← België

Cassatiebeschikking 15943 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 10/07/2024

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 10 juli 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ORD.15.943 Rolnummer: A. 241933/VII-42521 Zaak: Cassatiebeschikking 15943 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 10/07/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-07-12 Raadplegingen: 102 - laatst gezien 2026-06-05 13:01 Fiche Beschikking nr 15.943 van 10 juli 2024 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 15.943 van 10 juli 2024 in de zaak A. 241.933/VII-42.521 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Zouhaier Chihaoui kantoor houdend te 1083 Ganshoren Landsroemlaan 40 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 16 mei 2024, strekt tot de cassatie van arrest nr. 306.259 van 8 mei 2024 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 28 mei 2024 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. Met het bestreden arrest wordt verzoeksters beroep verworpen tegen een beslissing van de verwerende partij om een volgend verzoek om internationale bescherming met toepassing van artikel 57/6/2, § 1, eerste lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (hierna: vreemdelingenwet) onontvankelijk te verklaren omdat geen nieuwe elementen of feiten zijn voorgelegd die de kans aanzienlijk groter maken VII-42.521-1/4 dat verzoekster in aanmerking komt voor erkenning als vluchteling of voor de subsidiaire beschermingsstatus. Verzoekster acht artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 (hierna: EVRM) geschonden met het bestreden arrest, in essentie doordat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen diepgaand en deugdelijk onderzoek heeft gevoerd naar het door haar ter staving van haar volgend verzoek om internationale bescherming bijgebracht medisch attest van 4 april 2024, dit in strijd met een aantal arresten van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) betreffende de wijze waarop medische attesten zouden moeten worden beoordeeld.
  2. Verzoekster verwijst naar enkele arresten van het EHRM, waaruit zij een schending van artikel 3 van het EVRM in het bestreden arrest afleidt. Het arrest van het EHRM van 9 maart 2010 in de zaak 41827/07, R.C. tegen Zweden, heeft betrekking op medische bewijsstukken die een asielrelaas bevestigen dat over het algemeen consistent was, niettegenstaande enkele onzekere aspecten die echter niet de algemene geloofwaardigheid van dat relaas ondermijnen. In het bestreden arrest wordt daarentegen vastgesteld dat het volgend verzoek om internationale bescherming is gesteund op hetzelfde relaas als het eerste verzoek, dat echter op grond van een aantal concrete vaststellingen ongeloofwaardig werd geacht met betrekking tot de voorgehouden problemen met haar echtgenoot en omdat verzoekster geen beschermingsmeetregelen in eigen land had uitgeput. Daarenboven gaat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ook inhoudelijk in op het medisch attest van 4 april 2024: “Uit het medisch attest van 4 april 2024 kan worden opgemaakt dat verzoekster een litteken heeft van ongeveer drie centimeter aan haar rechterduim dat wordt toegeschreven aan een snee door een mes (compatibel), een groot, langwerpig litteken van ongeveer tien centimeter aan de linkerkant van haar rug dat wordt toegeschreven aan een verwonding door een nagel opgelopen in de kindertijd (compatibel), verschillende andere littekens op haar onderrug die worden toegeschreven aan zwangerschapsstriemen (compatibel) en een kleine schilfering in de groef tussen de grote en kleine schaamlippen. Tevens kan worden gelezen dat verzoekster moeite heeft om in slaap te vallen, vroegtijdig ontwaakt om 4u en geen nachtmerries heeft. De arts concludeert dat verzoeksters relaas overeenkomt met de observaties, dat slagen met de blote hand geen littekens achterlaten op het lichaam en dat het feit dat verzoekster verschillende littekens op haar lichaam kon verklaren en toeschrijven aan andere gebeurtenissen de geloofwaardigheid van haar relaas versterkt. Tenslotte wijst VII-42.521-2/4 de arts erop dat er door de beperkte consultatietijd geen conclusies konden worden getrokken over verzoeksters psychische toestand. De Raad beaamt dat artsen vaststellingen kunnen doen met betrekking tot de fysieke en psychische gezondheid van een patiënt. Zo kan een arts, rekening houdend met zijn bevindingen, uitspraak doen over de fysieke oorzaak van de littekens. Hij kan dit onder meer afleiden uit de ernst en de plaats van de verwondingen. Een arts kan evenwel nooit met volledige zekerheid de precieze feitelijke omstandigheden of context schetsen waarbij de littekens en verwondingen werden opgelopen, noch uitspraak doen over de redenen waarom de littekens en verwondingen werden toegebracht. Een medisch attest volstaat op zich dus niet om de aangehaalde vervolgingsfeiten en de daaruit volgende vrees voor vervolging aannemelijk te maken. De Raad stelt in casu vast dat uit het attest van 4 april 2024 kan worden opgemaakt dat de arts zich voor de gesuggereerde oorzaak van verzoeksters letsels louter en alleen heeft gebaseerd op de verklaringen van verzoekster en niet op een objectieve bron van informatie, waardoor aan dit attest slechts een zeer beperkt gewicht kan worden gegeven. Er kan uit het medisch attest an sich geen objectief en causaal verband tussen verzoeksters letsels en de door haar aangehaalde omstandigheden van mishandeling blijken. Het attest toont niet op overtuigende wijze aan dat de opgelopen letsels met zekerheid of uitsluitend zijn toe te schrijven aan de door verzoekster voorgehouden mishandelingen door haar echtgenoot.”
  3. Het arrest van het EHRM van 5 september 2013 in de zaak 61204/09, I. tegen Zweden, betreft een geval waarin de met medische stukken bewezen littekens van een verzoeker om internationale bescherming onbetwist het gevolg zijn van foltering en waarin wordt ingegaan op de inschatting van het risico dat bij een terugkeer naar het land van herkomst opnieuw een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM zal plaatsvinden. Zoals blijkt uit punt 2 supra, wordt in het bestreden arrest aangegeven dat en waarom het asielrelaas ongeloofwaardig wordt geacht en waarom het bijgebrachte medisch attest geen element vormt dat de kans aanzienlijk groter maakt op erkenning als vluchteling of toekenning van de subsidiaire beschermingsstatus. Hieraan kan worden toegevoegd dat verzoekster niet de vaststelling in het bestreden arrest betwist dat zij geen gebruik had gemaakt van de beschermingsmogelijkheden in het land van herkomst.
  4. Verzoekster toont met de verwijzing naar de in de voormelde rechtspraak door het EHRM vastgelegde principes derhalve geen schending aan van artikel 3 van het EVRM in de huidige zaak. Zij toont niet aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het licht van alle omstandigheden van de zaak geen voldoende grondig en nauwgezet onderzoek heeft gevoerd zoals vereist door artikel 3 van het EVRM. Verder treedt de Raad van State als cassatierechter niet in de beoordeling van de zaak zelf, zodat het hem niet toekomt het onderzoek van verzoeksters medische stukken over te doen en zich daarvan een eigen beoordeling te vormen in het licht van de omstandigheden van de zaak. Tot slot volgt uit artikel 3 van het EVRM geen verplichting voor de Raad voor VII-42.521-3/4 Vreemdelingenbetwistingen of voor de verwerende partij om een tegenexpertise te laten uitvoeren wanneer een medisch attest wordt ingediend.
  5. Het enige middel is kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  6. Het cassatieberoep is niet toelaatbaar.
  7. Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op tien juli tweeduizend vierentwintig, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bryan Geerts, toegevoegd griffier. De griffier De voorzitter Bryan Geerts Carlo Adams VII-42.521-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ORD.15.943 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.