id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 10 juni 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ORD.15.888 Rolnummer: A. 241538/VII-42454 Zaak: Cassatiebeschikking 15888 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 10/06/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-06-12 Raadplegingen: 95 - laatst gezien 2026-06-06 05:27 Fiche Beschikking nr 15.888 van 10 juni 2024 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 15.888 van 10 juni 2024 in de zaak A. 241.538/VII-42.454 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Koenraad Hinnekens kantoor houdend te 8500 Kortrijk Louis Pasteurlaan 24 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 25 maart 2024, strekt tot de cassatie van arrest nr. 301.702 van 16 februari 2024 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 26 april 2024 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- Artikel 39/76, § 1, tweede lid, van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet) luidt: “De partijen kunnen hem tot de sluiting der debatten door middel van een aanvullende nota nieuwe elementen ter kennis brengen. Onverminderd het in artikel 39/60 bedoelde verbod, beperkt de aanvullende nota zich tot deze nieuwe elementen, op straffe van het uit de debatten weren van de aanvullende nota wat het overige betreft. VII-42.454-1/5 Niet in de aanvullende nota vervatte nieuwe elementen worden ambtshalve uit de debatten geweerd.” Artikel 39/60, van de vreemdelingenwet bepaalt: “De procedure is schriftelijk. De partijen en hun advocaat mogen ter terechtzitting hun opmerkingen mondeling voordragen. Geen andere middelen mogen worden aangevoerd dan die welke in het verzoekschrift of in de nota uiteengezet zijn.” Artikel 39/73, § 2, van de vreemdelingenwet stelt: “§
- Bij beschikking stelt de kamervoorzitter of de door hem aangewezen rechter de partijen in kennis dat de kamer zonder een terechtzitting uitspraak zal doen tenzij één van de partijen, binnen een termijn van vijftien dagen na het versturen van de beschikking, vraagt om gehoord te worden. […]”
- Het in het voormelde artikel 39/73, § 2, van de vreemdelingenwet bedoelde verzoek tot horen heeft geen andere functie dan een verzoeker de mogelijkheid geven om gehoord te worden na kennisname van de in § 1 van dat artikel bedoelde beschikking. Verzoekster en haar raadsman zijn aldus overeenkomstig artikel 39/60 van de vreemdelingenwet gehoord ter terechtzitting van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Zij hebben er kunnen repliceren op de inhoud van de voornoemde beschikking. Verzoekster toont wat dat betreft geen schending aan van de in het middel aangehaalde bepalingen, noch van het recht van verdediging.
- Verzoekster voert aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest nergens ingaat op de inhoud van haar met toepassing van artikel 39/76 van de vreemdelingenwet ingediende nota en stukken. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt in het bestreden arrest: “Evenmin brengt de verzoekende partij in de uiteenzetting in haar aanvullende nota, door de bijgevoegde stukken of voormelde argumentatie ter terechtzitting concrete en dienstige argumenten bij die afbreuk kunnen doen aan de gronden van voormelde beschikking. Hieruit blijkt immers niet dat de appreciatie van de situatie in Georgië zoals hiervoor beschreven niet langer correct of redelijk zou zijn. De verzoekende partij haalt passages aan uit de bijgebrachte algemene informatie, voert een algemeen betoog betreffende hun situatie destijds waarin zij onder meer stelt dat het gehele gezin geïsoleerd leefde en zij verwijst tevens naar de situatie van ‘de dochter’. De verzoekende partij bouwt verder op deze elementen. Het weze echter herhaald dat VII-42.454-2/5 internationale bescherming hoe dan ook slechts kan worden verkregen bij gebrek aan nationale bescherming. Noch de uiteenzetting in de aanvullende nota en/of ter terechtzitting, noch de bijgevoegde (algemene) informatie doen afbreuk aan de pertinente overweging in voormelde beschikking dat niet blijkt dat de Georgische autoriteiten in het algemeen onwillig of onmachtig zijn om bescherming te verlenen aan slachtoffers van huiselijk geweld. Opnieuw berust de verzoekende partij haar algemeen betoog dat werkelijke bescherming zou ontbreken, hoe dan ook niet op meerdere ernstige persoonlijke pogingen om nationale bescherming vanwege de Georgische autoriteiten te (trachten te) bekomen. De verzoekende partij maakt ook thans niet aannemelijk alle redelijke van haar te verwachten mogelijkheden tot bescherming te hebben uitgeput. In de mate dat de verzoekende partij betoogt dat zij werden geterroriseerd zonder de bescherming van de autoriteiten, kan dan ook opnieuw worden opgemerkt dat indien de autoriteiten niet op de hoogte worden gebracht van de feiten, zij hiertegen vanzelfsprekend niet kunnen optreden. De Raad stipt in het licht van de door de verzoekende partij geuite kritiek tevens nog aan dat bescherming die de nationale overheid biedt, doeltreffend moet zijn, maar niet absoluut. De overheid dient niet bescherming te bieden tegen elk feit begaan door derden; het volstaat dat redelijke maatregelen worden genomen (RvS 21 februari 2007, nr. 168.034). De overheid heeft de plicht om burgers te beschermen, maar deze plicht houdt geenszins een resultaatsverbintenis in (RvS 12 februari 2014, nr. 226.400). In het licht van het betoog gevoerd in de aanvullende nota over de dochter en de louter algemene verwijzing ter terechtzitting naar bijkomende documentatie van de dominus litis over ‘problemen voor jonge meisjes’ kan overigens nog worden opgemerkt dat uit het stuk 7 ‘Beslissing CGVS G. A.’ slechts blijkt dat de dochter, mevrouw G. A., de vluchtelingenstatus en de subsidiaire