← België

Arrest 261918 - O.C.M.W. - 08/01/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 januari 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.261.918 Rolnummer: A. 235492/IX-9995 Zaak: Arrest 261918 - O.C.M.W. - 08/01/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-01-09 Raadplegingen: 93 - laatst gezien 2026-06-13 05:27 Fiche Arrest nr 261.918 van 8 januari 2025 Sociale zaken en volksgezondheid - O.C.M.W. Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 261.918 van 8 januari 2025 in de zaak A. 235.492/IX-9995 In zake : 1. het ACV OPENBARE DIENSTEN 2. M.D. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pascal Lahousse kantoor houdend te 2800 Mechelen Leopoldstraat 64 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN VAN OOSTENDE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Hans Plancke en Sietse Wils kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 99 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 19 januari 2022, strekt tot de nietigverklaring van: “1/ [d]e beslissing d.d. 25 november 2021 uitgaande van de Vlaamse minister van Binnenlands bestuur, Bestuurszaken, Inburgering en Gelijke Kansen houdende de goedkeuring van de [beslissing van de] Raad voor maatschappelijk welzijn van de Stad Oostende van 30 augustus 2021 (2021_RMW_00036) Dienstverlening ‘Thuiszorg’ – behoeftenstudie – overnemer – overeenkomst tot overdracht […] 2/ [h]et besluit d.d. 30 augustus 2021 (2021_RMW_00036) uitgaande van de Raad voor Maatschappelijk Welzijn van Oostende betreffende de ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.054 IX-9995-2/7 dienstverlening ‘Thuiszorg’ – behoeftenstudie – overnemer – overeenkomst tot overdracht.” ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.918 IX-9995-1/15 II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij arrest nr. 259.054 van 7 maart 2024 is het beroep tegen de eerste bestreden beslissing verworpen, is het debat heropend en is de zaak opgeroepen op de openbare terechtzitting van 22 april 2024. Staatsraad Jurgen Neuts heeft verslag uitgebracht. Advocaat Veerle Longree, die loco advocaat Pascal Lahousse verschijnt voor de verzoekende partijen en advocaat Hans Plancke, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven, behalve wat de kosten van het geding betreft. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3. De feitelijke gegevens van de zaak zijn uiteengezet in tussenarrest nr. 259.054 van 7 maart 2024. IV. Tussenarrest nr. 259.054 van 7 maart 2024 4. In het voormelde tussenarrest heeft de Raad van State vastgesteld dat de bestreden beslissing de overdracht van de dienst Thuiszorg van de verwerende partij aan de vzw i-mens inhoudt en dat die overnemer niet de mogelijkheid had gekregen om in deze procedure tussen te komen. Om die reden werd het debat heropend. Met een brief van 21 maart 2024 heeft de vzw i-mens aan de Raad van State ter kennis gebracht “niet te zullen tussenkomen”. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.918 IX-9995-2/15 5. In hetzelfde tussenarrest heeft de Raad van State geoordeeld dat het beroep van de verzoekende partijen onontvankelijk is voor zover het is gericht tegen de eerste bestreden beslissing. Met het huidige arrest wordt bijgevolg alleen nog uitspraak gedaan over het tweede voorwerp van het beroep, namelijk het besluit van de raad voor maatschappelijk welzijn van het OCMW van Oostende van 30 augustus 2021 “betreffende de dienstverlening ‘Thuiszorg’ – behoeftenstudie – overnemer – overeenkomst tot overdracht”. Hierna wordt daaraan gerefereerd als ‘het bestreden besluit’. V. Onderzoek van de middelen Standpunt van de partijen 6.1. In een eerste middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van “de verplichting tot voorafgaande onderhandelingen met de representatieve vakorganisaties”, van artikel 2 van de wet van 19 december 1974 ‘tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel’ (hierna: de wet van 19 december 1974) en van de artikelen 3, 4 en 5 van het koninklijk besluit van 29 augustus 1985 ‘tot aanwijzing van de grondregelingen in de zin van artikel 2, § 1, 1°, van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel’ (hierna: het