id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 januari 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.261.917 Rolnummer: A. 243880/X-18955 Zaak: Arrest 261917 - Sluitingen van vestigingen - 06/01/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-01-07 Raadplegingen: 83 - laatst gezien 2026-06-17 03:25 Fiche Arrest nr 261.917 van 6 januari 2025 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Sluitingen van vestigingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE Xe KAMER nr. 261.917 van 6 januari 2025 in de zaak A. 243.880/X-18.955 In zake: de BV D SIM bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Klaas Van Dorpe kantoor houdend te 8830 Hooglede Oude Torhoutstraat 3 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de STAD ROESELARE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Sofie Logie en Jade Leenaert kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 4 januari 2025, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van “[d]e beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de stad Roeselare van 16 december 2024 […] per aangetekende brief gedateerd op 30 december 2024 [...] overgemaakt en aangeboden aan verzoekende partij op 31 december 2024 en opgehaald op 2 januari 2025 […] waarbij verzoekende partij gedurende een periode van 1 maand diens handelszaak gesloten wordt met ingang vanaf maandag 6 januari 2025 t.e.m. 5 februari 2025”. X-18.955-1/17 II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 6 januari 2025, om 12.00 uur. Staatsraad Ann Coolsaet heeft verslag uitgebracht. Advocaat Michiel Descheemaeker, die loco advocaat Klaas Van Dorpe verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Sofie Logie, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Adjunct-auditeur Samuel Mens, gemachtigd om ter terechtzitting advies te verlenen, heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- De verzoekende partij baat de handelszaak ‘Sfeerkroeg D’Armoe’ - een café en restaurant - uit te Roeselare. 3.
- Bij aangetekende brief gedateerd 26 november 2024 wordt de verzoekende partij door de verwerende partij in kennis gesteld van het voorstel van de sanctionerend ambtenaar aan het college van burgemeester en schepenen om over te gaan tot de tijdelijke sluiting van de voornoemde handelszaak van de verzoekende partij. Deze brief verwijst naar eerdere GAS-sancties, nieuwe X-18.955-2/17 vaststellingen, alsook naar de waarschuwing van de sanctionerend ambtenaar dat bij nieuwe overtredingen het college van burgemeester en schepenen zou kunnen overgaan tot de sluiting van de handelszaak. De verzoekende partij wordt uitgenodigd tot het voeren van een mondelinge verdediging voor het college van burgemeester en schepenen op 9 december 2024 en/of tot het voeren van een schriftelijk verweer. 3.
- Op 9 december 2024 hoort het college van burgemeester en schepenen de verzoekende partij met bijstand van haar raadsman. Van deze hoorzitting wordt een proces-verbaal opgesteld. 3.
- Op 16 december 2024 beslist het college van burgemeester en schepenen van de verwerende partij om de handelszaak D’Armoe uitgebaat door de verzoekende partij te sluiten voor de duur van één maand met ingang van 6 januari 2025 tot en met 5 februari
- Dit is de bestreden beslissing. De bestreden beslissing is als volgt formeel gemotiveerd: “Regelgeving bevoegd orgaan (bijzonder) Op basis van art 119bis van de nieuwe gemeentewet is het college van burgemeester en schepenen bevoegd om over te gaan tot de sluiting van een inrichting. Bijlagen
- PVfeiten20241017
- PVfeiten20241114
- bv_806_24
- voorstel sanctionerend ambtenaar inzake cafe DArmoeCBS
- uitnodiging hoorzitting
- GAS feiten 20231117
- GAS feiten 20240307
- pvhoorzittingmetverweerschrift
- Lijst2022meldingeninterventies
