id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 01 juli 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ORD.15.922 Rolnummer: A. 241635/VII-42471 Zaak: Cassatiebeschikking 15922 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 01/07/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-07-03 Raadplegingen: 122 - laatst gezien 2026-06-11 03:19 Fiche Beschikking nr 15.922 van 1 juli 2024 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 15.922 van 1 juli 2024 in de zaak A. 241.635/VII-42.471 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Najate El Janati kantoor houdend te 4800 Verviers Rue Lucien Defays 24-26 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 27 maart 2024, strekt tot de cassatie van arrest nr. 302.200 van 26 februari 2024 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 26 april 2024 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- Eerste onderdeel van het enige middel
- In hetgeen kan worden beschouwd als een eerste middelonderdeel voert verzoeker in essentie aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest ook oordeelt over de mogelijke schending van de wet van 11 april 1994 ‘betreffende de openbaarheid van bestuur’ terwijl verzoeker geen schending van die wet had opgeworpen, dat het bestreden arrest bijgevolg gedeeltelijk zonder voorwerp is, dat de Raad VII-42.471-1/10 voor Vreemdelingenbetwistingen enkel uitspraak moet doen over de voor hem aangevoerde elementen, dat dit niet geldt voor bepalingen van openbare orde doch dat de voormelde wet van 11 april 1994 niet van openbare orde lijkt te zijn, dat het bestreden arrest derhalve minstens gedeeltelijk onredelijk is en dat bijgevolg verzoekers persoonlijke situatie niet voldoende lijkt te zijn beoordeeld met betrekking tot de gevolgen van het intrekken van de vluchtelingenstatus.
- De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen oordeelt dienaangaande in het bestreden arrest: “Overeenkomstig de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur heeft verzoeker een recht op inzage. Dit betreft een passieve openbaarheid op verzoek gezien dit inzagerecht enkel geschiedt op aanvraag. Verzoeker en zijn raadsvrouw mochten ook, conform artikel 32 van de Grondwet – waarnaar verzoeker zelf verwijst in zijn verzoekschrift – het administratief dossier inkijken op de zetel van het CGVS en kennis nemen van de inhoud teneinde de verdediging te organiseren. Verzoeker draagt zelf de verantwoordelijkheid voor de organisatie van zijn verdediging en het komt aan hem toe om op diligente en alerte wijze zijn verdediging te laten waarnemen door een raadsman naar keuze en tijdig de nodige stappen te ondernemen teneinde inzage van het administratief dossier op de zetel van het CGVS te bekomen. Nergens uit het administratief dossier kan blijken dat verzoeker of zijn advocaat geen toegang zouden hebben verkregen tot het administratief dossier en geen gebruik […] konden maken van zijn inzagerecht met toepassing van de wet van 11 april
- Verzoeker verwijst naar een schrijven van 28 september 2023 […] en verwijt de commissaris-generaal er niet op geantwoord te hebben. Er bestaat echter geen enkele rechtsregel waaruit blijkt dat het CGVS verplicht zou zijn om binnen een bepaalde tijdspanne bepaalde stukken over te maken waar per e-mail of per fax om wordt verzocht. Uitzondering hierop betreft de procedure voorzien in artikel 57/5quater van de Vreemdelingenwet op grond waarvan de verzoeker een kopie van de notities van het persoonlijk onderhoud kan opvragen voordat de beslissing over zijn verzoek om internationale bescherming wordt genomen. Dit laatste is echter in casu niet van toepassing daar de commissaris-generaal in deze zaak een beslissing heeft genomen nadat verzoeker niet is ingegaan op het persoonlijk onderhoud en voor zijn afwezigheid geen geldige reden had gegeven. Voorts raakt het recht om toegang te verkrijgen tot het administratief dossier niet aan de wettigheid van de bestreden beslissing zelf, doch heeft het betrekking op de mogelijkheid om middelen aan te voeren bij de Raad. Volgens vaste rechtspraak moeten in het verzoekschrift alle middelen worden ontwikkeld, tenzij de grondslag ervan pas nadien aan het licht is kunnen komen (RvS 3 mei 2011, nr. 212.904; RvS 5 november 2010, nr. 208.706; RvS 27 oktober 2010, nr. 208.472; RvS 22 april 2010, nr. 203.209; RvS 4 maart 2010, nr. 201.497; RvS 10 februari 2010, nr. 200.738), in welk geval die middelen ten laatste in het eerst mogelijke in de procedureregeling voorziene processtuk moeten worden