koninklijk besluit van 29 augustus 1985). Volgens de verzoekende partijen “valt niet te ontkennen dat de bestreden beslissing […] bepalingen bevat die implicaties hebben voor het personeel en de toekomstige loon- en arbeidsvoorwaarden”. Het bestreden besluit moet volgens hen als “grondregelingen in verband met het administratief statuut, als grondregelingen in verband met de bezoldigingsregeling en als grondregelingen in verband met de pensioenregeling in de zin van de artikelen 3, 4 en 5 van het KB van 29 augustus 1985” worden beschouwd. Volgens de verzoekende partijen kwam het Agentschap Binnenlands Bestuur in zijn nota aan de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur tot dezelfde conclusie. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.918 IX-9995-3/15 Evenwel werd, steeds volgens de verzoekende partijen, met geen enkele vakorganisatie overlegd of onderhandeld over de loon- en arbeids- voorwaarden of over de overdracht van de personeelsleden. Er werd geen protocol opgesteld “omdat de vakorganisaties straal genegeerd werden”. De verzoekende partijen wijzen erop dat de Raad van State in eerdere zaken van oordeel was dat de overheid een maatregel waarover onderhandeld moet worden slechts kan uitvaardigen na kennis te hebben genomen van de conclusies van de onderhandelingen, zoals die worden vermeld in het definitief protocol en dat de omstandigheid dat de overheid reeds voordien wist dat een vakorganisatie niet akkoord ging met de tekst waarover werd onderhandeld, niet belet dat de overheid het bestreden besluit slechts mocht treffen nadat de vakorganisaties de mogelijkheid hadden gekregen om hun bemerkingen op het ontwerp-protocol over te maken. Nadat het bestreden besluit werd aangenomen, heeft tweede verzoekster gevraagd om de “privatisering van de thuiszorg” te agenderen op het eerstvolgende vakbondsoverleg. Zij heeft daarbij onder meer “17 pertinente vragen” gesteld met betrekking tot de loon- en arbeidsvoorwaarden van het personeel, zo doen de verzoekende partijen tot slot nog gelden. 6.2. Een tweede middel is geput uit de schending van de artikelen 23 en 27 van het koninklijk besluit van 28 september 1984 ‘tot uitvoering van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel’ (hierna: het koninklijk besluit van 28 september 1984). Artikel 23 van het koninklijk besluit van 28 september 1984 bepaalt onder meer dat de representatieve vakorganisaties, met het oog op de onderhandeling, “alle nodige documentatie” ontvangen. Artikel 27 van het koninklijk besluit van 28 september 1984 bepaalt de termijn voor de “oproepingen met de dagorde” voor de onderhandelingscomités. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.918 IX-9995-4/15 De verzoekende partijen betogen: “In casu werd geen enkele termijn gerespecteerd. De nodige documentatie werd evenmin voor de vergadering toegezonden, daar er geen vergadering werd georganiseerd met de betrokken vakorganisaties.” 7.1. In de memorie van antwoord betwist de verwerende partij onder meer het belang van de verzoekende partijen bij de beide middelen. De verwerende partij wijst erop dat voorafgaand aan het bestreden besluit de representatieve organisaties al sinds 2019 bij de voorgenomen overdracht van de dienst Thuiszorg werden betrokken. Dit blijkt uit de notulen van diverse bijzondere onderhandelingscomités en hoge overlegcomités. Deze vakorganisaties hadden dus kennis van het voornemen tot overdracht van de betrokken dienst en kenden de timing ervan. De verzoekende partijen kunnen bijgevolg niet verschalkt zijn door het bestreden besluit. De verwerende partij betoogt tevens dat de afvaardiging van de eerste verzoekende partij op 16 september 2021 zelf heeft gevraagd om een onderhandeling te organiseren en heeft aangegeven dat een protocol moest worden gesloten. Daarbij werd echter niet aangegeven dat deze onderhandeling en het protocol voorafgaand aan het bestreden besluit moest worden georganiseerd. Dat was trouwens onmogelijk, aangezien ruim twee weken eerder het bestreden besluit al was aangenomen. Door pas achteraf om die onderhandeling te vragen, geeft de eerste verzoekende partij zelf aan dat dit geen substantiële vormvoorwaarde