- bv_926_24 meldingeninterventies2023 Context en argumentatie FEITELIJKE ARGUMENTATIE Op 17 oktober 2024 werd door de lokale politie RIHO een nieuwe vaststelling van geluidsoverlast gedaan ingevolge de uitbating van café d’Armoe, gelegen Kwadestraat 97 te Roeselare (uitbater: BV D SIM). X-18.955-3/17 Uit de vaststellingen die de politie deed op donderdag 17 oktober 2024 om 23u23 bleek luide muziek waarneembaar vanop het openbaar domein. De deur was op dit moment geopend en er waren cafébezoekers buiten aan het praten/roepen. Ook was er veel verkeer aanwezig in de Armoedestraat (bezoekers van dit café). De uitbater van café d’Armoe is helaas niet aan zijn proefstuk toe. De voorbije jaren bereikten de stad Roeselare talloze meldingen van (geluids)overlast ingevolge een niet professionele uitbating van deze café. In het voorjaar van 2024 (mei 2024) nam de sanctionerend ambtenaar 2 GAS-beslissingen waarbij een geldboete werd opgelegd, één ten bedrage van € 250,00 (GASA R 2023/1911) en de tweede ten bedrage van € 350,00 (GASA R 2024/357) ingevolge een gelijkaardige problematiek (geluidsoverlast door de uitbating van dit café). Er werd uitdrukkelijk vermeld dat bij een volgende GAS-vaststelling van nachtlawaai dit café gesloten zal worden. Enkele maanden later werd de sanctionerend ambtenaar opnieuw geconfronteerd met een GAS-vaststelling (GASA R 2024/01167), waarin expliciet vermeld staat dat quasi iedere donderdagavond/-nacht er geluidsoverlast is in de buurt, die vaak aanhoudt tot 02.00 uur ’s nachts. Teneinde de grote ernst van de problematiek te kaderen, is het ook nuttig en relevant om te verwijzen naar de motivering van de vorige GAS vaststellingen: ‘Er is al meer dan 10 jaar hinder naar de buurt (geluidshinder binnen en buiten het café, wildparkeren, wildplassen, glazen worden meegenomen naar buiten, ...) De uitbating is nog steeds niet in overeenstemming met alle bijzondere voorwaarden van de laatst afgeleverde basis-omgevingsvergunning van 17 juni
- De voorwaarden aan deze omgevingsvergunning zijn cruciaal om de hinder naar de omwonenden toe te beperken en om op deze manier de uitbating van dit café leefbaar te houden voor de buurt. er is een strijdigheid met de openingsuren van het buitenterras (vergund tot max. 21.00 uur voor het publiek). In de praktijk zijn de openingsuren hier later waarop nog klanten worden toegelaten. Het feit dat dit buitenterras als een dagterras vergund werd, is er niet gekomen na de veelvuldige klachten in het verleden die op heden nog steeds blijven duren. Dit alleen al toont aan dat de uitbater onvoldoende rekening houdt met de buren en er niet in slaagt om de hinder in te perken. in tegenstelling tot de vergunning wordt op het terras zelf occasioneel nog muziek gespeeld. op de drukke dagen (meer bepaald de donderdagavond en -nacht) gebeurt het vaak dat er zich nog klanten in en rond het café bevinden na 01.00 uur ’s nachts Ook het feit dat toegangsdeur van het sas dat steeds open blijft staan, is een groot probleem en maakt dat er overduidelijk geluidshinder naar de buurt veroorzaakt wordt. Hier dringen dringende investeringen zich op. Ook dit is een schending van de omgevingsvergunning. De uitbater doet veel te weinig inspanningen om zijn klanten te sensibiliseren om de overlast te beperken bij het verlaten van het café. We verwijzen hierbij expliciet naar de GAS-klachten (geluidshinder) van de laatste jaren ten gevolge van de uitbating van café d’Armoe: • vaststelling 17 november 2023 • vaststelling 8 maart 2024 De uitbater heeft al enkele vruchteloze pogingen achter de rug bij zowel het CBS als bij de Deputatie (in graad van beroep) om een uitbreiding van de openingsuren van het terras te verkrijgen. Echter gelet op bovenstaande motivering (en omwille van het feit dat de overlast naar de buurt toe werd aangetoond) is hier duidelijk geen X-18.955-4/17 draagvlak voor. Geluidshinder is al jaren een groot probleem bij de uitbating van dit café. De geluidsmeting die de politie uitvoerde in de nacht van 7 op 8 maart 2024 toont ook objectief aan dat de grenzen van de vergunning van dit café, die vastgelegd werden op 86dB(A)Laeq, 15 minuten telkens ook overschreden werden en dit rond middernacht. Dit bewijst dat het café dringend een akoestische studie en akoestische maatregelen dient de nemen om te mogen blijven uitbaten, zeker aangezien de geluidshinder hier al zo lang aansleept. De uitbater slaagt er al vele jaren niet in om de voorwaarden van zijn vergunningen na te leven en blijft maar overlast veroorzaken. Dit dient dringend te stoppen. Motivering repliek op het verweerschrift (na 11 januari 2024) (GASA R 2023/1911): De uitbater is er zich niet bewust van de ernst van de feiten. Alles wordt geminimaliseerd en wordt de schuld gelegd bij de zure buur die hier het probleem is. o Je weet dat wij er alles aan doen om geen overlast te hebben (1 buur doet altijd moeilijk) en is gekend. Motivering repliek op het verweerschrift dd. 25 maart 2024 (GASA R 