opgeworpen (RvS 10 februari 2010, nr. 200.738). Verzoeker en zijn raadsman kunnen ook overeenkomstig artikel 39/61 van de Vreemdelingenwet gebruik maken van het inzagerecht bij de Raad en ter griffie inzage nemen van het volledige administratief dossier, waarin de stukken waarop de commissaris-generaal zich heeft gebaseerd voor het nemen van de bestreden beslissing zich bevinden. Verzoeker kan dan ook niet worden gevolgd waar hij in het verzoekschrift stelt dat een latere inzage in het administratief dossier de schending van zijn rechten van verdediging niet kan lenigen. VII-42.471-2/10 Bovendien heeft verzoekers raadsvrouw gebruik kunnen maken van dit recht op inzage op de Raad en heeft zij met kennis van het administratief dossier haar pleidooi kunnen houden. Tot slot toont verzoeker noch in het verzoekschrift noch ter terechtzitting aan dat hij, middels toegang tot het administratief dossier, andere elementen kon aandragen dan diegene die hij in zijn verzoekschrift heeft aangevoerd. Hij toont in casu aldus niet aan dat hij belemmerd zou zijn in de mogelijkheid om in het kader van [zijn] beroepsprocedure bij deze Raad middelen aan te voeren tegen de bestreden beslissing.”
- Uit het dossier van de zaak blijkt dat verzoeker voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen inderdaad geen schending heeft opgeworpen van de wet van 11 april 1994 ‘betreffende de openbaarheid van bestuur’ noch heeft laten gelden dat hij geen inzage had gekregen in het administratief dossier van zijn zaak. Dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen toch dergelijke kritiek in aanmerking heeft genomen en verworpen, kan de strekking van het bestreden arrest echter niet hebben beïnvloed. Verzoeker heeft dan ook kennelijk geen belang bij zijn huidige kritiek. Minstens blijkt uit verzoekers kritiek niet dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zijn zaak ten gronde, dit is met betrekking tot de intrekking van de vluchtelingenstatus, niet op wettige wijze zou hebben onderzocht. Tweede onderdeel van het enige middel
- In hetgeen kan worden beschouwd als een tweede middelonderdeel voert verzoeker in essentie aan dat hij in zijn beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft verwezen naar zijn broer B. die op hetzelfde moment als verzoeker aankwam in België en als vluchteling werd erkend, doch wiens status niet werd ingetrokken, dat de situatie van zijn broer B. noch in de intrekkingsbeslissing noch in het bestreden arrest wordt vermeld terwijl het niet logisch is dat verzoeker, zijn broer A. en zijn vader de Turkse nationaliteit zouden hebben maar B. niet en verzoeker op deze inconsistentie heeft gewezen, dat deze inconsistentie wordt versterkt door de aanwezigheid van verzoekers broer T. in België, die ook werd erkend als vluchteling en wiens Syrische nationaliteit niet in twijfel wordt getrokken, dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich aldus niet heeft uitgesproken over een als middel aangevoerd element waarbij verzoeker belang heeft, dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen daarmee artikel 39/60 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet) en de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele VII-42.471-3/10 Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 juni 1950 (hierna: EVRM) heeft geschonden, dat het evenwicht tussen de partijen niet werd gerespecteerd door geen geloof te hechten aan verzoekers bevindingen betreffende de status van zijn broer B. in België, dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de “moeite” neemt om zich uit te spreken over de niet- intrekking van T.’s vluchtelingenstatus maar niet het bestaan van B. vermeldt hoewel deze laatste zich in dezelfde situatie bevindt als verzoeker, behalve dat hij niet wordt beschuldigd van fraude bij het verkrijgen van de vluchtelingenstatus, dat hierdoor een verschil in behandeling bestaat dat aan geen enkele logica beantwoordt en dat dit alles niet in overeenstemming is met de artikelen 1 en 33 van het internationaal verdrag ‘betreffende de status van vluchtelingen’, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (hierna: vluchtelingenverdrag), artikel 18 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, de artikelen 6, 13 en 14 van het EVRM, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, de artikelen 39/60 en 39/65 van de vreemdelingenwet en artikel 16 van het koninklijk besluit van 21 december 2006 ‘tot vaststelling van de procedure voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen’.
