← België

Cassatiebeschikking 15907 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 14/06/2024

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 14 juni 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ORD.15.907 Rolnummer: A. 241784/VII-42495 Zaak: Cassatiebeschikking 15907 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 14/06/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-06-18 Raadplegingen: 102 - laatst gezien 2026-06-06 05:27 Fiche Beschikking nr 15.907 van 14 juni 2024 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 15.907 van 14 juni 2024 in de zaak A. 241.784/VII-42.495 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Marlies Van Den Bruel kantoor houdend te 2300 Turnhout Wouwerstraat 1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 24 april 2024, strekt tot de cassatie van arrest nr. 304.038 van 28 maart 2024 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 17 mei 2024 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. A. Eerste middel
  2. De wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ is niet van toepassing op jurisdictionele beroepen zoals het bestreden arrest, waarmee te dezen uitspraak is gedaan met hervormingsbevoegdheid over een beroep tegen de weigering van de vluchtelingenstatus en de subsidiaire beschermingsstatus. Bovendien vraagt verzoeker in de uiteenzetting van het middel wat de VII-42.495-1/3 door hem afgelegde verklaringen en zijn voorgehouden verwestering betreft en wat de aanwezigheid van geweld in Afghanistan betreft in wezen een nieuwe en andere beoordeling van de zaak zelf, waarvoor de Raad van State als cassatierechter niet bevoegd is. Verzoeker vermag op die manier geen schending aan te tonen van de artikelen 48/3 en 48/4 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet).
  3. Het eerste middel is kennelijk niet ontvankelijk. B. Tweede middel
  4. Verzoeker acht de artikelen 2 en 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 juni 1950 (hierna: EVRM) geschonden door “geweld met risico op overlijden”, omdat “[d]e algemene situatie in Afghanistan […] geheel [wordt] ondermijnd in de beslissingen” en door “stigmatisering en achtervolging naar Afghanen uit het westen toe”. Met het bestreden arrest wordt geen uitspraak gedaan over een verwijderingsmaatregel. In de mate dat de inhoud van artikel 3 van het EVRM overeenstemt met artikel 48/4 van de vreemdelingenwet, beperkt verzoeker zich tot een algemene stelling waarmee hij geen schending aantoont van de voornoemde verdragsbepaling.
  5. Het tweede middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. C. Derde middel
  6. Met de algemene herhaling van zijn eigen standpunt toont verzoeker geen schending aan van de artikelen 9 en 10 van het EVRM.
  7. Het derde middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. VII-42.495-2/3 BESLUIT:
  8. Het cassatieberoep is niet toelaatbaar.
  9. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op veertien juni tweeduizend vierentwintig, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bryan Geerts, toegevoegd griffier. De griffier De voorzitter Bryan Geerts Carlo Adams VII-42.495-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ORD.15.907 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.