id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 15 oktober 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ORD.16.056 Rolnummer: A. 242897/VII-42638 Zaak: Cassatiebeschikking 16056 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 15/10/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-10-16 Raadplegingen: 76 - laatst gezien 2026-06-17 04:51 Fiche Beschikking nr 16.056 van 15 oktober 2024 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 16.056 van 15 oktober 2024 in de zaak A. 242.897/VII-42.638 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Hind Elgazi kantoor houdend te 2000 Antwerpen Terninckstraat 13 bus C1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 5 september 2024, strekt tot de cassatie van arrest nr. 310.570 van 29 juli 2024 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 17 september 2024 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- Eerste middel
- Noch artikel 62 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet) noch artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 VII-42.638-1/4 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ noch de materiëlemotiveringsplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur is van toepassing op jurisdictionele beslissingen zoals het bestreden arrest, waarmee te dezen uitspraak met hervormingsbevoegdheid is gedaan. Voor zover verzoeker verwijst naar “de formele en materiële motiveringsplicht vervat in artikel 149 van de Grondwet” en daarmee (ook) de jurisdictionele motiveringsplicht zou bedoelen, dient te worden opgemerkt dat verzoeker in de uiteenzetting van het middel de motieven van het bestreden arrest inhoudelijk betwist. Dit houdt echter geen verband met de mogelijke schending van de in artikel 149 van de Grondwet vervatte jurisdictionele motiveringsplicht als vormvereiste. Bovendien treedt de Raad van State als cassatierechter niet in de beoordeling van de zaak zelf. Verzoeker werpt een schending op “van het recht van verdediging door een gebrek, onduidelijkheid in de motivering van de beslissing”. Een gebeurlijke schending van de jurisdictionele motiveringsplicht houdt echter geen verband met het recht van verdediging.
- Het eerste middel is kennelijk niet ontvankelijk. Tweede middel
- Met de opgeworpen schending van de artikelen 48/2 en 48/4 van de vreemdelingenwet waarbij hij voorhoudt dat hem in ieder geval de subsidiaire bescherming had moeten worden toegekend, vraagt verzoeker opnieuw een beoordeling van de zaak zelf, waarvoor de Raad van State als cassatierechter niet bevoegd is.
- Het tweede middel is kennelijk niet ontvankelijk. Derde middel
- Het zorgvuldigheidsbeginsel is als algemeen beginsel van behoorlijk niet van toepassing op jurisdictionele beslissingen zoals het bestreden arrest.
- Het derde middel is kennelijk niet ontvankelijk. VII-42.638-2/4 VII-42.638-3/4 Vierde middel
- Met de opgeworpen schending van artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden stelt verzoeker in wezen een nieuwe beoordeling voor van zijn gezondheidstoestand en van de toestand in Gaza. Daargelaten de vaststelling dat verzoeker zich niet richt tegen het motief waarmee de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verzoekers kritiek met betrekking tot deze verdragsbepaling onontvankelijk verklaart, vraagt verzoeker aldus andermaal een beoordeling van de zaak zelf, waarvoor de Raad van State als cassatierechter niet bevoegd is.
- Het vierde middel is kennelijk niet ontvankelijk. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet toelaatbaar.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op vijftien oktober tweeduizend vierentwintig, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bryan Geerts, toegevoegd griffier. De griffier De voorzitter Bryan Geerts Carlo Adams VII-42.638-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ORD.16.056 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div