id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 02 juli 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ORD.15.926 Rolnummer: A. 241782/VII-42494 Zaak: Cassatiebeschikking 15926 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 02/07/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-07-03 Raadplegingen: 99 - laatst gezien 2026-06-11 03:19 Fiche Beschikking nr 15.926 van 2 juli 2024 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 15.926 van 2 juli 2024 in de zaak A. 241.782/VII-42.494 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Julien Hardy kantoor houdend te 1348 Louvain-la-Neuve Rue de la Draisine 2/004 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 25 april 2024, strekt tot de cassatie van arrest nr. 303.901 van 27 maart 2024 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 14 mei 2024 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- Het verzoek om internationale bescherming wordt noch met het bestreden arrest noch met de beslissing van de verwerende partij van 24 augustus 2023 (hierna: de aanvankelijk bestreden beslissing) beschouwd als impliciet ingetrokken. Evenmin wordt aangenomen dat verzoeker er impliciet afstand van heeft gedaan. De voornoemde beslissing van de verwerende partij is geen in artikel 57/6/5, § 1, van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet) bedoelde beslissing tot VII-42.494-1/5 beëindiging van de behandeling van het verzoek om internationale bescherming. Met het bestreden arrest wordt, in navolging van de aanvankelijk bestreden beslissing, het verzoek om internationale bescherming integendeel onderzocht in het licht van de artikelen 48/3 en 48/4 van de vreemdelingenwet doch wordt beslist verzoeker niet te erkennen als vluchteling en hem de subsidiaire beschermingsstatus niet toe te kennen. Bijgevolg kan verzoeker niet dienstig een schending inroepen van artikel 57/6/5, § 1, van de vreemdelingenwet of van artikel 28 van richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 ‘betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (herschikking)’ (hierna: richtlijn 2013/32).
- Verzoeker voert aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ten onrechte overweegt dat geconcludeerd kon worden dat verzoeker zijn asielverzoek impliciet had ingetrokken of afstand had gedaan van zijn asielaanvraag. Dergelijke overweging of beslissing is niet terug te vinden in het bestreden arrest. In het bestreden arrest wordt enkel de inhoud van artikel 57/6/5 van de vreemdelingenwet weergegeven doch verzoekers verzoek om internationale bescherming wordt, zoals reeds aangehaald, wel degelijk inhoudelijk onderzocht en beoordeeld. Verzoekers kritiek mist feitelijke grondslag.
- Met betrekking tot het verzoek om inlichtingen waaraan verzoeker geen gevolg zou hebben gegeven stelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest, hetgeen verzoeker niet betwist: “De Raad ontkent niet dat verzoeker tot twee maal toe een geldig motief had om niet te verschijnen op de geplande persoonlijke onderhouden, voorzien op 28 juni en 13 juli 2023, en dit ook tijdig aan het commissariaat-generaal meedeelde. Zo maakte hij binnen de daartoe voorziene termijn van vijftien dagen na het verstrijken van het geplande persoonlijk onderhoud telkens een medisch attest over aan het commissariaat-generaal dat zijn afwezigheid rechtvaardigde […]. De Raad stelt daarnaast evenwel ook vast dat verzoeker geen gevolg gaf aan de in de oproepingsbrieven van 19 mei en 14 juni 2023 eveneens vervatte vraag om inlichtingen. Zo werd in de oproepingsbrieven telkens als volgt gesteld: ‘Er wordt u eveneens gevraagd om mij schriftelijk, bij voorkeur per aangetekende zending, alle elementen/motieven mee te delen op basis waarvan u meent internationale bescherming nodig te hebben. Indien u niet antwoordt op dit verzoek om inlichtingen binnen de maand na de verzending ervan en hiervoor geen geldige VII-42.494-2/5 reden opgeeft, mag ik krachtens artikel 57/6/1, § 1, 2° van de Vreemdelingenwet uw verzoek om internationale bescherming weigeren.’ Vooreerst stipt de Raad aan dat geenszins kan worden ontkend dat verzoeker de oproepingen van 19 mei en 14 juni 2023 voor het geplande persoonlijk onderhoud op respectievelijk 8 juni en 13 juli 2023 daadwerkelijk ontvangen heeft en hiervan de nodige kennis had, gelet op de tot twee maal (door zijn sociaal assistent) tijdig overgemaakte geldige reden voor de afwezigheid op de in deze oproepingen vervatte data voor de persoonlijke onderhouden, zoals genoegzaam blijkt uit de stukken van het administratief dossier, alsook uit de door verzoeker zelf nogmaals gevoegde stukken bij het verzoekschrift. Het gegeven dat verzoeker dit tot twee maal deed, impliceert dat hij kennis had van voormelde instructie. Desalniettemin heeft verzoeker binnen de maand na de verzending van deze oproepingen – en waarin het voormelde verzoek om inlichtingen vervat zat (overigens in hetzelfde tekstkader en net onder de alinea in verband met het tijdig melden van een geldig motief ter afwezigheid van het persoonlijk onderhoud) – geen gevolg gegeven aan dit verzoek en heeft hij hiervoor geen geldige reden opgegeven in de zin van artikel 57/6/5, § 1, 2°, van de Vreemdelingenwet.” Verzoeker betwist als dusdanig noch de ontvangst noch de formulering van het voormelde verzoek om inlichtingen. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen acht vervolgens het verzoek om inlichtingen, te dezen met de vraag “alle elementen/motieven mee te delen op basis waarvan [verzoeker] meent internationale bescherming nodig te hebben”, voldoende duidelijk en precies om erop te kunnen antwoorden. Hij geeft ook concreet aan waarom verzoeker volgens hem in de mogelijkheid was het verzoek om inlichtingen te beantwoorden. De Raad van State treedt als cassatierechter niet in de beoordeling van de zaak zelf en vermag deze feitelijke beoordeling derhalve niet over te doen in de plaats van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. De Raad van State is als cassatierechter evenmin bevoegd om in de plaats van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen te oordelen of er voldoende informatie voorhanden is om een uitspraak te doen over het verzoek om internationale bescherming. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt dienaangaande “dat verzoeker middels het onderhavige verzoekschrift de nodige bijkomende, volgens hem nuttige informatie voor zijn verzoek om internationale bescherming kon verstrekken en dat hij de mogelijkheid om dit verzoekschrift in te dienen ook heeft benut”. Verzoeker betwist deze vaststelling niet en voert ook niet aan dat het hem niet mogelijk zou zijn geweest bijkomende informatie te verstrekken, laat staan dat hij aangeeft welke informatie hij nog had willen doch niet zou hebben kunnen verstrekken aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen die te dezen met hervormingsbevoegdheid uitspraak heeft gedaan over het beroep tegen de weigering van de vluchtelingenstatus en de subsidiaire beschermingsstatus. Verzoeker was op de terechtzitting VII-42.494-3/5 voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vertegenwoordigd door zijn advocaat, daargelaten de mogelijkheid om desgewenst ook in persoon te verschijnen op die terechtzitting. Overigens bepaalt artikel 14.3 van richtlijn 2013/32 uitdrukkelijk dat “[h]et feit dat er geen persoonlijk onderhoud heeft plaatsgevonden in overeenstemming met dit artikel […] de beslissingsautoriteit niet [belet] een beslissing over een verzoek om internationale bescherming te nemen.
- In het licht van de voorgaande vaststellingen zijn de voorgestelde prejudiciële vragen niet dienstig voor de oplossing van het geschil. De eerste voorgestelde vraag heeft betrekking op artikel 28 van richtlijn 2013/32, waarvan blijkt dat geen toepassing is gemaakt in het bestreden arrest. De tweede vraag heeft eveneens betrekking op de situatie waarin de asielautoriteit “ervan uitgaat dat dat de asielzoeker zijn asielverzoek intrekt”, waarvan te dezen geen sprake is. Bovendien gaat verzoeker eraan voorbij dat hij, zoals supra vastgesteld, een beroep met hervormingsbevoegdheid bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft kunnen indienen waarbij hij alle dienstige elementen heeft kunnen aanvoeren en toelichten.
- Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet toelaatbaar.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. VII-42.494-4/5 Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op twee juli tweeduizend vierentwintig, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bryan Geerts, toegevoegd griffier. De griffier De voorzitter Bryan Geerts Carlo Adams VII-42.494-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ORD.15.926 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div