2024/357): Frappante vaststellingen van de raadsman die de geluidshinder en de overlast naar de buurt toe bevestigen: ◦ wellicht zijn de verhoogde resultaten (van de geluidsmeting; eigen aanvulling) te wijten aan het feit dat de aanwezige klanten op het moment van de meting (om 23.51 uur en om 00.07 uur; eigen aanvulling) ook luidkeels meezongen met de muziek ◦ uiteraard dienen klanten zich ergens te parkeren, zodat deze nu inderdaad langs de openbare weg geparkeerd staan ..., doch dan meent cliënte dat de verbalisanten de eigenaars van de verkeerd geparkeerde voertuigen in kwestie moeten aanspreken. ◦ tevens overweegt cliënte om een vergunning aan te vragen om het sluitingsuur op weekdagen op te trekken naar 02.00 uur ..., waarbij dus niet alle klanten om 01.00 uur stipt de kroeg moeten verlaten. Een overgang zal wellicht minder geluidshinder met zich meebrengen. Bovenstaande typeert de houding van de huidige uitbater van dit café. Klachten worden - waar mogelijk - wat geminimaliseerd en de schuld wordt bij anderen (de klanten) gelegd. Uiteraard is de uitbater is eerste instantie verantwoordelijk voor de uitbating van zijn café en dient hij alle maatregelen te nemen om de hinder en overlast maximaal tegen te gaan. Het feit dat de uitbater zonder bijkomende aanpassingen het sluitingsuur een uur wenst op te schuiven, betekent hier dus dat het probleem een uur langer zal aanhouden en de overlast naar de buurt toe midden in de nacht een uur langer zal duren. Het is duidelijk dat de huidige uitbater de ernst van de hinder nog steeds niet inziet. De raadsman kan geen enkele van de 3 inbreuken weerleggen. Enkel wordt een repliek geboden vanuit het standpunt van de uitbater, waarbij de feiten geminimaliseerd worden. Het feit dat de melders van de 2 feiten van geluidsoverlast 2 verschillende buren zijn, toont aan dat het probleem groter is dan de uitbaters doen uitschijnen en dat verschillende personen en families dus concrete hinder ondervinden ingevolgde de uitbating van dit café. Deze hinder ten gevolge van de uitbating van café d’Armoe dient dringend aangepakt te worden. De verweerschriften overtuigen niet naar inhoud om aan te nemen dat de uitbater de hinder concreet wil aanpakken. Een volgende GAS-vaststelling die nachtlawaai ingevolge de uitbating van café d’Armoe kan aantonen, impliceert meteen dat het CBS dit café omwille van X-18.955-5/17 bewezen en herhaalde objectieve vaststellingen van nachtlawaai zal sluiten voor een periode van minstens 1 maand.’’ De vaststellingen nu en vroeger zijn zeer duidelijk en vallen niet te betwisten. Uit de laatste GAS-vaststelling in combinatie met de historiek blijkt daarenboven duidelijk dat dit niet een geïsoleerd of éénmalig feit was, maar een quasi-wekelijks terugkerend gegeven. Het toont tevens aan dat de uitbater zich nog steeds onvoldoende bewust is van de overlast die hij veroorzaakt naar de buurt toe. VOORSTEL SANCTIONEREND AMBTENAAR AAN COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN SCHEPENEN Gelet op het voorgaande en omwille van het relatief korte tijdsbestek tussen de verschillende GAS-vaststellingen (17 november 2023, 8 maart 2024 en 17 oktober 2024) en het feit dat het er in de praktijk nog veel meer zijn, stelt de sanctionerend ambtenaar voor om de uitbating te sluiten (cf. de eerdere waarschuwing) voor een termijn van 2 maanden. Hij voegt hier nog aan toe: ‘De uitbater neemt duidelijk de klachten totaal niet ernstig en investeert onvoldoende om de overlast (geluid, parkeeroverlast,...) rond zijn café tegen te gaan. Ook is de frequentie van de overlast veel te hoog en is een ernstige bezinningsperiode hier noodzakelijk. Enkel door een tijdelijke sluiting kan de rust letterlijk terugkeren.’ HOORZITTING EN VERWEER/ RESPONS OP VERWEER Naar aanleiding van het voorgaande werd BV D SIM uitgenodigd om gehoord te worden door het college van burgemeester en schepenen (uitnodiging dd. 26 november 2024). De hoorzitting vond plaats op 9 december 2024 waarbij BV D SIM werd bijgestaan door een raadsman. Er werd een schriftelijk verweer neergelegd dat ook mondeling werd toegelicht. Naar aanleiding van het gevoerde verweer informeerde het college zich ook verder bij de sanctionerend ambtenaar. Het verweer spitste zich in essentie toe op volgende punten (repliek onder elk punt): Men deed al grote inspanningen om de geluidsoverlast te beperken. Er dient vastgesteld uit de feitelijke historiek alleen al dat die inspanningen schromelijk te kort schieten. Er is een blijvende problematiek van geluidsoverlast. Bovendien erkent D SIM zelf in haar verweer (en dit werd bevestigd door de sanctionerend ambtenaar) dat het sas niet op een adequate manier werkt (toegangsdeur naar sas kan niet dicht). Nochtans is dit wellicht de belangrijkste manier om het geluid dat van binnen komt, tegen te houden. Het is overigens ook een voorwaarde van de vergunning om een werkend sas te hebben. In de feiten blijkt dus dat men dus tot op heden geen adequaat sas (waarbij de buitendeur pas open gaat als de binnendeur dicht is) heeft hetgeen - gelet op de aanhoudende problematiek - onbegrijpelijk is. In datzelfde opzicht zou overigens ook (aanvullend) een portier nuttig zijn maar ook daar werd niet in geïnvesteerd hoewel men zich zeer goed bewust was van de problematiek. De klachten komen maar van 1 buur en het is eigenlijk een burenruzie. De sanctionerend ambtenaar kon meegeven dat de klachten wel degelijk vanuit meerdere hoeken komen. De hoeveel klachten doorheen de jaren en maanden alsook de vaststellingen door politiediensten, tonen onomstotelijk aan dat dit niet kan geminimaliseerd worden tot een burenruzie. Er is wel degelijk een aanhoudende en ernstige problematiek van overlast. X-18.955-6/17 De voorliggende Gemeentelijke administratieve sancties zijn slechts het topje van de ijsberg. Zowel uit het bestuurlijk verslag van de politie als uit de bijkomende toelichting van de sanctionerend ambtenaar, blijkt een overvloed van meldingen en klachten en dit gedurende vele jaren. Geen inbreuken op sluitingsuur Uit de voormelde historiek en bijhorende vaststellingen, blijkt dat er effectief af en toe een probleem is met het naleven van het sluitingsuur. Overlast in de buurt In essentie ontkent men deze overlast niet maar stelt men dat het de verantwoordelijkheid is van de politie en/of stad om dit op te lossen. Het is evenwel duidelijk dat de verantwoordelijkheid voor de uitbating van een handelszaak niet stopt bij de voordeur. Het uitbaten van een café impliceert dat men dit doet met respect voor de omgeving en in balans met de draagkracht van de omgeving. Het bewaren van de openbare orde, rust en veiligheid is hier een noodzakelijk richtsnoer. Uit de feitelijkheden blijkt een zeer duidelijk causaal verband tussen de exploitatie van de handelszaak enerzijds en de overlast fenomenen (wildplassers, foutparkeerders, snelheidsduivels, lawaai op straat, ...) op het openbaar domein. De exploitant neemt tot op heden, ondanks het feit dat problematiek reeds lang bekend is, onvoldoende actie om deze overlast tegen te gaan. Zo ligt geen bewijs voor dat bezoekers voldoende gesensibiliseerd worden en ook de inzet van een portier en/of private bewaking ontbreekt volledig, hoewel dit zeer nuttig zou zijn om de toekomende en vertrekkende bezoekers te monitoren en tot goed gedrag te bewegen. Sluiting niet proportioneel Men voert aan dat een sluiting en a fortiori een sluiting van 2 maanden niet proportioneel zou zijn in relatie tot de feiten en dat dit zware negatieve gevolgen zou hebben voor de uitbating. Uit de historiek en de aard van meldingen, klachten, vaststellingen en sancties blijkt dat dit een problematiek is die reeds maanden en zelfs jaren speelt. En ondanks diverse oproepen daartoe en ondanks voorgaande sancties, blijkt de exploitant zich niet te conformeren. In dat opzicht komt een tijdelijke sluiting als ultimum remedium wel degelijk als proportioneel voor. Bovendien biedt deze sluiting de uitbater ook de opportuniteit om de rust te laten weerkeren én de nodige ingrepen te doen in de exploitatie om naar de toekomst toe feitelijkheden te vermijden. De impact van een sluiting wordt geenszins onderschat zodat een sluiting van 1 maand in deze als het meest proportioneel voorkomt. Gelet op al het voorgaande is de overlast onmiskenbaar evenals het gebrek aan impact van de reeds opgelegde sancties. Na beraadslaging in de schoot van het college van burgemeester en schepenen, dringt zich dan ook een sluiting op overeenkomstig artikel 119bis Nieuwe Gemeentewet juncto artikel 1.18 tot en met 1.23, hoofdstuk 1 van het Politiereglement, specifiek gedeelte Roeselare. De sanctie behelst een tijdelijke sluiting van 1 maand met ingang van 6 januari 2025 tot en met 5 februari 2025.” 3.
