← België

Cassatiebeschikking 16102 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 28/11/2024

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 28 november 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ORD.16.102 Rolnummer: A. 243245/VII-42689 Zaak: Cassatiebeschikking 16102 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 28/11/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-11-29 Raadplegingen: 104 - laatst gezien 2026-06-17 04:11 Fiche Beschikking nr 16.102 van 28 november 2024 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 16.102 van 28 november 2024 in de zaak A. 243.245/VII-42.689 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Mieke Van den Broeck kantoor houdend te 1210 Brussel Haachtsesteenweg 55 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 17 oktober 2024, strekt tot de cassatie van arrest nr. 312.720 van 10 september 2024 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 28 oktober 2024 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. Eerste onderdeel van het enige middel
  2. Uit het bestreden arrest blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen kennis heeft genomen van verzoeksters aanvullende nota van 18 juni 2024 en van haar verklaringen ter terechtzitting, dit alles in antwoord op de met VII-42.689-1/5 toepassing van artikel 39/73, § 2, van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet) genomen beschikking. Met de concrete beoordeling in het bestreden arrest om verzoeksters argumentatie te verwerpen en de conclusie dat verzoekster met die argumentatie geen afbreuk doet aan de vaststelling in de voormelde beschikking dat een loutere verwijzing naar de algemene situatie op het vlak van bescherming van de LGBTI+-gemeenschap niet volstaat om te concluderen dat de Georgische autoriteiten in geval van problemen onwillig dan wel onmachtig zouden zijn haar hulp en/of bescherming te bieden, overschrijdt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet zijn in artikel 39/2, § 1, 2°, van de vreemdelingenwet vervatte bevoegdheid. Dat verzoekster er ten gronde een andere mening op nahoudt, heeft betrekking op de beoordeling van de zaak zelf, waarvoor de Raad van State als cassatierechter niet bevoegd is. Tweede onderdeel van het enige middel
  3. Verzoekster acht de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie geschonden met het bestreden arrest, evenwel zonder hierbij de schending van enige bepaling op te werpen. Waar verzoekster aanvoert dat “[u]it de landeninformatie, die werd gevoegd […] duidelijk [blijkt] dat er sprake is van een structurele en straffeloze vervolging van LGBTQ-personen in Georgië”, stelt zij een andere beoordeling van de zaak zelf voor, waarvoor de Raad van State als cassatierechter niet bevoegd is. Verzoekster haalt bovendien niet aan welke concrete informatie zij bedoelt. Verzoekster beperkt verder haar kritiek tot één zinsnede uit het bestreden arrest om te besluiten dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zijn onderzoek “beperkt […] tot het verleden”, zonder in te gaan op de concrete motieven in punt 5.
  4. van het bestreden arrest waarin wordt aangegeven waarom de door verzoekster ingeroepen wetsvoorstellen in Georgië en de verhoogde financiering van de Georgisch- orthodoxe kerk geen afbreuk doen aan de gronden, opgenomen in de met toepassing van artikel 39/73, § 2, van de vreemdelingenwet genomen beschikking. VII-42.689-2/5 Derde onderdeel van het enige middel
  5. Met betrekking tot de voorgehouden schending van artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (hierna: EVRM), waarvoor verzoekster had verwezen naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 oktober 2020 in de zaak, Agdomelashvili en Japaraidze tegen Georgië, overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in de met toepassing van artikel 39/73, § 2, van de vreemdelingenwet genomen beschikking: “De verwijzing in het verzoekschrift naar het arrest Aghdomelashvili en Japaridze t. Georgië van 8 oktober 2020, waar het EHRM een schending van artikel 3 van het EVRM heeft aangenomen, enerzijds omwille van het gebrek van een effectief onderzoek en anderzijds omwille van het bewust vernederende gedrag van agenten tijdens de interventie, is niet van die aard dat dit afbreuk kan doen aan het voorgaande. De