← België

Cassatiebeschikking 16031 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 19/09/2024

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 19 september 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ORD.16.031 Rolnummer: A. 242407/VII-42579 Zaak: Cassatiebeschikking 16031 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 19/09/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-09-20 Raadplegingen: 88 - laatst gezien 2026-06-17 05:21 Fiche Beschikking nr 16.031 van 19 september 2024 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 16.031 van 19 september 2024 in de zaak A. 242.407/VII-42.579 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Zouhaier Chihaoui kantoor houdend te 1083 Ganshoren Landsroemlaan 40 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 9 juli 2024, strekt tot de cassatie van arrest nr. 309.142 van 1 juli 2024 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 19 juli 2024 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. Overmacht die alsnog de ontvankelijkheid verantwoordt van een laattijdig ingesteld hoger beroep, kan alleen voortvloeien uit een omstandigheid buiten de wil van degene die beroep aantekent en die door hem onmogelijk kon worden voorzien of vermeden. Dat de door verzoeker geraadpleegde advocaat beslist om geen beroep aan te tekenen, valt binnen de perken van de met die advocaat gesloten overeenkomst en levert als dusdanig geen vreemde oorzaak, toeval of overmacht op voor verzoeker. VII-42.579-1/3 De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft als feitenrechter soeverein gesteld dat verzoeker op 31 mei 2024 per drager in kennis werd gesteld van de beslissing van de verwerende partij, dat maandag 10 juni 2024 de vervaldag was om met toepassing van artikel 39/57, § 1, tweede lid, 1°, van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet) beroep aan te tekenen, dat het verzoekschrift tot beroep van 13 juni 2024 laattijdig werd ingediend, dat verzoekers eerste advocaat had laten weten geen beroep te zullen aantekenen, dat verzoekers sociale assistenten een tweede opinie hebben gevraagd aan de balie en dat de nieuwe advocaat bij het indienen van het beroep heeft meegedeeld het dossier “pas twee dagen geleden” te hebben ontvangen. Door in deze omstandigheden geen overmacht te aanvaarden als grond voor het laattijdig ingesteld beroep, heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet de inhoud van het begrip overmacht geschonden.
  2. Het door artikel 13 van Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 (hierna: EVRM) gewaarborgde recht op een daadwerkelijk middel houdt niet in dat een rechtsonderhorige recht heeft op een tweede opinie indien zijn advocaat geen beroep tegen een beslissing wenst aan te tekenen noch dat een beroepstermijn zou moeten worden verlengd om dergelijke tweede opinie en een gebeurlijk hoger beroep mogelijk te maken buiten het verstrijken van de geldende beroepstermijn. Dat een verzoeker om internationale bescherming die, zoals te dezen blijkt uit het bestreden arrest, wordt vastgehouden in een welbepaalde plaats zoals bedoeld in de artikelen 74/8 en 74/9 van de vreemdelingenwet, beschikt over een vervaltermijn van tien dagen, feest- en vrije dagen inbegrepen, om beroep in te stellen tegen een beslissing tot weigering van de vluchtelingenstatus en de subsidiaire beschermingsstatus, vormt geen schending van artikel 13 van het EVRM voor zover wordt verzekerd dat de verzoeker op wie deze beslissing betrekking heeft binnen deze termijn daadwerkelijk toegang heeft tot de procedurele waarborgen om gebruik te kunnen maken van een daadwerkelijk rechtsmiddel. Het wordt niet betwist dat verzoeker te dezen kennis heeft gekregen van de in zijnen hoofde genomen weigeringsbeslissing, dat de beroepstermijn pas de dag daarna is beginnen lopen en dat verzoeker een pro deo-advocaat heeft kunnen raadplegen met het oog op het aantekenen van beroep doch dat deze laatste heeft beslist geen beroep aan te tekenen. In die omstandigheden blijkt geen schending van artikel 13 van het EVRM door het na het VII-42.579-2/3 verstrijken van de beroepstermijn door een andere advocaat ingestelde beroep onontvankelijk te verklaren.
  3. Verzoeker voert geen andere elementen aan waaruit een schending van artikel 3 van het EVRM zou blijken dan de voorgaande kritiek die enkel betrekking heeft op het al dan niet beschikken over een daadwerkelijk rechtsmiddel. Deze kritiek heeft geen betrekking op het in artikel 3 van het EVRM voorziene verbod op folteringen of onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.
  4. Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  5. Het cassatieberoep is niet toelaatbaar.
  6. Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op negentien september tweeduizend vierentwintig, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bryan Geerts, toegevoegd griffier. De griffier De voorzitter Bryan Geerts Carlo Adams VII-42.579-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ORD.16.031 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.