- De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen oordeelt dienaangaande in het bestreden arrest: “De commissaris-generaal heeft stukken gevoegd aan het administratief dossier waaruit blijkt dat verzoeker in bezit is van een Turks paspoort, geldig van 19 november 2021 tot 19 november 2023, [dat] melding maakt van de Turkse nationaliteit. Op beide documenten staat de ‘Turkse nationaliteit’ vermeld. Daarnaast blijken ook zijn ouders in bezit van zowel een Turks paspoort als een Turkse verblijfskaart en wordt hun nationaliteit ook aangeduid als Turks (AD CGVS, landeninformatie, stavingstukken bewijs Turkse nationaliteit, verzoeker + familieleden). Verzoeker heeft nochtans tijdens zijn verzoek om internationale bescherming verklaard dat hij enkel over de Syrische nationaliteit beschikt, dat hij Syrië verlaten heeft in 2015 en dat hij in september 2022 België heeft bereikt […]. Verzoeker kan niet gevolg[d] worden in zijn kritiek dat er zich geen elementen in het administratief dossier bevinden op grond waarvan de commissaris-generaal geoordeeld heeft dat hij niet alleen over de Syrische, maar ook over een andere, namelijk de Turkse nationaliteit beschikt. Waar hij in zijn verzoekschrift uitgebreid toelicht dat het niet mogelijk is dat hij over de Turkse nationaliteit beschikt omdat hij niet zou voldoen aan de voorwaarden […], doet hij geen enkele afbreuk aan de aanwezigheid in het administratief dossier van de kopieën van zijn Turks paspoort. Dat hij enkel in het bezit was van onleesbare kopieën […] en hieromtrent uitgebreide opmerkingen formuleert is evenmin relevant nu het administratief dossier wel degelijk een leesbaar afschrift bevat. Zijn ganse bespreking van de Syrische alsook de Turkse wetgeving inzake het verwerven van die respectievelijke nationaliteiten, is gelet op de aanwezigheid van zijn Turkse paspoort alsook de andere Turkse identiteitskaarten van zijn broers en ouders, evenmin dienstig. Dat hij niet inziet waarom ten aanzien van zijn derde broer T. geen beslissing tot intrekking van de vluchtelingenstatus werd genomen, is evenmin relevant voor de VII-42.471-4/10 beoordeling van zijn beschermingsverzoek. Niet alleen dient ieder verzoek om internationale bescherming op zijn eigen merites te worden geoordeeld, bovendien blijkt uit de stukken van het administratief dossier dat zijn broer T. reeds aangekomen is in België in 2015 en hij erkend werd als vluchteling bij beslissing van 3 oktober 2016 en niet zonder meer geconcludeerd kan worden dat hij zich in dezelfde situatie zou bevinden.”
- Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft herhaaldelijk en ondubbelzinnig gesteld dat geschillen betreffende de toegang tot, het verblijf op en de verwijdering van het grondgebied niet onder de toepassing van artikel 6 van het EVRM vallen. (zie EHRM (GK) 5 oktober 2000, Maaouia/Frankrijk; EHRM (GK) 4 februari 2005, Mamatkulov en Askolov/Turkije; EHRM 14 februari 2008, Hussain/Roemenië; EHRM 27 februari 2014, Zarmayev/België). Dit geldt bijgevolg ook voor geschillen betreffende de intrekking van de vluchtelingenstatus. Vermits een schending van artikel 6 van het EVRM niet op ontvankelijke wijze kan worden ingeroepen en geen schending van een ander door het verdrag beschermd belang wordt opgeworpen, kan een schending van artikel 13 van het EVRM evenmin op ontvankelijke wijze worden opgeworpen.
- In het bestreden arrest wordt inderdaad enkel verwezen naar de situatie van zijn broer T. en niet naar die van verzoekers broer B. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt echter wel dat ieder dossier op zijn eigen merites moet worden beoordeeld. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen oordeelt aldus dat verzoeker niet aantoont dat hijzelf en B. zich in dezelfde situatie bevinden. Voor het overige toont verzoeker niet aan dat niet zou kunnen worden beslist tot intrekking van zijn eigen vluchtelingenstatus zonder een vergelijking te maken met zijn broer B., wiens status niet zou zijn ingetrokken, en dit enkel omdat verzoeker en B. op hetzelfde moment België zijn binnengekomen en op hetzelfde moment zijn erkend als vluchteling.
- Bijgevolg toont verzoeker geen schending aan van de in dit middelonderdeel aangehaalde bepalingen. Derde onderdeel van het enige middel
- In hetgeen kan worden beschouwd als een derde middelonderdeel voert verzoeker in essentie aan dat hij in zijn beroepschrift verschillende vaststellingen heeft gedaan betreffende de Syrische en de Turkse nationaliteit, dat hij heeft verklaard dat niet werd betwist dat hij, zoals de rest van zijn familie, in Syrië is geboren en er lange tijd heeft VII-42.471-5/10 geleefd, dat de Syrische nationaliteit in alle documenten van verzoeker en zijn familieleden wordt vermeld zodat verzoeker en zijn familie naar alle waarschijnlijkheid blijk hebben gegeven van die nationaliteit, dat hij heeft laten gelden dat twee van zijn broers niet betrokken zijn bij de beschuldigingen van fraude om alhier de vluchtelingenstatus te krijgen, dat van verzoeker geen negatief bewijs kan worden gevraagd, namelijk van het niet-hebben van de Turkse nationaliteit, dat hij wel naar de Turkse en de Syrische nationaliteitswetgeving heeft verwezen, op basis waarvan hij op logische en overtuigende wijze een redenering heeft ontwikkeld die aantoont dat hij enkel de Syrische nationaliteit heeft, dat verzoekers argumentatie in het bestreden arrest slechts irrelevant wordt verklaard omdat een Turks paspoort op zijn naam en op naam van zijn broer A. en identiteitsdocumenten op naam van zijn ouders bij het administratief dossier waren gevoegd, dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen formeel zelfs niet betwist dat verzoeker en zijn familieleden niet voldoen aan de voorwaarden om de Turkse nationaliteit te krijgen, dat verzoeker zich heeft gebaseerd op de opmerkingen van het agentschap PRADO van de Europese Unie, dat hij ook kritiek had bij de wijze van overlegging van de vermeende Turkse documenten van zijn familie, dat de verwerende partij niet aangaf hoe zij in het bezit is gekomen van die documenten terwijl ze grote gevolgen hadden voor zijn leven, dat te dezen allesbehalve originele documenten voorliggen zodat het legitiem is te twijfelen aan de bewijskracht ervan, dat de stukken onduidelijk en in zwart-wit zijn, dat verzoeker heeft gewezen op een spellingprobleem in de familienamen doch dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dit niet heeft opgemerkt, dat de geldigheidsduur van de paspoorten niet overeenstemt met de geldigheidsduur van Turkse paspoorten volgens de informatie van PRADO, dat de foto van het vermeende paspoort