id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 07 oktober 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ORD.16.048 Rolnummer: A. 242594/VII-42606 Zaak: Cassatiebeschikking 16048 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 07/10/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-10-10 Raadplegingen: 79 - laatst gezien 2026-06-17 05:04 Fiche Beschikking nr 16.048 van 7 oktober 2024 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 16.048 van 7 oktober 2024 in de zaak A. 242.594/VII-42.606 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Matthieu Lys kantoor houdend te 1060 Brussel Berckmansstraat 89 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 26 juli 2024, strekt tot de cassatie van arrest nr. 309.119 van 28 juni 2024 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 9 augustus 2024 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- Eerste middel Eerste middelonderdeel
- Verzoeker acht artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (hierna: EVRM) geschonden VII-42.606-1/8 wegens “de niet in overweging name van de volledige inhoud van de ingediende psychologische attesten, zowel voor de analyse van het vermogen van de verzoeker om coherente verklaringen af te leggen, als voor de beoordeling van de bijzondere kwetsbaarheid van zijn profiel”. Hij acht wat dat betreft eveneens artikel 149 van de Grondwet en artikel 48/3 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet) geschonden.
- Met betrekking tot verzoekers vermogen om coherente verklaringen af te leggen tijdens zijn gehoor bij de behandeling van zijn verzoek om internationale bescherming, gaat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen eerst in op verzoekers kritiek tegen de in de aanvankelijk bestreden beslissing gemaakte beoordeling dienaangaande. Dit betreft dus de beoordeling die de verwerende partij heeft gemaakt aan de hand van de stukken waarover zij beschikte. Vervolgens maakt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ook een eigen beoordeling, die luidt: “Waar verzoeker betoogt dat niet blijkt hoe en in welke mate dan wel rekening gehouden zou zijn met zijn specifieke kwetsbaarheid, kan hij niet gevolgd worden. In de bestreden beslissing wordt immers gemotiveerd dat rekening gehouden werd met de psychologische problemen tijdens het onderhoud onder verwijzing naar pagina 3 van het onderhoud, dat het persoonlijk onderhoud in normale omstandigheden is verlopen en dit ook bevestigd wordt door verzoeker, onder verwijzing naar pagina 21 van het persoonlijk onderhoud. Uit het administratief dossier, meer bepaald pagina 3 van het persoonlijk onderhoud bij het CGVS, waarnaar aldus uitdrukkelijk verwezen wordt in de bestreden beslissing, blijkt dat de protection officer uitdrukkelijk heeft gesteld dat indien verzoeker een vraag niet goed verstaat hij dat moet laten weten, dat dan extra toelichting gegeven zal worden. Daarna werd verzoeker gevraagd of alles goed ging met hem en vervolgens hoe het gaat met zijn gezondheid, waarop hij tweemaal antwoordt ‘goed’. Gevraagd door de protection officer of er bepaalde zaken aangaande zijn gezondheid zijn waarmee hij moet rekening houden tijdens het gehoor antwoordt verzoeker ontkennend. Op de vraag of hij medische of psychologische problemen heeft, geeft hij aan psychologische problemen te hebben. Gevraagd daar iets meer over te vertellen, wijst verzoeker op de problemen met zijn familie in Afghanistan en gevraagd of hij voor deze psychologische problemen begeleid wordt in België, antwoordt verzoeker dat hij in het opvangcentrum 7 of 8 keer naar een psycholoog is geweest. Voorts blijkt dat verzoeker op het einde van het gehoor bevestigend antwoordt op de vragen of hij de tolk goed begrepen heeft, of hij alle vragen goed begrepen heeft en of hij alle redenen waarom hij uit zijn land is vertrokken en niet meer kan terugkeren, heeft gegeven (persoonlijk onderhoud CGVS, p. 21). Daarnaast blijkt ook dat verzoeker tijdens het persoonlijk onderhoud bij het CGVS bevestigde dat hij de vragen bij de DVZ en de tolk goed had verstaan maar niet alles had kunnen zeggen door zijn psychische problemen, dat hij in gedachten bij zijn familie in Afghanistan zat en daardoor veel psychische problemen heeft. VII-42.606-2/8 Verzoeker voert een voornamelijk theoretisch betoog en stelt nog dat zijn psychologische kwetsbaarheid, aangetoond door het neergelegde attest, als doorslaggevend element diende betrokken te worden in de beoordeling van zowel de geloofwaardigheid als van de gegrondheid van zijn relaas en gekoesterde vrees, zoals door zijn raadsman aan het einde van het gehoor aangegeven, maar verduidelijkt niet in concreto waaruit zou blijken dat verweerder niet op afdoende wijze rekening zou hebben gehouden met de kwetsbaarheid van verzoeker en/of diens aangetoonde psychologische problemen tijdens het persoonlijk onderhoud of in de bestreden beslissing. Verder duidt de Raad er ook nog op dat nergens uit de door verzoeker bijgebrachte