← België

Cassatiebeschikking 16047 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 04/10/2024

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 04 oktober 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ORD.16.047 Rolnummer: A. 242171/VII-42554 Zaak: Cassatiebeschikking 16047 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 04/10/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-10-08 Raadplegingen: 82 - laatst gezien 2026-06-17 05:04 Fiche Beschikking nr 16.047 van 4 oktober 2024 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 16.047 van 4 oktober 2024 in de zaak A. 242.171/VII-42.554 In zake : 1. XXXXX 2. XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Marie Doutrepont kantoor houdend te 1210 Brussel Haachtsesteenweg 55 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 17 juni 2024, strekt tot de cassatie van arrest nr. 306.503 van14 mei 2024 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is aangekomen ter griffie op 5 juli 2024. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. Eerste middel 1. De verzoekende partijen ontwikkelen eerst kritiek “[w]at betreft de verplichting om de oproeping aan de raadsvrouw te sturen”. Artikel 7, § 1, van het koninklijk besluit van 11 juli 2003 ‘tot regeling van de werking en de rechtspleging van het Commissariaat-generaal voor de VII-42.554-1/6 Vluchtelingen en de Staatlozen’ (hierna: koninklijk besluit van 11 juli 2003) bepaalt onder meer dat de verwerende partij een kopie van elke verzending per gewone post, per fax of per e-mail stuurt naar de advocaat van de verzoeker om internationale bescherming. Artikel 19, § 1, van het voornoemde koninklijk besluit stelt dat die verzoeker zich tijdens de behandeling van zijn aanvraag bij de verwerende partij kan laten bijstaan door een advocaat of een vertrouwenspersoon, dat deze het gehoor van de asielzoeker kan bijwonen en dat, onder voorbehoud van artikel 57/1, § 3, tweede lid, van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet), de afwezigheid van de advocaat of de vertrouwenspersoon de ambtenaar niet belet de asielzoeker persoonlijk te horen. 2. Zoals in het bestreden arrest wordt overwogen, voorziet het verslag aan de Koning bij het koninklijk besluit van 27 juni 2018 ‘tot wijziging van het koninklijk besluit van 11 juli 2003 tot regeling van de werking van en de rechtspleging voor het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen’, waarmee artikel 7 van het koninklijk besluit van 11 juli 2003 in zijn huidige vorm werd gewijzigd: “Een kopie van de oproeping wordt ook per fax, per gewone post of per e-mail verstuurd naar de advocaat van de verzoeker. Er wordt verduidelijkt dat deze oproeping louter ter informatie meegedeeld wordt aan de advocaat. Het is immers aan de verzoeker om zijn advocaat in te lichten over de stand van zijn procedure. In de oproepingsbrief die door de Commissaris-generaal aan de verzoeker verstuurd wordt, staat uitdrukkelijk aangegeven dat hij zich op de dag van zijn persoonlijk onderhoud kan laten bijstaan door zijn advocaat. De verzoeker is vrij te beslissen of hij al dan niet wil worden bijgestaan door een advocaat tijdens zijn persoonlijk onderhoud. Indien hij gedurende het persoonlijk onderhoud de bijstand van een advocaat wenst, is het zijn taak om op diligente en alerte wijze zijn verdediging te organiseren, en kan er in redelijkheid worden verwacht dat hij dan zijn advocaat zelf op de hoogte brengt dat het persoonlijk onderhoud zal plaatsvinden. Daar de kopie van de oproeping die aan de advocaat wordt overgemaakt slechts een informatieve waarde heeft, is er geen sanctie voorzien indien de Commissaris-generaal geen kopie van de oproeping heeft verstuurd naar de advocaat.” Artikel 7, § 1, van het koninklijk besluit van 11 juli 2003 voorziet geen sanctie indien een kopie van de daarin bedoelde verzendingen niet per gewone post, fax of e-mail naar de advocaat van verzoeker om internationale bescherming wordt gestuurd. De voormelde toelichting in het verslag aan de Koning en de overeenkomstige beoordeling in het bestreden arrest dat die mededeling “louter ter informatie” gebeurt, zijn derhalve niet contra legem. De kritiek van de verzoekende partijen faalt in die mate naar recht. VII-42.554-2/6 3. De verwijzing door de verzoekende partijen naar artikel 19, § 1, van het koninklijk besluit van 11 juli 2003 en de artikelen 22 en 23 van richtlijn 2013/32 van 26 juni 2013 ‘betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (herschikking)’ over hun recht op bijstand van een advocaat doen niet anders besluiten. Dat recht wordt niet geschonden door het enkele feit dat een verzoeker zijn advocaat op de hoogte moet brengen dat een gehoor zal plaatsvinden. Daarmee wordt de verzoekende partijen, te dezen in het bijzonder eerste verzoeker, geen bijstand door zijn advocaat ontzegd, geweigerd, of onmogelijk gemaakt. 