- De bestreden beslissing wordt ter kennis gegeven aan de verzoekende partij bij aangetekende brief verstuurd op 30 december 2024 en aangeboden aan de verzoekende partij op 31 december 2024, datum waarop bpost X-18.955-7/17 blijkens de vermelding op de zending een bericht in de brievenbus van de verzoekende partij heeft achtergelaten. Zoals de beide partijen ter zitting bevestigen, is tegelijk een kopie van de aangetekende brief met de bestreden beslissing aan de verzoekende partij afgegeven door de politie op 30 december
- IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, §§ 1 en 5, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd waarvan het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling en waarmee de nietigverklaring van de bestreden akte of het bestreden reglement prima facie kan worden verantwoord en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. V. Uiterst dringende noodzakelijkheid Uiteenzetting van de uiterst dringende noodzakelijkheid
- De verzoekende partij zet, wat de vereiste van de uiterst dringende noodzakelijkheid betreft, in het verzoekschrift uiteen dat de sluiting gedurende één maand voor de verzoekende partij “desastreuze gevolgen” zal hebben, die zowel financieel van aard zijn (gebrek aan inkomsten, maar wel vaste kosten), maar ook het verlies van personeel en van cliënteel behelzen. Ter staving van de “recurrente kosten” verwijst de verzoekende partij naar de maandelijkse aflossingen van een hypothecaire lening en een investeringskrediet, alsook naar een reeks vaste maandelijkse kosten en X-18.955-8/17 “terugkomende” kosten en de recente aankopen van “enorme hoeveelheden drank”. Wat de personeelsproblematiek betreft, zet de verzoekende partij uiteen dat zowel de kok als de barman op zelfstandige basis in de handelszaak werkzaam zijn en dat het geen betoog behoeft dat zij de samenwerking zullen stopzetten, indien zij een maand geen inkomsten kunnen verwerven via de verzoekende partij. De bestreden beslissing kan volgens de verzoekende partij tot gevolg hebben dat zij haar kok en barman “permanent kwijt” is, wat een “absolute ramp” is. De verzoekende partij wijst er voorts op dat zij naast deze “vaste” werkkrachten een beroep doet op flexijobbers via weekcontracten, die niet zullen aarzelen om bij een concurrent aan de slag te gaan, waardoor de verzoekende partij ook die flexijobbers “op permanente basis kwijt kan zijn”. Wat het verlies van cliënteel betreft, wijst de verzoekende partij erop dat er voor de week van 6 januari 2025 verschillende reservaties gebeurden en dat er voor januari 2025 verschillende reservaties van groepen zijn. Die reservaties moeten annuleren zou onherroepelijke schade toebrengen aan de reputatie en goede naam van de verzoekende partij. Volgens de verzoekende partij wordt haar betoog ook gestaafd met stukken afkomstig van de boekhouder, zoals het verkoopdagboek van 2024 - waaruit zou blijken dat de omzet “hoofdzakelijk” uit de maand januari komt wegens het hoge aantal bedrijfsfeesten -, de btw-aangiftes van 2024 en een resultaat per 30 september
- Dat een sluiting van een maand een financiële ramp zou betekenen, staaft de verzoekende partij met een verklaring van haar boekhouder. Tot slot verwijst de verzoekende partij naar allerhande zware investeringen. Beoordeling X-18.955-9/17
- De schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid houdt een ernstige verstoring in van het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State, herleidt de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum en beperkt in aanzienlijke mate de uitoefening van de rechten van verdediging van de verwerende partij. De aanwending van die procedure moet dan ook zeer uitzonderlijk blijven in die zin dat ze slechts mag worden aangewend in die enkele gevallen dat het uiterst dringende karakter van de zaak meteen voor iedereen zonder meer duidelijk is, of door de verzoekende partij op duidelijke en onomstootbare wijze wordt aangetoond. Luidens artikel 8, § 1, tweede lid, 2°, van het koninklijk besluit van 19 november 2024 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding en tot wijziging van diverse besluiten betreffende de procedure voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’, bevat het verzoekschrift waarin de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aangevoerd daartoe “een uiteenzetting van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen”. Dit impliceert dat een verzoekende partij aan de hand van precieze en concrete gegevens aannemelijk maakt dat de schorsing van de tenuitvoerlegging, indien ze pas na het afwikkelen van de gewone schorsingsprocedure zou worden uitgesproken, onherroepelijk te laat zou komen om het nadeel op te vangen of de belangen van de verzoekende partij veilig te stellen. De uiterst dringende noodzakelijkheid kan daarenboven niet voortkomen uit de enkele omstandigheid dat ingevolge de doorlooptijd van de zaak een uitspraak volgens de gewone schorsingsprocedure of een uitspraak ten gronde zou tussenkomen in een min of meer verre toekomst, waardoor de gewone schorsings- of annulatieprocedure een verzoekende partij niet toelaat een arrest te verkrijgen voordat de bestreden handeling haar volledige uitwerking heeft gehad. Opdat aan de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid voldaan zou X-18.955-10/17 zijn, moet deze vaststelling ten minste gepaard gaan met andere feitelijke gegevens die eigen zijn aan de voorliggende zaak en die aantonen dat de uiterst dringende noodzakelijkheid eraan inherent is. Niet minder dan het geval is in de gewone schorsingsprocedure, is daartoe vereist dat de verzoekende partij het resultaat van de procedure ten gronde niet kan afwachten om haar beslissing te verkrijgen, op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen.