beschermingsstatus werden geweigerd. Onder meer wordt ook in deze beslissing vastgesteld dat niet de redelijk te verwachten pogingen tot het bekomen van nationale bescherming werden ondernomen evenals dat zij een volwassen jonge vrouw is die elders in Georgië kan wonen om aan de agressieve vader te ontkomen. De verzoekende partij gaat met haar uiteenzetting over haar dochter in haar aanvullende nota overigens eveneens voorbij aan de pertinente vaststellingen in voormelde beschikking aangaande de constante vrees van haar kinderen voor de agressie van haar echtgenoot en de ommezwaai die zij dienaangaande maakte hetgeen haar voorgehouden vrees relativeert. Door te stellen dat zij de toestand van de dochter rooskleuriger inzag dan in werkelijkheid het geval bleek te zijn en de daaropvolgende uiteenzetting, kan zij deze vaststellingen niet ombuigen. Voorts stipt de Raad aan dat ieder verzoek om internationale bescherming afzonderlijk en op individuele wijze moet worden onderzocht en beoordeeld, rekening houdende met de concrete situatie in het land van herkomst alsook met de individuele elementen zoals aangebracht door de verzoeker om internationale bescherming. Elk verzoek om internationale bescherming dient, zoals thans in het geval van de verzoekende partij, op individuele basis te worden onderzocht op zijn eigen merites waarbij degene die om internationale bescherming verzoekt op een voldoende concrete manier dient aan te tonen dat hij persoonlijk een gegronde vrees voor vervolging heeft of een risico op ernstige schade loopt. Feiten en elementen eigen aan elk concreet verzoek om internationale bescherming zijn bepalend bij de beoordeling van het dossier. In zoverre de verzoekende partij zich wenst te steunen op de feiten aangehaald door mevrouw G. A., dan wel het toekomstig arrest van de Raad in haar hoofde, werpt zij geen ander licht op de beoordeling die voorligt in het kader van haar verzoek om internationale bescherming. Evenmin kan huidig beroep worden aangewend als een vorm van beroep tegen de beslissing die in hoofde van mevrouw G. A. werd genomen. Het beroep ingediend door mevrouw G. A. tegen die beslissing is momenteel hangende bij de Raad onder het rolnummer 308
- VII-42.454-3/5 De verzoekende partij laat de overige motieven van voormelde beschikking onverlet, minstens slaagt zij er niet in concrete valabele argumenten aan te reiken die hier afbreuk aan kunnen doen zodat deze onverminderd overeind blijven. Waar de verzoekende partij voorts ter terechtzitting aangeeft te volharden in de middelen, blijft zij in gebreke concrete opmerkingen aangaande de in voormelde beschikking opgenomen grond te formuleren die deze kunnen ontkrachten of weerleggen. In voormelde beschikking worden aldus, na analyse van de aangeleverde gegevens en het voorhanden zijnde bronnenmateriaal, de individuele omstandigheden van de verzoekende partij belicht. Uit het besluit van de Raad in voormelde beschikking blijkt dan ook niet dat werd uitgegaan van het vermoeden van bescherming in Georgië, noch dat geen onderzoek zou hebben plaatsgevonden naar de ‘terechtheid’ van haar problemen. Door voormelde individuele elementen en algemene kritieken aan te halen ter terechtzitting kan de verzoekende partij evenmin overtuigen van het tegendeel. De vaststelling dat de verzoekende partij niet aantoont dat in haar geval geen doeltreffende niet-tijdelijke bescherming vanwege de overheid in Georgië beschikbaar zou zijn, noch dat zij daartoe geen toegang zou hebben, wordt gesteund op het geheel aan documenten, objectieve landeninformatie en de verklaringen van de verzoekende partij, en bezien in hun onderlinge samenhang alsook in het licht van de algemene situatie in Georgië die zich reeds in het rechtsplegingsdossier bevinden. Door ter terechtzitting aan te geven het niet eens te zijn met de analyse van de Raad inzake de overheidsbescherming, kan de verzoekende partij de beoordeling niet ombuigen. In toepassing van artikel 4, lid 1 van de richtlijn 2004/83/EG dient te worden vastgesteld dat de verzoekende partij met haar verweer ter terechtzitting niet in concreto aantoont welke concrete, belangwekkende elementen zij niet heeft kunnen aanreiken en op welke wijze deze elementen een ander licht hadden kunnen werpen op het vastgestelde in voormelde beschikking (zie: HvJ 29 juni 2023, C-756/21, X tegen International Protection Appeals Tribunal, Minister for Justice and Equality, Ierland, Attorney General, punt 72). De gronden van voormelde beschikking blijven dan ook overeind.” Verzoeksters stelling dat in het bestreden arrest niet zou zijn ingegaan op de inhoud van haar aanvullende nota en de erbij gevoegde stukken mist kennelijk feitelijke grondslag. Met slechts een herhaling van die nota en een opsomming van de erbij gevoegde stukken toont verzoekster geen schending aan van de in het opschrift van het middel aangehaalde bepalingen, noch van het recht van verdediging.
- Tot slot is het zorgvuldigheidsbeginsel niet van toepassing op jurisdictionele beslissingen zoals het bestreden arrest waarmee, te dezen met hervormingsbevoegdheid, uitspraak is gedaan over een beroep tegen een beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen.
- Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. VII-42.454-4/5 BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet toelaatbaar.
- Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 24 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op tien juni tweeduizend vierentwintig, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bryan Geerts, toegevoegd griffier. De griffier De voorzitter Bryan Geerts Carlo Adams VII-42.454-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ORD.15.888 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div