← België

Cassatiebeschikking 16074 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 29/10/2024

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 29 oktober 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ORD.16.074 Rolnummer: A. 242918/VII-42641 Zaak: Cassatiebeschikking 16074 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 29/10/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-10-30 Raadplegingen: 94 - laatst gezien 2026-06-17 04:41 Fiche Beschikking nr 16.074 van 29 oktober 2024 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 16.074 van 29 oktober 2024 in de zaak A. 242.918/VII-42.641 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Zouhaier Chihaoui kantoor houdend te 1083 Ganshoren Landsroemlaan 40 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de GEMEENTE MERKSPLAS ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 9 september 2024, strekt tot de cassatie van arrest nr. 311.120 van 9 augustus 2024 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 7 oktober 2024 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. Eerste middel
  2. Met het bestreden arrest wordt verzoekers vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van een beslissing van de verwerende partij van 31 juli 2024 tot niet in overwegingname van een aanvraag voor een verblijfskaart als familielid van een Unieburger (hierna: aanvankelijk bestreden beslissing) VII-42.641-1/5 onontvankelijk verklaard omdat die vordering niet is gericht tegen een verwijderings- of terugdrijvingsmaatregel. Uit het bestreden arrest blijkt nog dat de verwerende partij op 16 april 2024 een beslissing houdende bevel om het grondgebied te verlaten met vasthouding met het oog op verwijdering en houdende inreisverbod heeft genomen in hoofde van verzoeker.
  3. Artikel 39/82, § 1 en § 4, van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet) luiden: “§
  4. Wanneer een akte van een administratieve overheid vatbaar is voor vernietiging krachtens artikel 39/2, dan kan de Raad als enige de schorsing van de tenuitvoerlegging ervan bevelen. […] In geval van uiterst dringende noodzakelijkheid kan de schorsing bij voorraad worden bevolen, zonder dat de partijen of sommige van hen zijn gehoord. De verzoeker dient, wanneer hij de schorsing van de tenuitvoerlegging vordert, te opteren hetzij voor een vordering bij uiterst dringende noodzakelijkheid, hetzij voor een gewone schorsing. […] §
  5. De voorzitter van de kamer of de rechter in vreemdelingenzaken die hij aanwijst doet binnen dertig dagen uitspraak over de vordering tot schorsing. Indien de schorsing is bevolen, wordt binnen vier maanden na de uitspraak van de rechterlijke beslissing uitspraak gedaan over het verzoekschrift tot nietigverklaring. Indien de vreemdeling het voorwerp is van een verwijderings- of terugdrijvingsmaatregel waarvan de tenuitvoerlegging imminent is, in het bijzonder indien hij is vastgehouden in een welbepaalde plaats zoals bedoeld in de artikelen 74/8 en 74/9 of ter beschikking is gesteld van de regering, en hij nog geen gewone vordering tot schorsing heeft ingeleid tegen de bedoelde verwijderings- of terugdrijvingsmaatregel, kan hij binnen de in artikel 39/57, § 1, derde lid, bedoelde termijn de schorsing van de tenuitvoerlegging van deze maatregel vorderen bij uiterst dringende noodzakelijkheid. […]” Het voormelde artikel 39/82, § 4, van de vreemdelingenwet voorziet dus enkel de mogelijkheid van een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid in het geval van een verwijderings- of terugdrijvingsmaatregel, waarvan de tenuitvoerlegging imminent is. Evenzo wordt reeds in de memorie van toelichting bij het ontwerp dat heeft geleid tot de wet van 15 september 2006 ‘tot hervorming van de Raad van State en VII-42.641-2/5 tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen’ over het annulatieberoep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen gesteld dat een vordering bij uiterst dringende noodzakelijkheid enkel kan worden ingesteld bij “een dreigende gedwongen uitvoering”: “Dit is in principe niet van rechtswege schorsend doch de gewone en ingeval van een dreigende gedwongen uitvoering, de schorsing bij dringende noodzakelijkheid kan worden gevraagd. De annulatie- en schorsingsbevoegdheid heeft dezelfde inhoud en draagwijdte als die van de Raad van State, zodat het volstaat daar naar te verwijzen;” (Parl. St. Kamer. 