medische, psychologische en psychiatrische attesten noch uit de overige gevoegde documenten blijkt dat de psychologische gezondheidstoestand van verzoeker van die aard is dat het voor hem onmogelijk is om te voldoen aan zijn medewerkingsplicht in het kader van zijn asielprocedure. Een verwijzing naar de Practical Guide: Evidence Assessment, in zoverre het de tweede door hem geciteerde alinea in het verzoekschrift op pagina 7 betreft, is in die zin dan ook niet dienstig. Betreffende de eerste door hem geciteerde alinea, kan de Raad enkel vaststellen dat verzoeker hiermee de motieven ‘Dergelijk medisch-psychologische verslagen vormen geen sluitend bewijs voor de omstandigheden waarin een persoon psychologische moeilijkheden opliep of ontwikkelde. Een arts, in dit geval een psycholoog, kan immers nooit met volledige zekerheid de precieze feitelijke omstandigheden schetsen waarbij deze letsels werden opgelopen. Er kan op geen enkele wijze een verband worden gezien tussen uw ingeroepen vrees voor vervolging en uw geschetste psychologische problematiek. De attesten die u neerlegt kunnen immers de waarachtigheid van de feiten geenszins aantonen.’ niet weerlegt.” Uit deze beoordeling blijkt duidelijk waarom de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen van oordeel is dat verzoeker wel in staat was om coherente verklaringen af te leggen. De beoordeling in het bestreden arrest is ruimer dan het louter in aanmerking nemen van de psychologische attesten die dateren van vóór het gehoor van verzoeker. Verzoeker toont wat dat betreft geen schending aan van de in artikel 149 van de Grondwet vervatte jurisdictionele motiveringsplicht.
- Artikel 3 van het EVRM heeft geen betrekking op het verloop van het gehoor van een verzoeker tijdens de behandeling van zijn verzoek om internationale bescherming. Hoe dan ook blijkt uit het bovenstaande dat verzoeker niet aantoont dat de door hem aangevoerde procedurele noden onvoldoende nauwgezet en grondig zouden zijn onderzocht in het bestreden arrest.
- Naar luid van artikel 48/3 van de vreemdelingenwet wordt “de vluchtelingenstatus […] toegekend aan de vreemdeling die voldoet aan de voorwaarden van artikel 1 van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen dat op 28 juli 1951 te Genève tot stand is gekomen, zoals gewijzigd bij het Protocol van New York van 31 januari VII-42.606-3/8 1967.” Verzoeker voert niet anders dan met de voormelde, ongegrond bevonden kritiek betreffende de beoordeling van zijn vermogen om coherente verklaringen af te leggen aan hoe deze bepaling zou zijn geschonden met het bestreden arrest. Tweede middelonderdeel
- Verzoeker acht het “[p]rocedureel luik artikel 3 EVRM en artikel 149 Grondwet met betrekking tot het afleggen van coherente, gedetailleerde, doorleefde en geloofwaardige verklaringen” geschonden.
- De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen gaat in punt 4.7.1.
- van het bestreden arrest omstandig in op de door verzoeker voorgehouden psychische toestand en de door verzoeker voorgehouden gevolgen hiervan op de beoordeling van zijn verzoek om internationale bescherming. Hierbij gaat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zowel in op de inhoud van het psychologisch attest van 15 september 2022 als op het verslag van dr. V.S. van 13 oktober 2023, het attest van psychiater N.F. van 10 juli 2023 en het attest van psycholoog J.V. van 17 oktober
- De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen neemt ook het verloop van het gehoor zelf in aanmerking zoals dit blijkt uit het gehoorverslag van het commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. Verzoeker blijkt het weliswaar niet eens te zijn met de gemaakte beoordeling, doch hij toont hiermee niet aan dat het onderzoek door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen onvoldoende nauwgezet of grondig zou zijn. Verder behoort de beoordeling van de bewijswaarde van de door verzoeker bijgebrachte medische stukken en de door verzoeker afgelegde verklaringen tot de soevereine beoordelingsbevoegdheid van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, die te dezen uitspraak met hervormingsbevoegdheid heeft gedaan. De Raad van State treedt als cassatierechter niet in de beoordeling van de zaak zelf en hij vermag de door de eerste rechter gemaakte beoordeling derhalve niet over te doen. Met het innemen van een ander standpunt ten gronde wat zijn psychologische toestand en de gevolgen daarvan voor de beoordeling van de zaak betreft, toont verzoeker evenmin een schending aan van de jurisdictionele motiveringsplicht. Deze laatste betreft immers enkel een vormvereiste. Conclusie VII-42.606-4/8
- Het eerste middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. Tweede middel
- Verzoeker acht artikel 3 van het EVRM geschonden, in samenhang met de artikelen 39/2, § 1, 2°, 48/3 en 48/6, [§ 5,] c), van de vreemdelingenwet en met artikel 149 van de Grondwet “wat betreft de vaststellingen van het netwerk in Afghanistan”.
