id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 13 september 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ORD.16.015 Rolnummer: A. 242316/VII-42572 Zaak: Cassatiebeschikking 16015 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 13/09/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-09-17 Raadplegingen: 85 - laatst gezien 2026-06-17 05:27 Fiche Beschikking nr 16.015 van 13 september 2024 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 16.015 van 13 september 2024 in de zaak A. 242.316/VII-42.572 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Felix Daem kantoor houdend te 8500 Kortrijk Burgemeester Nolfstraat 5 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 27 juni 2024, strekt tot de cassatie van arrest nr. 307.442 van 29 mei 2024 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 19 juli 2024 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter en door artikel 39/65 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet) aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen opgelegde jurisdictionele motiveringsplicht heeft het karakter van een vormvereiste. Een uitspraak is gemotiveerd in de zin van de voornoemde bepalingen wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet die hem ertoe brengen die beslissing te nemen. Om te voldoen aan de VII-42.572-1/3 jurisdictionele motiveringsplicht is het niet relevant of die motieven in rechte of in feite juist zijn. Alleen een gemis aan motivering of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven, maken een schending uit van de voornoemde bepalingen. Wanneer de motivering een verkeerde gevolgtrekking in rechte maakt, kan dit een schending van de wet uitmaken, maar is er nog geen sprake van een motiveringsgebrek. De rechterlijke motiveringsverplichting houdt niet in dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen moet antwoorden op elk argument dat tot staving of weerlegging van een middel is aangevoerd, maar dat geen afzonderlijk middel of afzonderlijke weerlegging vormt.
- De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt in het bestreden arrest dat “inderdaad geen geloof [kan] worden gehecht aan verzoeksters voorgehouden recente herkomst uit de stad [A.A.] en bijgevolg evenmin aan de voorgehouden vervolgingsfeiten die zich aldaar zouden hebben voorgedaan voorafgaand aan verzoeksters vlucht naar Europa”. Hij citeert de desbetreffende vaststellingen uit de voor hem bestreden beslissing van de verwerende partij waarin wordt besloten: “Rekening houdend met bovenstaande vaststellingen kan enkel vastgesteld worden dat er aan uw herkomst uit [A.A.] geen enkel geloof kan gehecht worden. Gezien u niet afkomstig bent uit [A.A.] kunnen er ook aan de vervolgingsfeiten waarvan u beweert daar het slachtoffer te zijn geworden geen enkel geloof gehecht worden.” In antwoord op verzoeksters argumentatie betreffende haar voorgehouden afkomst van en verblijf in de stad A.A. overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen nog: “Vervolgens wijst verzoekster op haar verklaringen inzake haar voorgehouden regio van herkomst, met name de stad [A.A.]. De verklaringen inzake de ligging van de winkel van haar vader en de plaats waar de in de supermarkt verkochte goederen werden aangekocht, zijn op zich niet van aard om aan te tonen dat verzoekster afkomstig is uit de stad [A.A.] daar deze zaken dermate persoonlijk en concreet zijn dat zij niet duiden op verzoeksters aanwezigheid aldaar tot kort voor haar vlucht naar Europa. Betreffende de andere aangehaalde verklaringen dient erop gewezen dat heden niet wordt betwijfeld dat verzoekster in [A.A.] heeft verbleven, doch wel dat zij aldaar verbleef tot vlak voor haar vlucht naar Europa. Dat verzoekster enige kennis heeft over de regio van [A.A.], volstaat op zich dan ook niet teneinde haar verblijf aldaar alsnog aannemelijk te achten. Verder laat verzoekster na concreet te dulden welke bijkomende informatie zij over [A.A.] nog zou hebben willen geven indien haar hierover tijdens haar persoonlijk onderhoud op het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen bijkomende vragen zouden zijn gesteld geweest, zoals zij in haar verzoekschrift suggereert. In het licht van de devolutieve werking van onderhavig beroep, is dergelijk verweer geenszins ernstig.” VII-42.572-2/3
- De overweging in het bestreden arrest “dat heden niet wordt betwijfeld dat verzoekster in [A.A.] heeft verbleven, doch wel dat zij aldaar verbleef tot vlak voor haar vlucht naar Europa” is niet tegenstrijdig met de overwegingen dat verzoeksters herkomst uit A.A. ongeloofwaardig wordt geacht evenals haar voorgehouden verblijf aldaar kort voor haar vertrek naar Europa. Er blijkt dan ook geen gebrek aan motivering doordat het bestreden arrest tegenstrijdige motieven zou bevatten die elkaar opheffen. Verzoekster toont geen schending aan van artikel 149 van de Grondwet of artikel 39/65 van de vreemdelingenwet.
- Het enige middel is kennelijk ongegrond. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet toelaatbaar.
- Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op dertien september tweeduizend vierentwintig, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Carlo Adams VII-42.572-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ORD.16.015 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div