appreciatie van de feiten in het licht van de bestaande situatie in het land van herkomst gebeurt in het kader van een individuele beoordeling van de zaak die voorligt in elk stadium van de asielprocedure. Feiten en elementen eigen aan elke concrete asielaanvraag zijn bepalend bij de beoordeling van het dossier. Verzoekster toont niet aan dat het ontbreken aan bescherming van de LGBTIQ+-personen waarvan sprake in de rechterlijke uitspraak waarnaar zij verwijst, zich zou uitstrekken tot de ganse LGBTIQ+-gemeenschap die rechtsbescherming zoekt. De algemene informatie waarnaar verzoekster in het verzoekschrift verwijst teneinde de beschermingsmogelijkheden in Georgië aan slachtoffers van gender gerelateerd geweld op de korrel te nemen, loopt verder gelijk met, dan wel ligt in het verlengde van de informatie vervat in de voormelde COI Focus. Noch het betoog van verzoekster, noch de informatie waarnaar zij verwijst is dan ook van aard om te doen besluiten dat de appreciatie van de situatie in Georgië zoals hiervoor beschreven niet langer correct of redelijk zou zijn. Het gegeven dat er ruimte is voor verbetering betekent niet dat de Georgische autoriteiten onwillig of onmachtig zouden zijn om hem bescherming te bieden. De Raad stipt hierbij nog aan dat bescherming die de nationale overheid biedt, doeltreffend moet zijn, maar niet absoluut. De overheid dient niet bescherming te bieden tegen elk feit begaan door derden; het volstaat dat redelijke maatregelen worden genomen (RvS 21 februari 2007, nr. 168.034). De overheid heeft de plicht om burgers te beschermen, maar deze plicht houdt geenszins een resultaatsverbintenis in (RvS 12 februari 2014, nr. 226.400). Er kan worden besloten dat de Georgische autoriteiten in geval van eventuele (veiligheids)problemen in het algemeen aan alle onderdanen ongeacht hun etnische origine voldoende bescherming kunnen bieden en maatregelen nemen in de zin van artikel 48/5 van de Vreemdelingenwet.” Vervolgens onderzoekt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in die beschikking omstandig verzoeksters individuele, specifieke situatie, waarna hij besluit: “Uit niets blijkt derhalve en verzoekster maakt niet in concreto aannemelijk dat de Georgische autoriteiten niet bij machte of onwillig zouden zijn om haar bij eventuele VII-42.689-3/5 problemen hulp en/of bescherming te bieden. Zij toont niet aan dat in haar geval geen doeltreffende niet-tijdelijke bescherming vanwege de overheid in Georgië beschikbaar zou zijn, noch dat zij daartoe geen toegang zou hebben en zij slaagt er dan ook niet in met concrete, valabele en objectieve elementen aan te tonen dat de Georgische autoriteiten geen redelijke maatregelen treffen in de zin van artikel 48/5 van de Vreemdelingenwet tot voorkoming van vervolging of het lijden van ernstige schade die zij voorhoudt te vrezen.” Uit het voorgaande blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen een grondig en nauwgezet onderzoek heeft gevoerd naar een mogelijke schending van artikel 3 van het EVRM bij een terugkeer naar het land van herkomst, dit in het licht van de algemene toestand in het land van herkomst en verzoeksters individuele situatie. Dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verzoeksters situatie niet vergelijkbaar acht met de situatie in het door verzoekster aangehaalde arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 oktober 2020, vormt op zich geen schending van artikel 3 of 13 van het EVRM. Waar in het bestreden arrest duidelijk wordt aangegeven hoe de Raad voor Vreemdelingenbetwisting tot zijn besluit komt, blijkt evenmin een schending van de in artikel 149 van de Grondwet vervatte jurisdictionele motiveringsplicht als vormvereiste. Conclusie
  6. Het enige middel is in zijn drie onderdelen, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  7. Het cassatieberoep is niet toelaatbaar.
  8. Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. VII-42.689-4/5 Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op achtentwintig november tweeduizend vierentwintig, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bryan Geerts, toegevoegd griffier. De griffier De voorzitter Bryan Geerts Carlo Adams VII-42.689-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ORD.16.102 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.