- Verzoeker werpt in de uiteenzetting van het middel een schending op van “de materiële motiveringsplicht” omdat “de stigmatisering door de samenleving” in het bestreden arrest buiten beschouwing zou zijn gelaten. De algemene beginselen van behoorlijk bestuur zijn echter niet van toepassing op jurisdictionele beslissingen zoals het bestreden arrest. Volgens verzoeker “schort de redenering in het bestreden arrest om te concluderen dat verzoeker nog een familiaal netwerk heeft aan alle kanten”, waarna hij op zijn familiale toestand en contacten ingaat. Deze kritiek heeft echter betrekking op de beoordeling van de zaak zelf, waarvoor de Raad van State als cassatierechter niet bevoegd is. Verzoeker acht artikel 39/2, § 1, 2°, van de vreemdelingenwet geschonden omdat volgens hem de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de beslissing van de verwerende partij had moeten vernietigen omdat essentiële elementen ontbreken. De beoordeling of er al dan niet essentiële elementen ontbreken, behoort echter tot de soevereine bevoegdheid van de feitenrechter.
- Over verzoekers mentale toestand en de mogelijke risico’s daarvan bij een terugkeer naar het land van herkomst overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen: “Anderzijds meent verzoeker dat hij een risicoprofiel heeft op vervolging of ernstige schade omwille van het feit dat hij mentale problemen heeft en hierdoor adequate medische en psychologische hulp ontloopt alsook mogelijke mishandeling dient te vrezen. Betreffende het gebrek aan de nodige medische en psychologische hulp, wijst de Raad erop dat verzoeker zich beperkt tot de loutere bewering dat hij geen medische en psychologische hulp kan krijgen voor zijn mentale problemen. Verzoeker maakt niet concreet aannemelijk dat hij, voor zover noodzakelijk, in Afghanistan geen toegang VII-42.606-5/8 zal hebben tot psychische hulp, noch dat hij er onmenselijk zal worden behandeld. Volledigheidshalve wijst de Raad erop dat de medische en psychologische problemen van verzoeker geen verband houden met de criteria bepaald in artikel 1, A
(2)van het Vluchtelingenverdrag, zoals bepaald in artikel 48/3 van de Vreemdelingenwet, noch met de criteria inzake subsidiaire bescherming vermeld in artikel 48/4 van de Vreemdelingenwet, zoals het Hof van Justitie overigens reeds duidelijk oordeelde in de zaak M’bodj (HvJ 18 december 2014 (GK), M’Bodj t. Belgische Staat, C-542/13, §§ 35-36, 40). Voor de beoordeling van medische elementen dient een aanvraag voor een machtiging tot verblijf gericht te worden aan de staatssecretaris van Asiel en Migratie of zijn gemachtigde op basis van artikel 9ter van de Vreemdelingenwet. Ten slotte moet vastgesteld worden dat verzoeker in casu geenszins aantoont dat hij omwille van medische problemen zou worden onderworpen aan vervolging of een ‘onmenselijke behandeling’ in de zin van artikel 48/4, §2, b) van de Vreemdelingenwet. Verzoeker brengt immers geen argumenten of elementen aan op basis waarvan kan worden aangenomen dat hem op intentionele en gerichte wijze medische zorg zou worden ontzegd of opzettelijk worden geweigerd. In zoverre verzoeker in dit kader zou wensen te wijzen op de informatie uit het recentste Afghanistanrapport van januari 2023 van de EUAA waarin staat dat in Afghanistan mensen met mentale en fysieke beperkingen vaak gestigmatiseerd worden, dat hun conditie soms beschouwd wordt als de wil van God en dat mishandeling door hun familie en omgeving voorkomt, kan de Raad enkel vaststellen dat hieruit geenszins blijkt dat deze personen medische zorgen worden ontzegd of opzettelijk worden geweigerd. Betreffende de mogelijke mishandeling, stelt de Raad voorts vast dat verzoeker niet aannemelijk maakt dat hij persoonlijk omwille van zijn mentale toestand vervolging of ernstige schade moet vrezen daar hij niet aannemelijk maakt dat hij, bij een terugkeer, onderhevig zal zijn aan stigmatisering. Immers heeft verzoeker nog een familiaal netwerk in Afghanistan. Hij verklaarde dat zijn familie – vader, moeder, zussen en broer – omwille van de problemen twee maanden voor het persoonlijk onderhoud verhuisd is naar het huis van zijn maternale oom in [...], [...], dat aldaar ook nog twee andere maternale ooms wonen (persoonlijk onderhoud CGVS, p. 7 en p. 9). Eveneens heeft hij verklaard dat zijn laatste contact twee maanden geleden was en hij sindsdien geen contact