← België

Cassatiebeschikking 16143 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 23/12/2024

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 23 december 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ORD.16.143 Rolnummer: A. 243489/VII-42707 Zaak: Cassatiebeschikking 16143 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 23/12/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-12-26 Raadplegingen: 97 - laatst gezien 2026-06-17 03:42 Fiche Beschikking nr 16.143 van 23 december 2024 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 16.143 van 23 december 2024 in de zaak A. 243.489/VII-42.707 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jonathan Waldmann kantoor houdend te 4000 Luik Rue Paul Devaux 2 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 13 november 2024, strekt tot de cassatie van arrest nr. 314.616 van 11 oktober 2024 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 26 november 2024 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. Noch de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ noch de materiëlemotiveringsplicht, het redelijkheidsbeginsel en de zorgvuldigheidsplicht als algemene beginselen van behoorlijk bestuur zijn van toepassing op jurisdictionele beslissingen zoals het bestreden arrest, waarmee te dezen uitspraak met hervormingsbevoegdheid is gedaan. VII-42.707-1/6
  2. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft herhaaldelijk en ondubbelzinnig gesteld dat geschillen betreffende de toegang tot, het verblijf op en de verwijdering van het grondgebied niet onder de toepassing van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden vallen (zie EHRM (GK) 5 oktober 2000, Maaouia/Frankrijk; EHRM (GK) 4 februari 2005, Mamatkulov en Askolov/Turkije; EHRM 14 februari 2008, Hussain/Roemenië; EHRM 27 februari 2014, Zarmayev/België).
  3. Verzoeker voert aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het bestreden arrest “onvoldoende [motiveert] m.b.t. de kritiek omtrent de bijzondere procedurele noden omwille van de mentale gezondheidstoestand en zijn vrees voor bedreigingen van zijn fysieke integriteit”. Verzoeker stelt “dat er geen afweging en onderzoek van de argumenten van verzoeker heeft plaatsgevonden en dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich zonder meer volledig bij de motieven van de aanvankelijk bestreden beslissing aansluit”.
  4. De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter en door artikel 39/65 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet) aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen opgelegde jurisdictionele motiveringsplicht heeft het karakter van een vormvereiste. Een uitspraak is gemotiveerd in de zin van de voornoemde bepaling wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet die hem ertoe brengen die beslissing te nemen. Om te voldoen aan de jurisdictionele motiveringsplicht is het niet relevant of die motieven in rechte of in feite juist zijn. Alleen een gemis aan motivering of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven, maken een schending uit van de voornoemde bepalingen. Wanneer de motivering een verkeerde gevolgtrekking in rechte maakt, kan dit een schending van de wet uitmaken, maar is er nog geen sprake van een motiveringsgebrek. De rechterlijke motiveringsverplichting houdt niet in dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen moet antwoorden op elk argument dat tot staving of weerlegging van een middel is aangevoerd, maar dat geen afzonderlijk middel of afzonderlijke weerlegging vormt.
  5. Met betrekking tot verzoekers procedurele noden omwille van zijn mentale toestand overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen: “4.
  6. In de bestreden beslissing wordt gemotiveerd: VII-42.707-2/6 ‘Vooreerst moet worden opgemerkt dat het Commissariaat-generaal op grond van het geheel van de gegevens in uw administratief dossier, van oordeel is dat er in uw hoofde bepaalde bijzondere procedurele noden kunnen worden aangenomen. Uit de verklaringen van uw familieleden […] blijkt immers dat u geheugenproblemen heeft en na het overlijden van uw moeder last heeft van zware stress waarvoor u psychiatrische hulp nodig had en waarbij men van mening is dat u net zoals uw oudste broer lijdt aan schizofrenie. Om hier op passende wijze aan tegemoet te komen, werden er u steunmaatregelen verleend in het kader van de behandeling van uw verzoek door het Commissariaat-generaal, en werd bij het onderzoek van uw verzoek in belangrijke mate rekening gehouden met de objectieve situatie in uw land van herkomst en verder met de verklaringen van mensen die u omringen, m.n. uw zus en haar man met wie u samenwoonde, aangezien kan worden aangenomen dat u hun lot deelt en hun situatie dezelfde is als de uwe. Gelet op wat voorafgaat kan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijze worden aangenomen dat uw rechten in het kader van onderhavige procedure gerespecteerd worden evenals dat u kunt voldoen aan uw verplichtingen.’ 4.