- Bij de concrete uitwerking van de uiterst dringende noodzakelijkheid moet een verzoekende partij er zich voor hoeden dat begrip niet op een algemene wijze te omschrijven. Algemene beschouwingen die niet worden ondersteund door concrete elementen kunnen niet in aanmerking worden genomen. Het bewijs van de uiterst dringende noodzakelijkheid mag zich niet beperken tot een theoretische uiteenzetting, doch vereist het aanreiken van concrete, specifiek op de verzoekende partij betrekking hebbende en verifieerbare gegevens dat zij het resultaat van de procedure tot nietigverklaring of gewone schorsingsprocedure niet kan afwachten op straffe van zich in een toestand te bevinden met ernstige, onherroepelijke schadelijke gevolgen, wat, zoals hierna zal blijken, de verzoekende partij te dezen nalaat te doen.
- Hoewel de Raad van State te dezen geen reden ziet die ertoe noopt te besluiten dat de verzoekende partij niet met gepaste spoed en diligentie haar vordering heeft ingesteld eenmaal zij van de bestreden beslissing kennis kreeg, volstaat dit evenwel op zich niet om de uiterst dringende noodzakelijkheid aan te tonen. Diligent optreden bij het inleiden van een procedure tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid is weliswaar een noodzakelijke, maar geen voldoende voorwaarde opdat aan het vereiste van de uiterst dringende noodzakelijkheid zou zijn voldaan.
- De verzoekende partij voert vooreerst aan dat de sluiting van haar handelszaak desastreuze gevolgen zal hebben, onder meer van financiële aard X-18.955-11/17 ingevolge een gebrek aan inkomsten, terwijl zij wel vaste kosten heeft. Zij beroept zich derhalve op een financieel nadeel. Hoewel het zich laat verstaan dat de bestreden beslissing voor de verzoekende partij ingrijpende gevolgen heeft op financieel vlak, dan nog is vereist dat zij, wil zij spoedeisendheid en te dezen een schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid verantwoorden, concreet aantoont aan de hand van verifieerbare gegevens en stavingsstukken dat de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, indien ze pas na het afwikkelen van de gewone schorsingsprocedure zou worden uitgesproken, onherroepelijk te laat zou komen om het nadeel op te vangen of de belangen van de verzoekende partij veilig te stellen. Een financieel-economisch nadeel verantwoordt immers in de regel niet de spoedeisendheid - laat staan de uiterst dringende noodzakelijkheid – tenzij de verzoekende partij concreet kan aantonen in een zodanige penurie te zitten dat zij de normale afloop van de schorsingsprocedure niet kan afwachten; bewijs dat, zoals hierna zal blijken, door de verzoekende partij niet wordt geleverd.