4. De verzoekende partijen ontwikkelen nog kritiek “[w]at betreft het feit dat verzoeker niet aantoont op welke wijze de aanwezigheid van de advocaat tijdens het gehoor een invloed zou kunnen hebben gehad op verzoekers persoonlijke verklaringen” en “[w]at betreft het feit dat verzoekers’ raadsvrouw waarschijnlijk op de hoogte was van verzoekers gehoor”. In het licht van de supra in punt 3 gemaakte beoordeling is deze kritiek gericht tegen overwegingen die de strekking van het bestreden arrest niet hebben kunnen beïnvloed en die derhalve niet tot de cassatie ervan kunnen leiden. 5. Het eerste middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. Tweede middel 6. De verzoekende partijen houden in essentie voor dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het risico voor terugkeerders (“returnees”) op een schending van artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (hierna: EVRM) had moeten analyseren. Uit het dossier van de zaak blijkt dat de verzoekende partijen in het opschrift van hun enig middel voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wel artikel 3 van het EVRM hebben vermeld, maar dat zij daar in de uiteenzetting van dat middel nergens op ingaan. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen hoefde er dan ook niet specifiek op in te gaan in het bestreden arrest, zodat de verzoekende partijen in die mate geen schending van de jurisdictionele motiveringsplicht of van artikel 3 van het EVRM aannemelijk maken. VII-42.554-3/6 Bovendien gaan de verzoekende partijen voorbij aan de volgende beoordeling van de situatie voor terugkeerders in het bestreden arrest: “Op basis van de voorliggende landeninformatie, in het bijzonder de COI Focus ‘El Salvador: Retour au pays après un épisode migratoire’ van 13 juli 2021, kan niet worden aangenomen dat iedere terugkerende Salvadoraan enkel en alleen door deze terugkeer een risico loopt op vervolging dan wel een reëel risico om ernstige schade te ondergaan in de zin van artikel 48/4, § 2,

  1. a)en
  2. b)van de Vreemdelingenwet. De terugkeer naar El Salvador blijkt immers een complex gegeven dat door vele factoren wordt beïnvloed waaronder uiteraard het profiel van de verzoekers om internationale bescherming zelf, de achterliggende redenen van hun vertrek, de omstandigheden voorafgaand aan het vertrek, de duur van het verblijf in het buitenland en het land waar zij hebben verbleven. Zo blijkt duidelijk dat er vooreerst een onderscheid moet worden gemaakt tussen terugkeerders die reeds bendeproblemen kenden voor hun vertrek uit El Salvador en de andere terugkeerders. Het Human Rights Watch-rapport van februari 2020, dat de situatie betreft van Salvadoranen die terugkeren uit de Verenigde Staten, heeft voornamelijk betrekking op personen die zijn gevlucht voor het bendegeweld en dus reeds voor hun vertrek door de bendes werden geviseerd. Hieruit blijkt ook dat een verblijf in landen waar de Salvadoraanse bendes actief zijn (de Verenigde Staten, naburige landen, …) en de eventuele rol van de terugkeerder bij deze bendes in het buitenland – of in El Salvador zelf voor het vertrek – belangrijk zijn bij het beoordelen van de risico’s bij terugkeer. Het geheel van de beschikbare landeninformatie maakt duidelijk dat een vertrek uit El Salvador omwille van bendegerelateerde problemen een risicoverhogende en -verzwarende factor is bij terugkeer naar dat land. Een individuele beoordeling blijft dan ook noodzakelijk. Het volstaat bijgevolg niet om te verwijzen naar algemene informatie om een vrees voor vervolging dan wel een reëel risico op ernstige schade als terugkeerder aannemelijk te maken. Dit moet concreet worden aangetoond, alwaar verzoekers in gebreke blijven. Het feit dat zij een periode in België hebben verbleven en als welvarend zouden kunnen worden aanzien, is evenmin