id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 04 juli 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ORD.15.934 Rolnummer: A. 241934/VII-42522 Zaak: Cassatiebeschikking 15934 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 04/07/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-07-05 Raadplegingen: 110 - laatst gezien 2026-06-11 03:19 Fiche Beschikking nr 15.934 van 4 juli 2024 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 15.934 van 4 juli 2024 in de zaak A. 241.934/VII-42.522 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Amber Schmitt kantoor houdend te 2000 Antwerpen Mechelsesteenweg 12/11 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 16 mei 2024, strekt tot de cassatie van arrest nr. 304.667 van 11 april 2024 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 4 juni 2024 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- Het zorgvuldigheidsbeginsel is als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur niet van toepassing op jurisdictionele beslissingen zoals het bestreden arrest. In de mate dat verzoeker van oordeel is dat onzorgvuldig zou zijn onderzocht of hij al dan niet de Griekse nationaliteit heeft en of zijn verblijfsvergunning geldig is, vraagt hij in wezen de door de eerste rechter gemaakte beoordeling over te doen. De Raad van State is als cassatierechter echter niet bevoegd om in de beoordeling van de zaak zelf te treden. Verder voert verzoeker met zijn kritiek niet aan en toont hij a fortiori niet aan dat de Raad voor VII-42.522-1/3 Vreemdelingenbetwistingen de draagwijdte van het zorgvuldigheidsbeginsel zou hebben geschonden.
- Verzoeker verwijst naar artikel 25.2 van de overeenkomst van 19 juni 1990 ‘ter uitvoering van het tussen de regeringen van de staten van de Benelux Economische Unie, de Bondsrepubliek Duitsland en de Franse Republiek op 14 juni 1985 te Schengen gesloten akkoord betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen’ (hierna: SUO). Hij merkt op dat noch voorafgaand aan noch na het nemen van het terugkeerbesluit met inreisverbod voor de Schengenzone een overleg met Griekenland heeft plaatsgevonden, ondanks de tot april 2025 geldige Griekse verblijfsvergunning in het administratief dossier. In de eerste plaats moet worden vastgesteld dat de feitenrechter te dezen soeverein heeft geoordeeld dat geen verblijfsrecht van verzoeker in Griekenland blijkt. Daarenboven heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie in zijn arrest van 16 januari 2019 in de zaak C-240/17, E. tegen Finland, overwogen dat het voornoemde artikel 25.2 aldus moet worden uitgelegd “dat de overlegprocedure van artikel 25, lid 2, SUO in beginsel pas moet worden gestart nadat de betrokken derdelander in het Schengeninformatiesysteem is gesignaleerd ter fine van weigering van toegang, en dus nadat het hem betreffende terugkeerbesluit dat gepaard gaat met een inreisverbod is vastgesteld” en besloten “dat de overeenkomstsluitende staat die jegens een derdelander met een door een andere overeenkomstsluitende staat afgegeven geldige verblijfstitel over wil gaan tot vaststelling van een terugkeerbesluit dat gepaard gaat met een weigering van toegang tot en verblijf in het Schengengebied, weliswaar de mogelijkheid heeft om de in die bepaling neergelegde overlegprocedure reeds te starten voordat het terugkeerbesluit wordt vastgesteld, maar dat de overlegprocedure in elk geval moet worden gestart zodra dat besluit wordt vastgesteld”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen kon derhalve op wettige wijze in het bestreden arrest overwegen dat verzoeker niet kan worden gevolgd waar hij beweert dat dit overleg had moeten plaatsvinden voorafgaand aan het opleggen van het bestreden inreisverbod. Verder kon de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen als annulatierechter bij het beoordelen van de wettigheid van de voor hem bestreden beslissing niet de vraag in zijn beoordeling betrekken of de verwerende partij na het nemen van die beslissing het bedoelde overleg had opgestart of niet. VII-42.522-2/3
- Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet toelaatbaar.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 24 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op vier juli tweeduizend vierentwintig, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bryan Geerts, toegevoegd griffier. De griffier De voorzitter Bryan Geerts Carlo Adams VII-42.522-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ORD.15.934 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div