van verzoeker te onduidelijk was om de Turkse overheidsplatforms te raadplegen, dat het gaat om een ongeldig paspoort, dat het gebrek aan voorzichtigheid van de verwerende partij had moeten worden gesanctioneerd in de zin van artikel 39/2, § 1, 2°, van de vreemdelingenwet, dat de beoordeling door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen van de vermeende Turkse paspoorten onredelijk is, dat er in het licht van verzoekers opmerkingen aanzienlijke twijfel bestond over de geldigheid van die Turkse documenten, dat dit alles wijst op een totaal irrelevant gebruik van artikel 55/3/1, § 2, 2°, van de vreemdelingenwet, dat twijfel in verzoekers voordeel moet gelden, dat de bevestiging van de beslissing van de verwerende partij door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen minstens het evenredigheidsbeginsel in gevaar brengt, dat de op onjuiste elementen gesteunde intrekking van de vluchtelingenstatus dramatische gevolgen heeft voor de door artikel 18 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en artikel 33 van het vluchtelingenverdrag beschermde rechten en dat bovendien niet alle VII-42.471-6/10 gezinsleden worden getroffen door dergelijke ingrijpende maatregel zodat een oneerlijk onderscheid ontstaat in de zin van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en artikel 14 van het EVRM.
- De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt in het bestreden arrest nog: “Verzoeker kan bovendien [niet] worden bijgetreden in zijn betoog dat de door de commissaris-generaal aan het administratief dossier gevoegde documenten vals zouden zijn. Het komt immers in de eerste plaats aan de verzoeker om internationale bescherming toe om zijn nationaliteit en identiteit aan te tonen en niet aan de commissaris-generaal om aan te tonen dat de documenten die betrekking hebben op een andere dan de beweerde nationaliteit, vals of niet vals zouden zijn. Zijn betoog dat het gaat om valse Turkse documenten, berust op een loutere verklaring, zonder dat verzoeker in staat is de valsheid ervan aan te tonen. Een loutere verwijzing naar algemene informatie teneinde de nummers na te gaan in een onderzoek naar de valsheid van een document […], heeft geen specifieke betrekking op de thans voorliggende stukken en is louter algemene informatie die niet noopt tot een andere beoordeling in casu. Ook het betoog omtrent de geldigheidsdata die zouden verschillen en niet correct zouden zijn, doet in huidige stand van zaken niet anders oordelen. Waar verzoeker vermoedt dat de broer van zijn moeder de Turkse documenten overhandigd heeft aan de commissaris-generaal uit wraak omdat hij opgetreden had als smokkelaar en verzoekers vader hem nog geld schuldig is, dient het volgende te worden opgemerkt. Dit betreft niet meer dan een blote bewering, die niet ondersteund wordt door andere elementen of stukken in het rechtsplegingsdossier. De kopie van de klacht, ingediend door zijn vader […] vermeldt louter dat die een klacht heeft neergelegd bij de politie, niet meer niet minder. Dat dit te maken zou hebben met een klacht tegen de mensensmokkelaar die de commissaris-generaal er dan op zijn beurt van op de hoogte zou hebben gesteld dat hij over de Turkse nationaliteit beschikt, zoals hij aankaart in zijn verzoekschrift, vindt hierin geen steun. Ook zijn verklaring dat de broer van zijn moeder heeft opgetreden als smokkelaar, betreft niet meer dan een blote bewering die bovendien geen steun vindt in de stukken van het administratief dossier. Tijdens zijn verhoor op de DVZ heeft hij hiervan alleszins geen melding gemaakt. Gevraagd naar de gegevens over zijn reis, waarbij expliciet verwezen werd naar de naam van de smokkelaar, gaf verzoeker geen antwoord […]. Wat betreft de verwijzing naar rechtspraak van de Raad, moet tot slot opgemerkt worden dat de precedentenwerking niet wordt aanvaard in het Belgische recht. Bovendien toont verzoeker niet in concreto aan dat de feitelijke elementen die aan de grondslag lagen van de aangehaalde arresten kunnen worden vergeleken met de feiten die onderhavige zaak kenmerken.”