- Ter staving van haar financieel nadeel voert de verzoekende partij vooreerst aan dat zij heel wat “recurrente kosten” heeft, zoals de maandelijkse aflossingen van een hypothecaire lening en een investeringskrediet, alsook andere vaste maandelijkse en “terugkomende” kosten en dat zij recent “enorme hoeveelheden drank” heeft aangekocht. Zij staaft dit met een reeks facturen. Dit standpunt overtuigt evenwel niet om aan te tonen dat er sprake is van uiterst dringende noodzakelijkheid. Wat ook de bewijs- en overtuigingswaarde betreft van de overgelegde stukken wat de recurrente kosten van de verzoekende partij betreft, komt het bovendien hoe dan ook aan de verzoekende partij toe, wanneer zij zich zoals te dezen, beroept op “desastreuze gevolgen” om door middel van geloofwaardige stukken, een globaal en, zodoende, betrouwbaar inzicht te geven in X-18.955-12/17 haar bestaande financiële toestand, zodat de Raad van State dit met kennis van zaken kan beoordelen. De verzoekende partij doet dit niet. Zij legt weliswaar bijzonder veel facturen van recurrente kosten neer, doch blijft in gebreke om een globaal inzicht te geven in haar financiële situatie en in haar financiële reserves. Te dezen verwijst de verzoekende partij naar een verkoopdagboek van 2024, btw-aangiftes en een resultatenrekening per 30 september 2024, evenwel zonder enige concrete toelichting wat precies uit welk stuk zou kunnen of moeten worden afgeleid. De neergelegde stukken betreffende het verkoopdagboek zijn slechts uittreksels uit dat verkoopdagboek en ze laten prima facie dan ook niet toe te besluiten dat de omzet hoofdzakelijk uit de maand januari komt. Deze bewering van de verzoekende partij lijkt overigens te worden tegengesproken door de e-mail van de boekhouder van de verzoekende partij, die zij eveneens neerlegt, en die vermeldt: “De ontvangsten van een januari maand zijn belangrijker dan andere maanden tov de ontvangsten over het hele jaar, en dit gezien er diverse groepsactiviteiten in deze maand doorgaan. Deze ontvangsten kunnen geraamd worden op 10% tov de jaarontvangsten.” Hieruit blijkt weliswaar dat in de maand januari gemiddeld meer inkomsten worden verworven, doch dit laat geenszins de conclusie toe dat de inkomsten van de verzoekende partij “hoofdzakelijk” in de maand januari worden gerealiseerd. Ook met de neergelegde btw-aangiftes en de resultatenrekening per 30 september 2024 – daargelaten de vraag welke bewijswaarde kan worden toegekend aan het neergelegde stuk 4.29 – toont de verzoekende partij niet aan dat de bestreden beslissing dermate ingrijpende gevolgen heeft op financieel vlak, dat de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, indien ze pas na het afwikkelen van de gewone schorsingsprocedure zou worden uitgesproken, onherroepelijk te laat zou komen om het nadeel op te vangen of de belangen van de verzoekende partij veilig te stellen. Dezelfde vaststelling geldt voor de e-mail van de boekhouder, waaruit weliswaar blijkt dat de bestreden beslissing “verregaande financiële gevolgen” zal hebben, dat de horeca in het algemeen en zo ook de verzoekende partij het “heel moeilijk” hebben, dat er diverse gepreciseerde vaste kosten zijn, alsook dat ontvangsten van een januarimaand ongeveer tien procent van de jaarinkomsten betreffen, maar die evenzeer het stilzwijgen bewaart over de globale financiële X-18.955-13/17 situatie van de verzoekende partij en in het bijzonder haar financiële reserves, zodat de verzoekende partij ook met dit stuk niet aantoont in een zodanige penurie te zitten dat zij de normale afloop van de schorsingsprocedure niet kan afwachten. Met de argumentatie en de stukken die de verzoekende partij voor het eerst tijdens de terechtzitting aanvoert en bijbrengt, mag geen rekening worden gehouden. De verwerende partij kan daarop immers niet meer schriftelijk repliceren en de auditeur kan daarover niet op een deugdelijke wijze advies verlenen in een procedure die op grond van artikel 22 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State essentieel schriftelijk is. Er mag aldus door de Raad van State enkel rekening worden gehouden met hetgeen een verzoekende partij in haar verzoekschrift over de spoedeisendheid uiteenzet én staaft. In de mate dat de verzoekende partij te dezen ter terechtzitting alsnog tracht te beargumenteren dat er geen reserves voorhanden zijn aan de hand van stukken die prima facie tot doel lijken te hebben te wijzen op de “financiële bronnen van december 2024”, kan de Raad van State niet anders dan vaststellen dat de concrete, specifieke elementen die de spoedeisendheid beogen te staven in het verzoekschrift zelf moeten worden uiteengezet, gestaafd door stukken gevoegd bij dat verzoekschrift, en niet achteraf. De ter terechtzitting neergelegde stukken worden dan ook uit het debat geweerd. Wat de verwijzing door de verzoekende partij ter terechtzitting naar arrest nr. 160.447 van 22 juni 2006 betreft, merkt de Raad van State op dat, daargelaten dat het Belgische recht geen precedentenwerking kent, zodat de verzoekende partij er derhalve geen leer uit kan halen, de verzoekende partij met die verwijzing – evenmin als met de verwijzing naar een elektronisch bericht van de boekhouder dat hij ingevolge de feestdagen niet eerder de benodigde stukken kon bezorgen –, geenszins aannemelijk maakt dat zij geen globaal inzicht zou hebben gehad in haar financiële situatie en haar financiële reserves op het ogenblik dat zij haar verzoekschrift indiende. Deze vaststelling knelt des te meer daar de verzoekende partij wel tal van andere, vaak erg detaillistische, stukken en facturen kan neerleggen, alsook een verklaring van de boekhouder. X-18.955-14/17
- Uit wat voorafgaat volgt dat de verzoekende partij niet aannemelijk maakt dat zij door de bestreden beslissing in een dermate precaire financiële situatie terechtkomt dat zij de duur die een gewone vordering tot schorsing in beslag neemt niet zal kunnen dragen en die zou verantwoorden dat haar vordering bij voorrang dient te worden behandeld.
