id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 07 juni 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ORD.15.886 Rolnummer: A. 241583/VII-42461 Zaak: Cassatiebeschikking 15886 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 07/06/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-06-10 Raadplegingen: 91 - laatst gezien 2026-06-06 05:27 Fiche Beschikking nr 15.886 van 7 juni 2024 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 15.886 van 7 juni 2024 in de zaak A. 241.583/VII-42.461 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bruno Soenen kantoor houdend te 9000 Gent Vaderlandstraat 32 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 19 maart 2024, strekt tot de cassatie van arrest nr. 302.734 van 5 maart 2043 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 12 april 2024 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- Vordering tot schorsing
- Verzoeker vraagt in het beschikkend gedeelte van het verzoekschrift tot cassatie, “[d]oende wat de UDN-rechter had dienen te doen, de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing vervat in de bijlage 13 septies te bevelen”. VII-42.461-1/3 De Raad van State is als cassatierechter niet bevoegd om in de plaats van de eerste rechter de schorsing van een administratieve beslissing te bevelen. Het cassatieberoep is in die mate kennelijk niet ontvankelijk. Enig middel
- Het door verzoeker geschonden geachte artikel 74/14, § 2, van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet) bepaalt dat, zolang de termijn voor vrijwillig vertrek bij een bevel om het grondgebied te verlaten loopt, de onderdaan van een derde land beschermd is tegen gedwongen verwijdering. Verzoeker acht deze bepaling geschonden omdat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de wettigheid aanvaardt van het op 23 februari 2024 in zijnen hoofde genomen bevel om het grondgebied te verlaten met vasthouding met het oog op verwijdering (bijlage 13septies), zonder een termijn voor vrijwillig vertrek, terwijl op 17 januari 2024 een beslissing houdende bevel om het grondgebied te verlaten (bijlage 13) was genomen met een termijn voor vrijwillig vertrek van 30 dagen. Volgens verzoeker was hij dus beschermd tegen verwijdering, hoewel hem de bijlage 13 pas op 28 februari 2024 ter kennis werd gebracht.
- De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen stelt bij de beoordeling van het bevel om het grondgebied te verlaten van 23 februari 2024 vast, hetgeen niet wordt betwist, dat op dat ogenblik het bevel om het grondgebied te verlaten van 17 januari 2024 nog niet ter kennis was gebracht van verzoeker. Hij vermocht derhalve op wettige wijze te besluiten dat op 23 februari 2024 kon worden beslist om verzoeker geen termijn voor vrijwillig vertrek toe te staan en dat op 23 februari 2024 ook nog geen termijn voor vrijwillig vertrek liep ingevolge het bevel om het grondgebied te verlaten van 17 januari
- Verzoeker toont wat dat betreft geen schending aan van artikel 74/14, § 2, van de vreemdelingenwet. Hij voert geen andere elementen aan op grond waarvan volgens hem de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het bevel om het grondgebied te verlaten van 23 februari 2024 met het niet toekennen van een termijn voor vrijwillig vertrek onwettig zou hebben moeten verklaren. VII-42.461-2/3
- Verzoeker toont niet aan in welk opzicht de motivering van het bestreden arrest niet zou voldoen aan de vereisten van artikel 149 van de Grondwet en artikel 39/65 van de vreemdelingenwet. Hij voert hiertoe enkel aan dat het bestreden arrest met de wet strijdig en niet in rechte verantwoord is. De in de voornoemde bepalingen vervatte jurisdictionele motiveringsplicht is echter enkel een vormvereiste die geen verband houdt met de juistheid van de gegeven motieven.
- Het enige middel is kennelijk ongegrond. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op zeven juni tweeduizend vierentwintig, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Carlo Adams VII-42.461-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ORD.15.886 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div