  7. Verzoeker voert in zijn verzoekschrift aan dat zijn beslissing zo goed als een copy paste is van de beslissing van zijn schoonbroer maar dat niet zomaar kan worden aangenomen dat hij het lot van zijn schoonbroer deelt en hun situatie dezelfde is. Verder voert verzoeker aan dat het persoonlijk onderhoud slechts 52 minuten duurde en dat de tolk meermaals melding maakte van het feit dat hij verzoeker niet begreep omdat hij geen normale zinsbouw gebruikte. Verzoeker stelt dat hij vanwege zijn psychische en mentale toestand niet in staat was om tijdens het gehoor volledige, duidelijke en geloofwaardige verklaringen af te leggen met betrekking tot zijn vrees bij terugkeer. Hij acht het onredelijk en onzorgvuldig dat de commissaris-generaal zich heeft gebaseerd op de verklaringen van zijn schoonbroer om zijn vrees bij terugkeer in te schatten. 4.
  8. De Raad kan verzoeker geenszins volgen waar hij meent dat de commissaris- generaal onredelijk en onzorgvuldig zou hebben gehandeld. Gelet op de mentale toestand van verzoeker heeft de commissaris-generaal bij de beoordeling van het verzoek om internationale bescherming in belangrijke mate rekening gehouden met de objectieve situatie in het land van herkomst en met de verklaringen van de personen die verzoeker omringen en met wie hij samenwoonde. Tijdens het persoonlijk onderhoud op het CGVS maakt verzoeker duidelijk dat hij zich op dezelfde vrees baseert als zijn schoonbroer. Hij verklaart: ‘ik vrees in oorlog terecht te komen zowel ik als schoonbroer’ […], bijgevolg is het niet onredelijk dat de commissaris-generaal zich voor de beoordeling van deze motieven baseert op de beoordeling die hij in hoofde van de schoonbroer heeft gemaakt. Daarnaast maakt verzoeker ook melding van persoonlijke problemen: ‘Werkloosheid en financiële problemen, geen geld om van te leven’, […], en werden deze individuele motieven afzonderlijk beoordeeld in de bestreden beslissing. Waar verzoeker wijst op de korte duur van het gehoor bij het CGVS, merkt de Raad op dat de (korte) duur van het persoonlijk onderhoud geen indicatie uitmaakt van de grondigheid en volledigheid ervan. Op het einde van het persoonlijk onderhoud verklaarde verzoeker expliciet dat hij niets meer toe te voegen had […]. Ook de raadsman van verzoeker, die aan het einde van het persoonlijk onderhoud het woord kreeg, maakte geen opmerkingen aangaande de duur of het verloop van het persoonlijk onderhoud. Hij wees enkel op de mentale problemen van verzoeker en dat hij ging proberen via de familie medische documenten te bekomen […]. Uit de lezing van de notities van het persoonlijk onderhoud blijkt dat het gehoor goed is verlopen en dat waar blijkt dat de tolk enige moeite had om verzoeker te begrijpen, de vraag werd geherformuleerd zodat de onduidelijkheid werd uitgeklaard […]. Er kan uit de notities van het persoonlijk onderhoud dan ook niet worden afgeleid dat het persoonlijk VII-42.707-3/6 onderhoud niet correct zou zijn verlopen of dat verzoeker niet in staat zou zijn geweest om afdoende volledige, duidelijke en geloofwaardige antwoorden te geven op de gestelde vragen. Verzoeker laat na in concreto te duiden welke bijkomende steunmaatregelen dan wel hadden moeten worden genomen in het licht van zijn mentale gezondheidsproblemen en evenmin waar en/of op welke wijze deze gezondheidsproblemen tijdens zijn persoonlijk onderhoud op het CGVS een impact zouden hebben gehad en/of niet of onvoldoende door de verleende steunmaatregelen zouden zijn opgevangen.” Uit het voorgaande blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verzoekers kritiek betreffende de beoordeling van zijn mentale toestand voor het afleggen van verklaringen wel degelijk beantwoordt en ook aangeeft waarom en in welke mate bij de beoordeling van verzoekers aanvraag rekening wordt gehouden met de beoordeling van het verzoek om internationale bescherming, ingediend door verzoekers schoonbroer. Verzoeker toont derhalve niet aan dat de motivering van het bestreden arrest in dat opzicht zou tekortschieten.
