id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 29 augustus 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ORD.15.963 Rolnummer: A. 242593/VII-42605 Zaak: Cassatiebeschikking 15963 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 29/08/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-08-30 Raadplegingen: 86 - laatst gezien 2026-06-17 05:35 Fiche Beschikking nr 15.963 van 29 augustus 2024 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 15.963 van 29 augustus 2024 in de zaak A. 242.593/VII-42.605 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Oriane Todts kantoor houdend te 1060 Brussel Henri Jasparlaan 128 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 25 juli 2024, strekt tot de cassatie van arrest nr. 308.749 van 25 juni 2024 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 9 augustus 2024 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- Algemeen
- Verzoeker werpt in het opschrift van het enige middel de schending op van een hele reeks bepalingen. In de uiteenzetting van de drie onderdelen van het enige middel gaat hij slechts in op een aantal van deze bepalingen. Verzoekers kritiek wordt hierna in die mate behandeld. De schending van de overige bepalingen is op kennelijk niet ontvankelijke wijze opgeworpen. VII-42.605-1/5 Eerste middelonderdeel: “schending van artikel 48/3 Vw.”
- De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt in het bestreden arrest onder meer: “In zoverre verzoeker verwijst en citeert uit de rapporten van EUAA 'Country Guidance Afghanistan’ van Januari 2023 en ‘Afghanistan Country Focus’ van december 2023 en betoogt dat familieleden van personen die gelieerd zijn aan de voormalige overheid wel degelijk een reëel risico op vervolging lopen, 'merkt de Raad op dat deze door verzoeker bijgebrachte informatie volledig in de lijn ligt of dezelfde informatie betreft als de door de commissaris-generaal gehanteerde informatie in de bestreden beslissing. Uit deze door beide partijen bijgebrachte informatie blijkt dat er in hoofde van familieleden van personen die tot de ANSF behoorden, zoals in casu verzoekers vader die werkzaam was bij het Afghaanse nationale leger, weliswaar een risicoprofiel bestaat, doch dat niet blijkt dat familieleden hoe dan ook nood hebben aan internationale bescherming. Er geldt dan ook een individualiseringsvereiste, waarbij het aan de verzoeker om internationale bescherming toekomt om concreet aannemelijk te maken dat hij, omwille van zijn risicoprofiel als familielid van een persoon die tot de ANSF behoorde, nood heeft aan internationale bescherming. Zoals op omstandige en pertinente wijze wordt gemotiveerd in de bestreden beslissing, blijft verzoeker hier evenwel in gebreke. Gezien het voorgaande, volstaat het dan ook op zich niet om te 'verwijzen naar de in het verzoekschrift opgenomen rapporten die louter algemene informatie bevatten, die geen betrekking hebben op verzoekers persoonlijke, individuele situatie en bijgevolg op zich niet van aard ,zijn om de door hem aangehaalde vervolgingsfeiten concreet aannemelijk te maken.” Hij voegt dienaangaande nog toe: “Waar verzoeker opwerpt dat onvoldoende rekening is gehouden met het feit dat zijn vader een hoge functie als majoor in het leger bekleedde, laat hij evenwel na concreet te duiden op welke wijze deze hoge functie het risico op vervolging door de taliban in zijn hoofde zou vergroten. Waar verzoeker de relevantie van het ontbreken van problemen van zijn vader met de taliban vóór de machtsovername in vraag stelt, wijst de Raad erop dat, mede gezien zijn hoge functie als majoor, het feit dat verzoekers vader vóór de machtsovername, behalve enkele dreigtelefoons, nooit ernstige problemen heeft gekend met de taliban, wel degelijk relevant is om de ernst en de geloofwaardigheid van de door verzoeker voorgehouden nood aan Internationale bescherming te beoordelen. Temeer daar in de bestreden beslissing terecht wordt opgemerkt dat verzoekers verklaringen over de problemen van zijn vader slechts blote beweringen zijn.” Uit het voorgaande blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, anders dan verzoeker voorhoudt, in het bestreden arrest wel degelijk aangeeft op grond van welke elementen hij oordeelt dat het loutere feit om familielid te zijn van een voormalig VII-42.605-2/5 ASNF-personeelslid op zich niet volstaat om een gegronde vrees voor vervolging te rechtvaardigen. Hierbij wordt ook rekening gehouden met de militaire rang van verzoekers vader. Anders dan verzoeker voorhoudt, is deze beoordeling niet beperkt tot een onderzoek van de geloofwaardigheid van vervolging in het verleden. Verder treedt de Raad van State als cassatierechter niet in de beoordeling van de zaak zelf en is hij dus niet bevoegd om de door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen gemaakte beoordeling dienaangaande over te doen. Verzoeker toont geen schending aan van artikel 48/3 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet). Tweede middelonderdeel: “schending artikel 149 Gw en 48/3, §§4-5Vw”.