meer heeft met zijn familie, dat hij nog contact had met zijn vader en na diens dood nog met zijn maternale neef maar dat die hem in tussentijd geblokkeerd heeft (persoonlijk onderhoud CGVS, p. 7). Daarnaast blijkt dat hoewel verzoeker verklaart dat hij, behoudens met zijn vader en zijn maternale neef, met niemand anders contact heeft (persoonlijk onderhoud CGVS, p. 7), hij eveneens verklaart dat, na het neerschieten van zijn vader, zijn moeder niet duidelijk heeft gezegd of hij dood is of nog leeft, waaruit blijkt dat hij eveneens nog contact heeft gehad met zijn moeder, alsook verklaart dat als hij via zijn maternale neef hoort ‘van vandaag’ hij zegt dat vader bij hen is, waaruit zou kunnen blijken dat verzoeker tot kort voor het persoonlijk onderhoud op het CGVS nog contact had met zijn maternale neef (persoonlijk onderhoud CGVS, p. 19). Gevraagd wanneer hij dan laatst contact had met zijn moeder, verklaart verzoeker dat hij een maand geleden nog contact had maar dat zijn maternale neef hem dan geblokkeerd heeft (persoonlijk onderhoud CGVS, p. 20). Gezien verzoeker klaarblijkelijk op het ogenblik van het persoonlijk onderhoud bij het CGVS nog niet weet of zijn vader al dan niet gestorven is nadat hij werd neergeschoten en hij bij de aanvullende nota van 11 januari 2024 een foto van zijn ‘overleden vader’ voegt, kan hieruit besloten worden dat verzoeker na het persoonlijk onderhoud op het CGVS wel in de mogelijkheid is geweest om opnieuw contact op te nemen met familie of kennissen in Afghanistan. Uit het bij de aanvullende nota van 11 januari 2024 gevoegde ‘medische dossier’ blijkt voorts dat verzoeker op 25 augustus 2023 bij dr. L.V. vertelt over zijn moeder, dat hij bezorgd is omdat zijn moeder weet VII-42.606-6/8 dat het niet goed gaat met hem en dat zij geweend heeft aan de telefoon. Ook hieruit blijkt eerder dat er na het persoonlijk onderhoud bij het CGVS nog contact was met zijn moeder. Daarnaast blijkt ook uit de contacten met zijn moeder, waarvan op het ogenblik van het persoonlijk onderhoud op het CGVS het laatste dateerde van een maand voordien, dat zijn moeder op de hoogte is van zijn psychologische toestand en bezorgd is om hem (persoonlijk onderhoud CGVS, p. 20.) Aldus liggen er geen elementen voor waaruit zou kunnen blijken dat verzoeker stigmatisering zou moeten vrezen. Bovendien, en nog daargelaten de vraag of kan blijken dat verzoeker bij terugkeer naar en een verblijf in Afghanistan nog steeds dezelfde mentale problemen zou ondervinden, daar deze klaarblijkelijk – toch minstens gedeeltelijk – te wijten zijn aan een ongerustheid over het lot van zijn vader en zijn familie en aan zijn sociaal isolement alhier, verduidelijkt verzoeker ook niet, op basis van welke elementen het voor de omgeving duidelijk zou zijn dat verzoeker psychologische en mentale problemen heeft.” Met deze overwegingen geeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aan waarom verzoeker ondanks de verwijzing naar zijn mentale toestand, en de beschrijving daarvan in psychologische attesten, geen vrees hoeft te koesteren voor het ontlopen van adequate hulp of voor mishandeling bij een terugkeer naar het land van herkomst. Verzoeker toont niet aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wat dat betreft een onvoldoende nauwgezet en grondig onderzoek zou hebben gevoerd zodat niet zou zijn voldaan aan de vereisten van artikel 3 van het EVRM, noch dat geen rekening zou zijn gehouden met de in artikel 48/6, § 5, c), van de vreemdelingenwet bedoelde “individuele situatie en persoonlijke omstandigheden“. Het weze herhaald dat de Raad van State zich verder niet in de plaats van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen kan stellen om de voormelde beoordeling over te doen vermits hij als cassatierechter niet in de beoordeling van de zaak zelf treedt. 11. Het tweede middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT: 1. Het cassatieberoep is niet toelaatbaar. 2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. VII-42.606-7/8 Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op zeven oktober tweeduizend vierentwintig, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bryan Geerts, toegevoegd griffier. De griffier De voorzitter Bryan Geerts Carlo Adams VII-42.606-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ORD.16.048 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div