← België

Cassatiebeschikking 15839 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 02/05/2024

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 02 mei 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ORD.15.839 Rolnummer: A. 241402/VII-42433 Zaak: Cassatiebeschikking 15839 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 02/05/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-05-03 Raadplegingen: 144 - laatst gezien 2026-06-07 05:51 Versie(s): Vertaling FR Fiche Beschikking nr 15.839 van 2 mei 2024 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 15.839 van 2 mei 2024 in de zaak A. 241.402/VII-42.433 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Koenraad Hinnekens kantoor houdend te 8500 Kortrijk Louis Pasteurlaan 24 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 4 maart 2024, strekt tot de cassatie van arrest nr. 300.732 van 29 januari 2024 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 29 maart 2024 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. Met betrekking tot de kennisgeving van de beslissing van de verwerende partij van 24 mei 2023 oordeelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest na een omstandige en concrete motivering: “De kennisgeving van de bestreden beslissing is in casu, in weerwil van wat de verzoekende partij voorhoudt, aldus op een correcte en rechtsgeldige wijze gebeurd op 30 mei
  2. Het gegeven dat op de betreffende aangetekende zending ‘4/2’ staat vermeld in plaats van de vermelding ‘boîte’, ‘bte’, ‘bus’ of ‘box’, doet niets af aan de rechtsgeldigheid van de kennisgeving van de bestreden beslissing. VII-42.433-1/3 Aldus blijkt dat de verzoekende partij daadwerkelijk kennis kon nemen van de zending en de inhoud ervan, minstens brengt zij geen concrete en ernstige elementen aan die het tegendeel doen vermoeden of anders doen besluiten (cf. RvS 28 mei 2021, nr. 250.716). Het enkele gegeven dat de brief werd teruggezonden naar verweerder, wegens het niet afhalen ervan bij de postdiensten, doet geen afbreuk aan de rechtsgeldigheid van de kennisgeving. De verzoekende partij weet, gelet op wat voorafgaat, hoe dan ook niet te overtuigen dat de ‘betekening op verkeerde wijze geacht verkeerd en nietig te zijn gebeurd’, zoals vergeefs wordt aangevoerd. Er is geenszins sprake van een ‘foute betekening’ of niet- rechtsgeldige betekening, zoals zij voorhoudt en zij kan dan ook niet worden gevolgd in haar argumentatie in het verzoekschrift dat hierdoor ‘de beroepstermijn [is] geacht niet te beginnen lopen’.” Verzoeker betwist de door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen gemaakte beoordeling, doch deze behoort tot de soevereine appreciatiebevoegdheid van de feitenrechter. De Raad van State treedt als cassatierechter niet in de beoordeling van de zaak zelf en hij vermag deze feitelijke beoordeling niet over te doen. Het komt de Raad van State als cassatierechter evenmin toe in de plaats van de feitenrechter na te gaan of de verwerende partij al dan niet zorgvuldig heeft gehandeld bij het versturen van haar beslissing naar verzoeker. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft het begrip “overmacht” niet geschonden door te aanvaarden dat de beslissing van de verwerende partij enkel per aangetekende post werd verstuurd naar het – als dusdanig niet betwiste – adres van verzoeker op zijn gekozen woonplaats, zonder een afzonderlijke gewone zending en zonder een afzonderlijke brief naar verzoekers raadsman. Het recht van verdediging vereist niet dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zijn voorgenomen beoordeling van een door een verzoeker aangevoerd middel vooraf meedeelt aan de partijen.
  3. Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. VII-42.433-2/3 BESLUIT:
  4. Het cassatieberoep is niet toelaatbaar.
  5. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op twee mei tweeduizend vierentwintig, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bryan Geerts, toegevoegd griffier. De griffier De voorzitter Bryan Geerts Carlo Adams VII-42.433-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ORD.15.839 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.