uitmaakt die vooraf moest zijn vervuld. De verzoekende partijen gaan volgens de verwerende partij ook eraan voorbij dat voorafgaand aan de datum van de eigenlijke overdracht van de betrokken dienst – 1 januari 2022 – wel degelijk nog onderhandelingen zijn gevoerd, die op 1 december 2021 zijn uitgemond in drie protocollen: één van niet-akkoord en twee van akkoord. De verwerende partij stelt in dat verband: “Dit terwijl over de overdracht as such een protocol totaal niet nodig is en over de arbeidsvoorwaarden en de begeleidende maatregelen, in de mate ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.918 IX-9995-5/15 dat een protocol al nodig zou zijn, op 1 december 2021 zelfs Protocollen van akkoord zijn afgesloten. De verzoekende partijen zijn het dan ook minstens met de overdrachtsovereenkomst en garantie voor de continuïteit van de tewerkstelling en loon- en arbeidsvoorwaarden alsook met de begeleidende maatregelen eens.” 7.2. Met betrekking tot het eerste middel doet de verwerende partij nog gelden dat de verzoekende partijen niet uiteenzetten waarin zij een schending van de artikelen 4 en 5 van het koninklijk besluit van 29 augustus 1985 gelegen zien. Bij gebrek aan duidelijke uiteenzetting daarover acht de verwerende partij het middel in die mate onontvankelijk. 8.1. In de memorie van wederantwoord repliceren de verzoekende partijen met betrekking tot de exceptie over het belang bij het middel als volgt: “Het OCMW van Oostende is klaarblijkelijk de mening toegedaan dat er nog kan onderhandeld worden met het oog op het afsluiten van een protocol nadat de overheidsbeslissing reeds is genomen. Een post-factum onderhandeling is totaal zinloos en bovendien manifest strijdig met artikel 2 Wet van 19 december 1974 waarbij zeer uitdrukkelijk wordt vermeld dat de bevoegde administratieve overheden slechts na onderhandeling een beslissing kunnen nemen. In casu is er onderhandeld geweest (BOC van 1 december 2021) nadat de bestreden beslissing werd genomen. Deze [onderhandeling] heeft geleid tot het afsluiten van en Protocol van niet-akkoord met betrekking tot de overdracht zelf van de dienst Thuiszorg en een Protocol van akkoord over de begeleidende maatregelen. Dergelijke Protocollen [zijn] van nul en generlei waarde, vermits zij werden afgedwongen nadat de bestreden beslissing reeds was genomen.” 8.2. Wat de grond van het middel betreft, dupliceren de verzoekende partijen hun verzoekschrift. Beoordeling 9. In hun verzoekschrift geven de verzoekende partijen aan dat zij het bestreden besluit beschouwen als “grondregelingen in verband met het administratief statuut, als grondregelingen in verband met de bezoldigingsregeling en als grondregelingen in verband met de pensioenregeling in de zin van de artikelen 3, 4 en 5 van het KB van 29 augustus 1985”. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.918 IX-9995-6/15 Het zijn die laatste bepalingen die de voormelde grondregelingen nader bepalen en waarvan de verzoekende partijen ook de schending aanvoeren. Anders dan de verwerende partij het ziet, laten de verzoekende partijen wel verstaan waarin zij een schending van de artikelen 4 en 5 van het koninklijk besluit van 29 augustus 1985 gelegen zien. De exceptie van de verwerende partij faalt bijgevolg. 10. Met artikel 1 van het bestreden besluit, keurt de raad voor maatschappelijk welzijn van de verwerende partij het behoeftenonderzoek van 17 augustus 2021 goed en maakt hij zich de motivering ervan eigen. Hij duidt dat “[e]lk van de in het behoeftenonderzoek opgenomen motieven op zich […] dit besluit [schraagt]”. In artikel 2 van het bestreden besluit neemt de raad voor maatschappelijk welzijn vervolgens kennis van “het beoordelingsverslag van de finale offertes van 17 augustus 2021 en maakt [hij] zich de motivering ervan eigen”. Op grond van dit verslag beslist de raad voor maatschappelijk welzijn dat “de Dienst Thuiszorg aan i-mens wordt overgedragen”. Met artikel 3 van het bestreden besluit, tot slot, keurt de raad voor maatschappelijk welzijn “het ontwerp van overeenkomst tot overdracht van de Dienst Thuiszorg goed” en wordt dit ontwerp “ter ondertekening aan de partijen voorgelegd”. 