  9. Met betrekking tot verzoekers vrees voor bedreigingen van zijn fysieke integriteit omwille van zijn mentale toestand overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen: “Wat betreft verzoekers individuele asielmotieven, met name zijn financiële problemen en zijn werkloosheid, stelt verzoeker opnieuw dat er bij de beoordeling van zijn verzoek om internationale bescherming onvoldoende rekening is gehouden met zijn mentale toestand en citeert hij een fragment uit het ‘Country Report on human rights practices: Moldova’ van 2021 inzake personen met een handicap. Waar verzoeker verwijst naar algemene landeninformatie inzake personen met een handicap, dient te worden opgemerkt dat verzoeker geen medische attesten voorlegt waaruit blijkt dat hij een handicap heeft. Wat betreft zijn mentale toestand blijkt uit de bestreden beslissing en zoals reeds uitvoerig hierboven besproken onder punt 4 dat de commissaris-generaal zorgvuldig heeft gehandeld en wel degelijk rekening heeft gehouden met verzoekers mentale toestand bij het onderzoek van het verzoek om internationale bescherming. Het louter verwijzen naar algemene informatie inzake personen met een handicap werpt geen ander licht op de volgende pertinente vaststellingen van de commissaris-generaal: ‘U haalt verder aan […] dat u in Moldavië financiële problemen kende en geen werk kon vinden. Uit uw verklaringen blijkt ook dat u met uw moeder op de markt werkte, dat jullie stoelen doorverkochten en er genoeg aan konden verdienen om van te leven, dat jullie ermee konden rondkomen. Toen de oorlog begon (i.e. op 24/02/2022) sloten de grote markten en was er gebrek aan werk, hetgeen zo was voor alle Moldaven. U verkocht hierna kleine dingen van thuis op de markt, en uw zus en schoonbroer hielpen u financieel. U ontving ook een werkloosheidsuitkering en als u te weinig geld en honger had, ging u naar de sociale dienst en verhoogden ze uw uitkering een beetje. Wat betreft deze moeilijkheden dient te worden opgemerkt dat deze problemen niet als een vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie noch als een risico op ernstige schade zoals bepaald in de definitie van subsidiaire bescherming kunnen worden. In uw relaas VII-42.707-4/6 hieromtrent kon immers geen aanwijzing van een intentionele bedreiging van uw vrijheid, uw leven of uw fysieke integriteit door de Moldavische autoriteiten of door derden worden gevonden.’” Waar verzoeker met verwijzing naar het ‘Country Report on human rights practices: Moldova’ van 2021 voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich uitdrukkelijk had beroepen op de behandeling van “personen met een handicap” in Moldavië, kan hij thans niet dienstig aanvoeren dat het voormelde rapport ruimer moest worden gezien, namelijk als meer algemeen betrekking hebbend op “personen met een beperking”. Verzoeker gaat verder voorbij aan de beoordeling in het bestreden arrest dat verzoeker, die wel verwijst naar algemene landeninformatie maar geen medisch attest betreffende zijn “handicap” heeft bijgebracht, doorheen zijn relaas geen bedreiging van zijn fysieke integriteit aantoont.
  10. Verzoeker toont derhalve geen schending aan van de in artikel 149 van de Grondwet en artikel 39/65 van de vreemdelingenwet vervatte jurisdictionele motiveringsplicht.
  11. Waar verzoeker artikel 48/6 van de vreemdelingenwet geschonden acht omdat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen een “kennelijke beoordelingsfout” zou hebben gemaakt, vraagt hij in wezen een nieuwe beoordeling van de zaak zelf, waarvoor de Raad van State als cassatierechter echter niet bevoegd is.
  12. In de mate dat verzoeker de motivering in het bestreden arrest betreffende de beoordeling van (de gevolgen van) zijn mentale toestand betwist, toont hij daarmee geen schending aan van het in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie vervatte recht op een eerlijk proces. Verzoeker gaat in zijn kritiek dat de vertaling door de tolk herhaaldelijk gebrekkig was, voorbij aan de vaststelling in het bestreden arrest “dat waar blijkt dat de tolk enige moeite had om verzoeker te begrijpen, de vraag werd geherformuleerd zodat de onduidelijkheid werd uitgeklaard”.
  13. Het enige middel is in de aangegeven mate, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. VII-42.707-5/6 BESLUIT:
  14. Het cassatieberoep is niet toelaatbaar.
  15. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op drieëntwintig december tweeduizend vierentwintig, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bryan Geerts, toegevoegd griffier. De griffier De voorzitter Bryan Geerts Carlo Adams VII-42.707-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ORD.16.143 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.