- Voorts meent de verzoekende partij dat er sprake is van uiterst dringende noodzakelijkheid, omdat zowel de kok als de barman op zelfstandige basis in de handelszaak werkzaam zijn en zij de samenwerking zullen stopzetten, indien zij een maand geen inkomsten kunnen verwerven via hun contract met de verzoekende partij. De overige personeelsleden zijn flexijobbers die de verzoekende partij ook vreest “op permanente basis” kwijt te zijn. Dit standpunt overtuigt evenmin. De verzoekende partij maakt immers geenszins aannemelijk dat zij de personeelsleden waarop zij thans een beroep doet, zal verliezen door de sluiting van de handelszaak gedurende één maand. De vrees van de verzoekende partij lijkt uiterst voorbarig en louter hypothetisch. Dit geldt des te meer daar de verzoekende partij naar eigen zeggen niet werkt met personeel verbonden via een traditionele arbeidsovereenkomst, maar met enerzijds zelfstandigen, anderzijds flexijobbers met een weekcontract, met andere woorden met personen die flexibiliteit en het daaraan inherente gebrek aan werkzekerheid gewend zijn. Zelfs indien deze personen gedurende de maand van de sluiting elders aan de slag zouden gaan als zelfstandige of via een flexijob, dan nog maakt de verzoekende partij niet aannemelijk dat zij, na afloop van één maand sluiting ingevolge de bestreden beslissing, niet opnieuw een beroep zou kunnen doen op zelfstandigen of flexijobbers.
- Tot slot verwijst de verzoekende partij ook naar het verlies van cliënteel tot staving van de uiterst dringende noodzakelijkheid. De diverse reeds X-18.955-15/17 voor januari 2025 gemaakte reservaties moeten annuleren, zou onherroepelijke schade toebrengen aan de reputatie en goede naam van de verzoekende partij. Ook dit standpunt overtuigt niet. Vooreerst merkt de Raad van State op dat het verlies van reservaties en cliënteel gedurende de maand van de sluiting in wezen ook een financieel en dus in principe herstelbaar nadeel is. Hiervoor werd reeds uiteengezet waarom het aangevoerde financieel nadeel niet van die aard is dat het de schorsing van de bestreden beslissing bij uiterst dringende noodzakelijkheid zou verantwoorden. Er wordt naar verwezen. Voorts merkt de Raad van State op dat in de mate dat de verzoekende partij imagoschade aanvoert, dit in wezen een moreel nadeel betreft. De verzoekende partij maakt te dezen evenwel niet aannemelijk dat die beweerde morele schade van die aard is dat de bestreden beslissing, in afwachting van een uitspraak volgens de gewone schorsingsprocedure, haar in een schadelijke toestand brengt die niet te verdragen valt. Het volstaat immers niet te wijzen op de nadelige gevolgen van de bestreden beslissing en aan te voeren dat enkel een schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid de verzoekende partij voor reputatieschade kan behoeden. Tevens moet worden aangetoond dat de nadelen van die aard en omvang zijn dat de verzoekende partij ze niet kan lijden totdat over een gewone vordering tot schorsing uitspraak wordt gedaan. De verzoekende partij legt geen enkel stuk neer dat dit ook maar enigszins aannemelijk maakt. VI. Conclusie
- Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 5, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen. X-18.955-16/17 BESLISSING
- De Raad van State verwerpt de vordering.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zes januari tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Ann Coolsaet, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Ann Coolsaet X-18.955-17/17 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.261.917 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div