cassatiebeschikking 15837 - Penitentiair recht (met inbegrip van cassatie) - 23/04/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-04-24 Raadplegingen: 113 - laatst gezien 2026-06-07 05:51 Fiche Beschikking nr 15.837 van 23 april 2024 Justitie - Penitentiair recht (met inbegrip van cassatie) Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2024:ORD.15.837 no lien 276928 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING INZAKE DE TOELAATBAARHEID VAN EEN CASSATIEBEROEP nr. 15.837 van 23 april 2024 in de zaak G/A 241.550/IX-10.443 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Sven Boullart kantoor houdend te 9000 Gent Voskenslaan 419 bij wie woonplaats wordt gekozen eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Hans Rieder kantoor houdend te 9000 Gent Recollettenlei 39 tegen: de DIRECTEUR-GENERAAL PENITENTIAIRE INRICHTINGEN -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het cassatieberoep, ingesteld op 28 maart 2024, strekt tot de nietigverklaring van beslissing BC/24-0039 van de beroepscommissie van de Centrale Toezichtsraad voor het Gevangeniswezen van 26 februari
  2. II. Verloop van de rechtspleging
  3. Het cassatieberoep is onderworpen aan de procedure tot toelating, bedoeld bij artikel 20, § 2, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, en bij de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. IX-10.44 Het dossier van de zaak is door de griffie ontvangen op 10 april
  4. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. III. De toelaatbaarheid 3.
  6. In een enig middel voert verzoeker de schending aan van artikel 149 van de Grondwet: “De Beroepscommissie oordeelt aangaande het glasbezoek met de broer van verzoekende partij dat aangezien er geen element bekend is waaruit zou blijken dat de eigen broer van verzoekende partij op enige wijze geviseerd is, het glasbezoek niet voldoende gemotiveerd en niet proportioneel is. De Beroepscommissie is echter van oordeel dat dit evenwel niet geldt voor het bezoek van de schoonouders op grond van volgende motivering: ‘Dat geldt niet voor het bezoek van de schoonouders, waar de beroepscommissie meent dat de beperking wel voldoende gedragen is in de bestreden beslissing.’ (pag. 17 bestreden uitspraak). Die motivering laat niet toe aan verzoekende partij om te begrijpen hoe de Beroepscommissie tot dat besluit kon komen. De motivering is op dat punt dan ook louter beperkt tot het gebruik van stijlformules, waardoor verzoekende partij niet kan achterhalen waarom de bodemrechter tot de beoordeling is gekomen dat er geen versoepeling kan gelden voor het glasbezoek met de schoonouders. Minstens is de motivering op dat punt onduidelijk.” 3.
  7. Het middel is gericht tegen de volgende overweging in de bestreden uitspraak: “De beroepsindiener heeft tijdens de hoorzitting eveneens het verzoek geuit dat het glasbezoek voor zijn broer en zijn schoonouders versoepeld wordt. Aangezien er geen enkel element is, bekend voor de beroepscommissie, waaruit zou blijken dat de eigen broer van de beroepsindiener op enige wijze geviseerd is, is de beroepscommissie van oordeel dat de beperking tot glasbezoek voor hem niet voldoende gemotiveerd is en niet proportioneel is. Het bezoek met de broer zou ook op dezelfde manier kunnen georganiseerd worden als het bezoek van de eigen ouders. Door het bezoek op die manier te organiseren, is de beroepscommissie van oordeel dat men nog steeds de veiligheid kan ECLI:BE:RVSCE:2024:ORD.15.837 IX-10.44 beschermen en dat de beperkingsmaatregel proportioneel is aan het eventuele risico. De beroepscommissie draagt de directeur-generaal dan ook op om voor dit aspect een nieuwe beslissing te nemen. Dat geldt niet voor het bezoek van de schoonouders, waar de beroepscommissie meent dat de beperking wel voldoende gedragen is in de bestreden beslissing.” 3.
  8. Het middel dat de schending van artikel 149 van de Grondwet aanvoert, kan slechts ontvankelijk zijn in zoverre het de bestreden beslissing verwijt dat het rechtscollege daarin niet de redenen opgeeft waarop zijn beslissing steunt of niet antwoordt op de middelen die de eiser voor dat rechtscollege heeft aangevoerd. Het middel is daarentegen niet ontvankelijk in zoverre het aanvoert dat de vermelde redenen onjuist of onwettig zijn of dat het rechtscollege de aangevoerde middelen niet afdoende weerlegt. 3.
  9. Verzoeker heeft een beslissing bestreden van de directeur- generaal van de penitentiaire administratie, waarin de bezoekrechten van zijn broer en schoonouders nergens specifiek ter sprake zijn gekomen. Wel is uitvoerig ingegaan op de bezoekrechten van zijn ouders, zijn partner en zijn kind. Ook in zijn beroepschrift, gericht aan de beroepscommissie, vermeldt verzoeker nergens zijn broer of schoonouders. Op de hoorzitting, zo is dan te lezen in de bestreden uitspraak, heeft verzoeker “het verzoek geuit dat het glasbezoek voor zijn broer en zijn schoonouders versoepeld wordt”. 3.
  10. Over het bezoek van verzoekers schoonouders is door hem geen middel bij de beroepscommissie aangevoerd, dat wettigheidskritiek formuleert tegen de beslissing van de verwerende partij. De beroepscommissie moet niet antwoorden op een middel dat niet is aangevoerd. Het middel, dat van een andere opvatting uitgaat, faalt in die mate naar recht. IX-10.44 3.
  11. Voorts, en daargelaten of de jurisdictionele motiveringsplicht van toepassing is op de afwijzing van een “verzoek” dat enkel mondeling, ongemotiveerd en slechts voor het eerst is geformuleerd op de hoorzitting, moet worden vastgesteld dat het rechtscollege dit “verzoek” heeft afgewezen omdat het meent dat “de beperking wel voldoende gedragen is in de bestreden beslissing”. Door aldus te refereren aan de motieven van de bestreden beslissing van de directeur-generaal en zich die motieven eigen te maken voor wat het thans gevraagde bezoek van de schoonouders betreft, heeft de beroepscommissie de redenen opgegeven waarop haar beslissing steunt. In die mate mist het middel feitelijke grondslag. 3.
  12. Het middel is kennelijk ongegrond.
  13. Uit het onderzoek van het cassatieberoep blijkt dat het niet voldoet aan de vereisten voor de toelaatbaarheid ervan, bepaald in artikel 20, §2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. B E S L I S S I N G:
  14. Het cassatieberoep is niet toelaatbaar.
  15. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 24 euro.
  16. Bij de publicatie van deze beschikking door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. IX-10.44 Aldus te Brussel verleend, op drieëntwintig april tweeduizend vierentwintig, door: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-10.44 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ORD.15.837 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.