id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 19 november 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ORD.16.091 Rolnummer: A. 243115/VII-42658 Zaak: Cassatiebeschikking 16091 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 19/11/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-11-20 Raadplegingen: 98 - laatst gezien 2026-06-17 04:26 Fiche Beschikking nr 16.091 van 19 november 2024 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 16.091 van 19 november 2024 in de zaak A. 243.115/VII-42.658 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Zouhaier Chihaoui kantoor houdend te 1083 Ganshoren Landsroemlaan 40 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 1 oktober 2024, strekt tot de cassatie van arrest nr. 312.914 van 12 september 2024 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 11 oktober 2024 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. Tweede onderdeel van het enige middel: “schending van het principe van de primauteit van het internationaal recht en het beginsel van de hiërarchie der rechtsnormen” 1. Uit het dossier van de zaak blijkt dat verzoekster, hetgeen zij uitdrukkelijk bevestigt, op 9 september 2024 een vordering tot schorsing bij uiterst dringende VII-42.658-1/6 noodzakelijkheid heeft ingesteld tegen de beslissing van de verwerende partij tot weigering van toegang en terugdrijving van 1 juli 2024 (hierna: aanvankelijk bestreden beslissing), haar ter kennis gebracht op 2 juli 2024. In het bestreden arrest wordt vastgesteld, hetgeen verzoekster niet betwist, “dat verzoekster evenmin een vordering tot (gewone) schorsing en een beroep tot nietigverklaring heeft ingediend binnen de ‘reguliere’ beroepstermijn van dertig dagen uit artikel 39/57, §1, eerste lid van de vreemdelingenwet […]”. 2. Naar luid van artikel 39/57, § 1, derde lid, van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet) wordt de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid “ingediend bij verzoekschrift binnen tien dagen na de kennisgeving van de beslissing waartegen ze gericht is”. In antwoord op verzoeksters betoog dat deze beroepstermijn in haar geval buiten toepassing zou moeten worden gelaten, overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest: “2.7. Blijkens haar betoog is verzoekster van oordeel dat de wetsbepaling betreffende de beroepstermijnen buiten toepassing moet worden verklaard indien hogere rechtsnormen dit vereisen. Volgens verzoekster kon zij slechts op het ogenblik van de daadwerkelijke tenuitvoerlegging weten dat zij naar Servië zou worden teruggedreven, terwijl een dergelijke terugdrijving naar haar oordeel een onmenselijke of vernederende behandeling uitmaakt in de zin van artikel 3 van het EVRM. Zij beweert dat zij eerder niet in de mogelijkheid verkeerde een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid of een vordering tot gewone schorsing in te dienen omdat het land van bestemming volgens haar onbekend was waardoor er sprake zou zijn van een schending van het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel uit artikel 13 van het EVRM. 2.8. Het standpunt van verzoekster komt er in wezen op neer dat de overmacht erin bestaat dat zij onmogelijk kon achterhalen dat het land van bestemming van de terugdrijvingsbeslissing zou samenvallen met het land van waaruit zij het Schengengebied inreisde vooraleer haar in Zaventem de toegang tot het grondgebied werd geweigerd. Deze vermeende onduidelijkheid kan echter onmogelijk als overmacht worden gekwalificeerd. Verzoekster zelf is immers het best geplaatst om duidelijkheid te scheppen over haar land(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.