- De jurisdictionele motiveringsplicht houdt niet in dat de rechter moet antwoorden op elk argument dat tot staving of weerlegging van een middel is aangevoerd. Uit het geheel van de motieven moet blijken waarom het middel wordt aangenomen of verworpen. Argumenten van een partij kunnen op die wijze ook impliciet worden VII-42.471-7/10 verworpen, met name wanneer die argumenten strijden met de motieven van het arrest. Het bestuursrechtscollege voldoet aan de motiveringsplicht wanneer de motieven de partijen en de Raad van State toelaten te begrijpen waarom de ermee strijdige argumenten niet worden aangenomen. Uit de supra geciteerde motieven blijkt duidelijk waarom de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de kwestieuze Turkse identiteitsdocumenten in aanmerking neemt ondanks verzoekers opmerkingen. Er blijkt wat dat betreft geen schending van de jurisdictionele motiveringsplicht als vormvereiste.
- Met zijn inhoudelijke kritiek op de geldigheid en dus het in aanmerking nemen van de kwestieuze Turkse paspoorten vraagt verzoeker in wezen een nieuwe feitelijke beoordeling van de zaak, met name van de bewijswaarde van die stukken. De Raad van State is als cassatierechter echter niet bevoegd om in de beoordeling van de zaak zelf te treden. Dit geldt ook voor de voorgehouden schending van artikel 39/2, § 1, 2°, van de vreemdelingenwet die hierin zou bestaan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in hoofde van de verwerende partij een “gebrek aan voorzichtigheid” zou hebben moeten vaststellen bij de beoordeling van de Turkse documenten. Met het standpunt dat te dezen een “totaal irrelevant gebruik” van artikel 55/3/1, § 2, 2°, van de vreemdelingenwet zou zijn gemaakt en dat er minstens twijfel zou bestaan, vraagt verzoeker nogmaals een nieuwe feitelijke beoordeling van de zaak waarvoor de Raad van State niet bevoegd is. In de mate dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen bewijswaarde hecht aan de Turkse documenten en vaststelt dat verzoeker deze niet ontkracht met zijn opmerkingen erbij, vraagt hij van verzoeker niet het negatieve bewijs dat hij de Turkse nationaliteit niet zou hebben doch wel dat hij de valsheid van de kwestieuze identiteitsdocumenten aantoont. Verder is het evenredigheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur niet van toepassing op jurisdictionele beslissingen zoals het bestreden arrest.
- Verzoeker heeft voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen schending opgeworpen van artikel 33.1 van het vluchtelingenverdrag en hij toont ook niet aan dat hij daartoe niet de gelegenheid had. Hij vermag deze schending dan ook niet voor het eerst in de graad van cassatie op te werpen. Bovendien houdt het in die verdragsbepaling vervatte beginsel van non-refoulement in dat een vluchteling niet naar zijn land van herkomst mag worden teruggestuurd als hij in dat land het risico loopt om te VII-42.471-8/10 worden vervolgd op grond van zijn afkomst, godsdienst, politieke overtuiging of vanwege het behoren tot een sociale groep. Het bestreden arrest bevat echter geen verwijderings- of terugleidingsmaatregel zodat een schending van het recht op non refoulement niet aan de orde is.
- Verzoeker heeft voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen evenmin een schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet of van artikel 14 van het EVRM opgeworpen noch toont hij aan dat hij daartoe niet in de gelegenheid was. Hij kan de schending van deze bepalingen dan ook niet voor het eerst opwerpen voor de Raad van State als cassatierechter. Conclusie
- Het enige middel is in zijn drie onderdelen, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet toelaatbaar.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op één juli tweeduizend vierentwintig, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bryan Geerts, toegevoegd griffier. De griffier De voorzitter VII-42.471-9/10 Bryan Geerts Carlo Adams VII-42.471-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ORD.15.922 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div