id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 12 september 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ORD.16.002 Rolnummer: A. 242313/VII-42571 Zaak: Cassatiebeschikking 16002 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 12/09/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-09-16 Raadplegingen: 81 - laatst gezien 2026-06-17 05:27 Fiche Beschikking nr 16.002 van 12 september 2024 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 16.002 van 12 september 2024 in de zaak A. 242.313/VII-42.571 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Meral Kalin kantoor houdend te 3520 Zonhoven Hulsbergweg 7A bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 29 juni 2024, strekt tot de cassatie van arrest nr. 307.561 van 30 mei 2024 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 12 juli 2024 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- Verzoeker voert met betrekking tot de toestand in Afghanistan in essentie aan dat, “[h]oewel er in de beschikbare landeninformatie zelf wordt gewezen op de pijnpunten van de beschikbare informatie, […] de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in punt 2.3.
- van haar arrest echter geen of alleszins niet afdoende uitleg [geeft] waarom zij tot de conclusie komt […] dat er wel actuele betrouwbare informatie is en […] haar stelling niet afdoende [motiveert], terwijl dit de onder meer de kern van het betoog van verzoeker betreft”. Verzoeker stelt “dat er geen afweging en onderzoek van de argumenten die door VII-42.571-1/5 verzoeker werden aangehaald in het verzoekschrift en de aanvullende nota heeft plaatsgevonden en dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich zonder verdere motivering volledig bij de motieven van de aanvankelijk bestreden beslissing aansluit”.
- De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ zijn, evenmin als de materiëlemotiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur, niet van toepassing op jurisdictionele beslissingen zoals het bestreden arrest waarmee de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, te dezen met hervormingsbevoegdheid, uitspraak heeft gedaan over een beroep tegen een beslissing waarmee de vluchtelingenstatus en de subsidiaire beschermingsstatus werden geweigerd aan verzoeker.
- De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter en door artikel 39/65 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet) aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen opgelegde jurisdictionele motiveringsplicht heeft het karakter van een vormvereiste. Een uitspraak is gemotiveerd in de zin van de voornoemde bepaling wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet die hem ertoe brengen die beslissing te nemen. Om te voldoen aan de jurisdictionele motiveringsplicht is het niet relevant of die motieven in rechte of in feite juist zijn. Alleen een gemis aan motivering of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven, maken een schending uit van de voornoemde bepalingen. Wanneer de motivering een verkeerde gevolgtrekking in rechte maakt, kan dit een schending van de wet uitmaken, maar is er nog geen sprake van een motiveringsgebrek. De rechterlijke motiveringsverplichting houdt niet in dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen moet antwoorden op elk argument dat tot staving of weerlegging van een middel is aangevoerd, maar dat geen afzonderlijk middel of afzonderlijke weerlegging vormt.
- De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen antwoordt in punt 2.3.5 van het bestreden arrest eerst in het algemeen op verzoekers kritiek over een voorgehouden gebrek aan objectieve en betrouwbare informatie over de situatie in Afghanistan. Hij stelt weliswaar vast dat in vergelijking met de periode voor de machtsovername door de taliban “heden mindere gedetailleerde en betrouwbare informatie over de situatie in Afghanistan voorhanden is” doch hij vervolgt dat de berichtgeving niet is gestopt, dat tal van bronnen nog VII-42.571-2/5 beschikbaar zijn en dat er nieuwe zijn verschenen, zoals blijkt uit de voorgelegde landeninformatie, en dat het gaat om informatie afkomstig van gouvernementele en niet- gouvernementele organisaties, experten, analisten en instellingen. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen is van oordeel “dat er te dezen en op heden wel degelijk actuele, betrouwbare, eensluidende en omvattende informatie voorhanden is die toelaat om een gedegen inschatting te maken van de situatie in verzoekers land en regio van herkomst en om tot een oordeel te komen omtrent de door verzoeker voorgehouden nood aan internationale bescherming, in het licht van deze situatie, in de zin van de artikelen 48/3 en 48/4 van de Vreemdelingenwet”. Vanaf pagina 21 van het bestreden arrest gaat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen uitgebreid in op de situatie in Afghanistan sedert de machtsovername door de taliban, zich daarbij steunend op bronnen van augustus 2022 en van juni en december 2023, waarbij ook het gebrek aan informatie en duidelijkheid over een aantal elementen aan bod komt. Hij besluit hieruit dat “heden niet [blijkt] dat in het algemeen kan worden gesteld dat voor elke Afghaan die terugkeert uit Europa louter omwille van zijn verblijf aldaar een gegronde vrees voor vervolging kan worden aangenomen” doch enkel voor personen die ofwel verwesterd zijn dan wel als verwesterd worden beschouwd ofwel de religieuze, morele of sociale normen hebben overschreden. Vervolgens wordt omstandig en op concreet gemotiveerde wijze uiteengezet waarom verzoeker niet voldoet aan één van de beide laatste categorieën, waarbij zowel naar verzoekers verklaringen en voorgehouden situatie als naar algemene informatie wordt verwezen. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen sluit zich niet enkel aan bij “pertinente motieven” van de voor hem bestreden beslissing maar ontwikkelt dus ook eigen motieven waarna hij besluit dat “verzoeker, die nog geen twee jaar in België is en die in Afghanistan nog over een familiaal netwerk beschikt, niet aannemelijk [maakt] dat hij bij terugkeer naar Afghanistan gezien zal worden als zijnde ‘besmet’ door de westerse waarden en als iemand die de sociale normen niet respecteert en dat hij daarom in die zin een risico loopt om vervolgd te worden bij een terugkeer naar Afghanistan”. Wat de specifieke beoordeling in het licht van artikel 48/4 van de vreemdelingenwet betreft, gaat verzoeker voorbij aan de omstandige motivering in punt 2.3.7 van het bestreden arrest betreffende de drie in artikel 48/4, § 2, van de vreemdelingenwet voorziene gevallen. Naast de verwijzing naar de eerder besproken landeninformatie over de situatie in Afghanistan, werkt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ook op dit vlak de motivering concreet en omstandig uit, met name wat de veiligheidssituatie betreft, en besluit hij dat uit de beschikbare VII-42.571-3/5 landeninformatie niet blijkt dat het geweld in de provincie waaruit verzoeker afkomstig is een hoog niveau bereikt, waardoor er een hogere mate aan individuele elementen vereist is om aan te nemen dat een burger, wanneer hij terugkeert naar het grondgebied, een reëel risico zou lopen op een ernstige bedreiging van zijn leven of vrijheid. Met de uitgebreide verwijzingen naar en bespreking van landeninformatie die onder meer dateert van december 2023, maakt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen duidelijk waarom hij van oordeel is dat hij, anders dan verzoeker voorhoudt, wel over voldoende informatie beschikt om zich uit te spreken over het verzoek om internationale bescherming. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen gaat hierbij ook uitdrukkelijk in op verzoekers aanvullende nota. Verzoeker toont derhalve geen schending aan van de in artikel 149 van de Grondwet en artikel 39/65 van de vreemdelingenwet vervatte jurisdictionele motiveringsplicht.
- Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet toelaatbaar.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op twaalf september tweeduizend vierentwintig, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter VII-42.571-4/5 Bart Tettelin Carlo Adams VII-42.571-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ORD.16.002 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div