- In punt 5.7 van het bestreden arrest merkt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op dat verzoeker “tevens de aandacht [vestigt] op zijn verblijf in Europa en betoogt dat hij in geval van terugkeer naar Afghanistan door de taliban als ‘verwesterd’ zal worden beschouwd”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen maakt in punt 5.8 een uitgebreide analyse van de situatie van Afghanen die uit het Westen terugkeren naar hun land van herkomst, waarbij volgens hem “heden niet [blijkt] dat in het algemeen kan worden gesteld dat voor elke Afghaan die terugkeert uit Europa louter omwille van zijn verblijf aldaar een gegronde vrees voor vervolging kan worden aangenomen”, doch waarbij hij als een risicoprofiel aanvaardt “personen die ‘verwesterd” zijn, of als dusdanig worden gepercipieerd omwille van, bijvoorbeeld, hun activiteiten, gedrag, uiterlijk en geuite meningen, dewelke kunnen worden gezien als niet-Afghaans of niet-Islamitisch, waarbij dit tevens doelt op personen die terugkeren naar Afghanistan, na een verblijf in westerse landen”. Volgens het bestreden arrest komt het “aan verzoeker toe concreet aan te tonen dat hij is verwesterd dan wel als verwesterd zal worden beschouwd […]”. In punt 5.9 van het bestreden arrest gaat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dan concreet in op de vraag of er sprake is van een “vrees voor vervolging omwille van (toegeschreven) verwestering”, waarbij het zowel gaat om verwestering zelf als om gepercipeerde verwestering. Hij besluit dat “[g]elet op verzoekers individuele omstandigheden […] in casu niet [kan] worden aangenomen dat hij dient te vrezen voor vervolging of ernstige schade omwille van een terugkeer uit Europa en/of een (toegeschreven) verwestering en/of een (toegeschreven) overschrijding van religieuze, morele en/of sociale normen”. VII-42.605-3/5 Uit het voorgaande blijkt, anders dan verzoeker voorhoudt, dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet enkel een voorgehouden verwestering maar ook een voorgehouden gepercipieerde of toegeschreven verwestering in zijn beoordeling betrekt. Verzoeker toont wat dat betreft geen schending aan van de in artikel 149 van de Grondwet vervatte jurisdictionele motiveringsplicht noch van artikel 48/3 van de vreemdelingenwet.
- In het bestreden arrest wordt verzoekers argumentatie vermeld “dat hij intussen een andere kledingstijl heeft, geen lange baard meer heeft en graag naar muziek luistert” en dat hij in een Joods restaurant zou werken als keukenhulp. Volgens de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen blijkt noch uit het feit dat verzoeker in België in het kader van zijn werk vriendschappelijke en professionele banden met Joden is aangegaan noch uit de aard van de activiteiten dat er sprake is van verwestering en maakt verzoeker niet aannemelijk dat “hij hierdoor in een situatie komt dat hij dermate onder de negatieve aandacht van de taliban komt, wegens een (gepercipieerde) verwestering, en niet in staat is zich te conformeren aan de binnen de Afghaanse samenleving geldende regels en normen”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen beantwoordt dus wel degelijk verzoekers argumentatie betreffende (onder meer) zijn professionele en vriendschappelijke contacten met Joden en het gevaar voor gepercipieerde verwestering bij een terugkeer naar Afghanistan. Dat bij de door verzoeker voorgehouden westerse gewoontes niet afzonderlijk wordt vermeld dat hij ook rookt, doet geen afbreuk aan de beoordeling van die levensstijl in het algemeen. Ook in die mate blijkt geen schending van artikel 149 van de Grondwet of van artikel 48/3 van de vreemdelingenwet. Evenmin kan de Raad van State als cassatierechter kennisnemen van de grond van de zaak en de door de feitenrechter gemaakte beoordeling overdoen. Derde middelonderdeel: “miskenning van het artikel 3 EVRM”
- In de eerste plaats moet worden opgemerkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen uitdrukkelijk oordeelt, wat artikel 48/4, § 2, b), van de vreemdelingenwet betreft, dat het in Afghanistan niet gaat om een algemene situatie van schending van artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (hierna: EVRM). Bovendien stemt de inhoud van artikel 48/4, § 2, b), van de vreemdelingenwet overeen met artikel 3 van het EVRM in de mate dat sprake is van een reëel risico op ernstige schade omwille van folteringen of aan onmenselijke of vernederende VII-42.605-4/5 behandelingen of bestraffingen. Verzoeker toont niet aan dat de beoordeling van deze elementen in het bestreden arrest een gebrek vertoont zodat in die mate evenmin sprake is van een schending van artikel 3 van het EVRM. Tot slot oordeelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet op onwettige wijze dat verzoeker bij een gebeurlijk bevel om het grondgebied te verlaten alsnog een mogelijke schending van artikel 3 van het EVRM kan opwerpen in de rechtsmiddelen waarover hij beschikt. Dat het in dat geval om een beroep tot nietigverklaring gaat, doet op zich geen afbreuk aan het feit dat dit een effectief rechtsmiddel vormt. Conclusie
- Het enige middel is in al zijn onderdelen, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet toelaatbaar.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op negenentwintig augustus tweeduizend vierentwintig, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Carlo Adams VII-42.605-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ORD.15.963 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div