id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 03 december 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ORD.16.105 Rolnummer: A. 243319/VII-42688 Zaak: Cassatiebeschikking 16105 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 03/12/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-12-04 Raadplegingen: 96 - laatst gezien 2026-06-17 04:11 Fiche Beschikking nr 16.105 van 3 december 2024 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 16.105 van 3 december 2024 in de zaak A. 243.319/VII-42.688 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Zouhaier Chihaoui kantoor houdend te 1083 Ganshoren Landsroemlaan 40 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 25 oktober 2024, strekt tot de cassatie van arrest nr. 313.468 van 25 september 2024 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 8 november 2024 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- Eerste onderdeel van het enige middel: “schending van het principe van de primauteit van het internationaal recht en het beginsel van de hiërarchie der rechtsnormen”
- Uit het dossier van de zaak blijkt dat verzoekster, hetgeen zij uitdrukkelijk bevestigt, op 20 september 2024 een vordering tot schorsing bij uiterst VII-42.688-1/4 dringende noodzakelijkheid heeft ingesteld tegen de beslissing van de verwerende partij tot weigering van toegang en terugdrijving van 14 juli 2024 (hierna: aanvankelijk bestreden beslissing), haar ter kennis gebracht op diezelfde dag. In het bestreden arrest wordt vastgesteld, hetgeen verzoekster niet betwist, “dat de verzoekende partij ook geen andere haar ter beschikking staande beroepsmogelijkheid heeft aangewend tegen de bestreden beslissing. De termijn om een gewone vordering tot schorsing en een annulatieberoep in te dienen is reeds verstreken sedert 13 augustus 2024” en bijgevolg dat “de Raad niet anders kan dan vast te stellen dat deze beslissing inmiddels definitief in het rechtsverkeer aanwezig is”.
- Naar luid van artikel 39/57, § 1, derde lid, van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet) wordt de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid “ingediend bij verzoekschrift binnen tien dagen na de kennisgeving van de beslissing waartegen ze gericht is”. In antwoord op verzoeksters betoog dat deze beroepstermijn in haar geval buiten toepassing zou moeten worden gelaten, overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest: “2.
- Blijkens haar betoog is de verzoekende partij van oordeel dat de wetsbepaling betreffende de beroepstermijnen buiten toepassing moet worden verklaard indien hogere rechtsnormen die vereisen. Volgens de verzoekende partij kon zij slechts op het ogenblik van de daadwerkelijke tenuitvoerlegging weten naar welk land zij zou worden teruggedreven, terwijl een dergelijke terugdrijving naar haar oordeel een onmenselijke of vernederende behandeling uitmaakt in de zin van artikel 3 van het EVRM. Zij beweert dat zij eerder niet in de mogelijkheid verkeerde een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid of een vordering tot gewone schorsing in te dienen omdat het land van bestemming volgens haar onbekend was waardoor er sprake zou zijn van een schending van het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel uit artikel 13 van het EVRM. Aldus komt het standpunt van de verzoekende partij er in wezen op neer dat de overmacht erin bestaat dat zij onmogelijk kon achterhalen dat het land van bestemming van de terugdrijvingsbeslissing zou samenvallen met het land van waaruit zij het Schengengebied inreisde vooraleer haar in Zaventem de toegang tot het grondgebied werd geweigerd. Deze vermeende onduidelijkheid kan echter onmogelijk als overmacht worden gekwalificeerd. De verzoekende partij zelf is immers het best geplaatst om duidelijkheid te scheppen over haar land(en) van nationaliteit, eventuele landen van eerder verblijf en de transitlanden waar zij passeerde alvorens zich te presenteren aan een buitengrens van het Schengengebied. 2.
- Uit de beschikbare informatie blijkt dat de verzoekende partij, die verklaarde van Syrische nationaliteit te zijn op 14 juli 2024 vanuit Amman (Jordanië) naar België VII-42.688-2/4 reisde. De Raad ziet niet in waarom het voor de verzoekende partij onmogelijk was om binnen de door de wet voorziene beroepstermijn alle mogelijke bezwaren te formuleren, zowel in geval van terugkeer naar haar land van herkomst, als in geval van een terugdrijving naar het (transit-)land van waaruit zij de Schengenzone was ingereisd of het land waar zij, desgevallend, voor het eerst aan boord ging bij een (private) vervoerder.
- Met de aanvankelijk bestreden beslissing wordt verzoekster de toegang tot het grondgebied ontzegd omdat zij niet in het bezit is van de vereiste documenten, namelijk een geldig reisdocument en/of een geldig visum of een geldige machtiging tot verblijf. Bij een daadwerkelijke terugdrijving wordt de betrokkene teruggestuurd naar het land van vertrek van (te dezen) het vliegtuig dat hem of haar bracht. Verzoekster betwist niet dat zij met het vliegtuig van Amman naar Zaventem kwam, zoals in de aanvankelijk bestreden beslissing wordt vermeld. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen kon dan ook op wettige wijze oordelen dat verzoekster in staat was binnen de beroepstermijn (van tien dagen) alle mogelijke bezwaren in te dienen tegen haar terugdrijving omdat uit de aanvankelijk bestreden beslissing voldoende blijkt naar welk land zij zou worden teruggedreven. Met de voormelde motivering geeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ook duidelijk aan waarom verzoekster met een beroepstermijn van tien dagen wel degelijk beschikte over een daadwerkelijk rechtsmiddel. Dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen artikel 13 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (hierna: EVRM) hierbij niet uitdrukkelijk vermeldt, doet geen afbreuk aan het voorgaande en vormt dan ook geen schending van de jurisdictionele motiveringsplicht.
- Het eerste middelonderdeel is kennelijk ongegrond. Tweede onderdeel van het enige middel: “schending van artikel 3 van het EVRM”
- Uit de beoordeling van het eerste middelonderdeel blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op wettige wijze heeft beslist tot de niet-ontvankelijkheid ratione temporis van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid. VII-42.688-3/4 Bijgevolg kan verzoeksters kritiek ten gronde, namelijk wat de voorgehouden schending van artikel 3 van het EVRM betreft, niet tot cassatie leiden. Het betreft immers kritiek tegen een in het bestreden arrest “louter ten overvloede” ontwikkeld en derhalve overtollig motief, dat de strekking van het bestreden arrest niet kan hebben beïnvloed.
- Het tweede middelonderdeel is kennelijk niet ontvankelijk. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet toelaatbaar.
- Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op drie december tweeduizend vierentwintig, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bryan Geerts, toegevoegd griffier. De griffier De voorzitter Bryan Geerts Carlo Adams VII-42.688-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ORD.16.105 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div