voldoende om een gegronde vrees voor vervolging dan wel een reëel risico op ernstige schade aan te tonen. De Raad betwist niet dat verzoekers bij terugkeer te maken kunnen krijgen met afpersing. Afpersing blijkt evenwel een alomtegenwoordig en wijdverspreid fenomeen waarmee veel Salvadoranen worden geconfronteerd, ongeacht hun migratieverleden. Het risico op afpersing verschilt in wezen niet van het algemeen risico waaraan ook andere Salvadoranen, met of zonder migratieverleden, worden blootgesteld. In de mate dat uit de landeninformatie blijkt dat sommige Salvadoranen die terugkeren vanuit het buitenland kunnen worden gezien als welvarend en bijgevolg een bijzonder risico op afpersing kunnen lopen, wijst de Raad erop dat verzoekers’ verblijf in België voor de duur van de asielprocedure als dusdanig niet resulteert in bijzondere kenmerken waardoor zij identificeerbaar zouden zijn als personen die in het buitenland hebben verbleven. De loutere mogelijkheid om in aanraking te komen met afpersing bij terugkeer omdat zij na een verblijf in het buitenland als welvarend zouden kunnen worden beschouwd, volstaat op zich niet om in hoofde van verzoekers een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op het lijden van ernstige schade in de zin van artikel 48/4, § 2,
  3. b)van de Vreemdelingenwet aan te tonen. Ook bereikt afpersing in beginsel als dusdanig niet het vereiste minimumniveau van ernst om als foltering, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing in de zin van artikel 48/4, § 2,
  4. b)van de Vreemdelingenwet te kunnen worden aangemerkt, laat staan als een daad van vervolging in de zin van artikel 48/3, § 2 van de Vreemdelingenwet. Verder zijn er geen elementen voorhanden waaruit blijkt dat verzoekers bij terugkeer omwille van VII-42.554-4/6 een mogelijke afpersing zullen worden blootgesteld aan vervolging of een reëel risico op ernstige schade. Het argument dat zij bij terugkeer snel geïdentificeerd zullen worden als terugkerende migranten en geen job meer zouden hebben, wat hen bijzonder kwetsbaar maakt voor afpersing, wordt door verzoekers nergens geconcretiseerd. Er zijn de Raad geen concrete elementen bekend wat ervoor zou zorgen dat zij niet bij machte zouden zijn aan een job te geraken, mede gelet door hun opleiding en voorbije werkervaring en deze worden door verzoekers ook niet aangereikt. Ten slotte tonen verzoekende partijen niet aan dat de invoering van de noodtoestand in maart 2022 tot een andere beoordeling leidt. Uit de informatie die zij aanbrengen, kan niet blijken dat terugkeerders uit het buitenland daarbij geviseerd worden en disproportioneel meer veroordeeld en gearresteerd worden dan andere Salvadoranen. Voorts blijkt uit de COI Focus ‘Salvador. Situation sécuritaire’ van 4 juli 2022, weliswaar dat ook onschuldige burgers gearresteerd worden, doch dat in slechts tien procent van de gevallen geen link met de bendes aanwezig zou zijn en dus nog steeds burgers met een duidelijk profiel geviseerd worden. In casu tonen verzoekende partijen niet aan dat zij omwille van hun loutere verblijf in het buitenland bij terugkeer persoonlijk geviseerd zullen worden. Het geheel van hun individuele omstandigheden in acht genomen en cumulatief beoordeeld en afgewogen in het licht van de objectieve landeninformatie, laat niet toe te besluiten dat verzoekers ernstige problemen riskeren bij terugkeer naar El Salvador omwille van het feit dat zij in het buitenland hebben verbleven en moeten terugkeren naar hun land van herkomst.” Waar de verzoekende partijen er wat de situatie voor terugkeerders in El Salvador betreft een andere mening op nahouden, behoort dit tot de grond van de zaak. De Raad van State treedt als cassatierechter echter niet in de beoordeling van de zaak zelf. 7. Het tweede middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT: 1. Het cassatieberoep is niet toelaatbaar. 2. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 400 euro, elk voor de helft. VII-42.554-5/6 Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op vier oktober tweeduizend vierentwintig, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bryan Geerts, toegevoegd griffier. De griffier De voorzitter Bryan Geerts Carlo Adams VII-42.554-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ORD.16.047 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.