2005-2006, nr. 2479/001, 18). In de memorie van toelichting bij het ontwerp dat heeft geleid tot de wet van 10 april 2014 ‘houdende diverse bepalingen met betrekking tot de procedure voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen en voor de Raad van State’ wordt over de beoogde wijzigingen van artikel 39/82, § 4, van de vreemdelingenwet aangegeven: “Thans wordt duidelijk bepaald dat een uiterst dringende procedure enkel mogelijk is wanneer de vreemdeling het voorwerp uitmaakt van een verwijderings- of terugdrijvingsmaatregel waarvan de tenuitvoerlegging imminent is, in het bijzonder omdat hij vastgehouden wordt in een gesloten centrum, verblijft in een terugkeerwoning of ter beschikking gesteld is van de Regering met het oog op de uitvoering van deze verwijderings- of terugdrijvingsmaatregel. Ter verduidelijking wordt de beroepstermijn herhaald voor het instellen van een uiterst dringende procedure, zoals bepaald in artikel 39/57 van de wet.” (Parl. St. Kamer, 2013-2014, nr. 3445/001, p.10). De enige bepaling die betrekking heeft op de uiterst dringende noodzakelijkheid is artikel 39/57, § 1, derde lid, van de vreemdelingenwet, waarin de termijnen voor de indiening van "het in artikel 39/82, § 4, tweede alinea, bedoelde verzoek" worden vastgesteld. Aldus blijkt uit artikel 39/57, § 1, derde lid, van de vreemdelingenwet, gelezen samen met artikel 39/82 van die wet en de voormelde toelichting, dat een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van een beslissing enkel op ontvankelijke wijze kan worden ingesteld in de in artikel 39/82, § 4, tweede lid, van de vreemdelingenwet bedoelde gevallen, namelijk voor zover er een verwijderings- of terugdrijvingsmaatregel waarvan de tenuitvoerlegging imminent is, mee wordt aangevochten. VII-42.641-3/5
  6. Te dezen heeft verzoeker een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid ingesteld tegen een beslissing tot niet in overwegingname van een aanvraag van een verblijfskaart als familielid van een Unieburger. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft derhalve zonder schending van artikel 39/82 van de vreemdelingenwet die vordering onontvankelijk verklaard omdat het voorwerp ervan geen verwijderings- of terugdrijvingsmaatregel is.
  7. Met de verwijzing naar de artikelen 39/57, § 1, derde lid, en 39/82, § 4, tweede lid, van de vreemdelingenwet en met de overweging dat een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts ontvankelijk is voor zover er een verwijderings- of terugdrijvingsmaatregel mee wordt aangevochten, geeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen duidelijk aan waarom hij verzoekers standpunt over de ontvankelijkheid van diens vordering niet volgt. Het is niet vereist dat hij daartoe ook de gronden voor zijn motieven vermeldt noch dat hij ingaat op ieder argument tot staving van verzoekers kritiek.
  8. Het eerste middel is kennelijk ongegrond. Tweede middel
  9. In het bestreden arrest wordt vastgesteld dat verzoekers raadsman op de vraag wat het doel was van zijn beroep heeft geantwoord dat hij een verwijdering wil tegengaan. Verzoekers mogelijke verwijdering naar het land van herkomst vloeit niet voort uit de tenuitvoerlegging van de aanvankelijk bestreden beslissing, zijnde een beslissing tot niet in overwegingname van een aanvraag voor een verblijfskaart als familielid van een Unieburger, maar uit de tenuitvoerlegging van de in zijnen hoofde genomen beslissing houdende bevel om het grondgebied te verlaten met vasthouding met het oog op verwijdering van 16 april
  10. In het bestreden arrest wordt vastgesteld, hetgeen verzoeker niet betwist, dat hij op 16 mei 2024 een vordering tot schorsing en een beroep tot nietigverklaring heeft ingesteld tegen deze laatste beslissing. Verzoeker gaat voorbij aan de mogelijkheid van een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van deze laatste beslissing. VII-42.641-4/5 Verzoeker had dus enerzijds de mogelijkheid om een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid in te stellen tegen zijn verwijdering, anderzijds bevat de aanvankelijk bestreden beslissing geen verwijderingsmaatregel. Zijn kritiek faalt naar recht wat de inhoud en de gevolgen van de aanvankelijk bestreden beslissing betreft.
  11. In het licht van de voormelde vaststellingen en de in punt 4 supra gemaakte beoordeling, toont verzoeker geen schending aan van de jurisdictionele motiveringsplicht.
  12. Het tweede middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  13. Het cassatieberoep is niet toelaatbaar.
  14. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op negenentwintig oktober tweeduizend vierentwintig, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bryan Geerts, toegevoegd griffier. De griffier De voorzitter Bryan Geerts Carlo Adams VII-42.641-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ORD.16.074 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.