11. Nergens brengen de verzoekende partijen het behoeften- onderzoek waarvan sprake in artikel 1 van het bestreden besluit, in verband met de grondregelingen waarover met de representatieve vakorganisaties voorafgaand aan enige beslissing moest worden onderhandeld. De middelen zoals ze door de verzoekende partijen zijn ontwikkeld, laten bijgevolg niet toe tot de onwettigheid van het bestreden besluit ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.918 IX-9995-7/15 te concluderen in de mate dat de raad voor maatschappelijk welzijn het behoeftenonderzoek van 17 augustus 2021 goedkeurt. 12. Hetzelfde geldt voor artikel 2 van het bestreden besluit, voor zover de raad voor maatschappelijk welzijn daarin “kennisneemt” van het beoordelingsverslag over de offertes en zich “de motivering ervan eigen [maakt]”, daargelaten nog of het bestreden besluit in die mate als een administratieve rechtshandeling kan worden beschouwd. 13.1. Eveneens in artikel 2 van het bestreden besluit beslist de raad voor maatschappelijk welzijn om de dienst Thuiszorg aan i-mens over te dragen. 13.2. Zoals gezien, beschouwen de verzoekende partijen die overdracht als “grondregelingen in verband met het administratief statuut, als grondregelingen in verband met de bezoldigingsregeling en als grondregelingen in verband met de pensioenregeling in de zin van de artikelen 3, 4 en 5 van het KB van 29 augustus 1985”. Daarmee refereren de verzoekende partijen aan artikel 2, § 1, 1°, litterae a),

  1. b)en c), van de wet van 19 december 1974 en de voormelde bepalingen van het koninklijk besluit van 29 augustus 1985 waarbij die grondregelingen nader worden bepaald. 13.3. Deze bepalingen luiden als volgt: - Artikel 2, § 1, van de wet van 19 december 1974: “Behoudens in de door de Koning bepaalde spoedgevallen en in de andere door Hem bepaalde gevallen, kunnen de bevoegde administratieve overheden niet dan na onderhandeling met de representatieve vakorganisaties in de daartoe opgerichte comités vaststellen: 1° grondregelingen ter zake van:
  2. a)het administratief statuut, met inbegrip van de vakantie- en verlofregeling;
  3. b)de bezoldigingsregeling;
  4. c)de pensioenregeling;
  5. d)de betrekkingen met de vakorganisaties;
  6. e)de organisatie van de sociale diensten. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.918 IX-9995-8/15 De Koning wijst de grondregelingen aan, met opgaaf, hetzij van de daarin behandelde stof, hetzij van de daarin opgenomen bepalingen. Aan de daartoe vast te stellen besluiten gaan de in dit artikel voorgeschreven onderhandelingen vooraf. De grondregelingen die de Koning ter uitvoering van de punten a),
  7. b)en c), van het eerste lid heeft bepaald en die alleen van toepassing zijn op de personeelsleden die onder statutaire regels vallen, zijn van overeenkomstige toepassing op de bij arbeidsovereenkomst in dienst genomen personeelsleden. 2° verordeningsbepalingen welke zij uitvaardigen, algemene maatregelen van inwendige orde en algemene richtlijnen, met het oog op de latere vaststelling van de personeelsformatie of inzake arbeidsduur en organisatie van het werk. De Koning bepaalt wat onder organisatie van het werk dient te worden verstaan in de zin van deze wet. Aan de daartoe vast te stellen besluiten gaan de in dit artikel voorgeschreven onderhandelingen vooraf.” - Artikel 3 van het koninklijk besluit van 29 augustus 1985: “Als grondregelingen in verband met het administratief statuut worden beschouwd, de regels tot vaststelling van: 1° de voorwaarden waaraan men moet voldoen om als personeelslid te worden aangeworven, tot de stage toegelaten of benoemd, met inbegrip van de deelnemingsvoorwaarden voor de eventueel eraan voorafgaande vergelijkende examens, examens of proeven en de regels volgens welke de examens worden georganiseerd en de examenprogramma's worden vastgesteld; 2° de aard en de duur van het dienstverband waarin de personeelsleden staan; 3° de rechten en de plichten van de personeelsleden, de onverenigbaarheden en verbodsbepalingen, evenals de regeling inzake cumulaties met andere ambten, betrekkingen of bezigheden; 4° de tuchtregeling; 5° de maatregelen van orde; 6° de aansprakelijkheid van de personeelsleden; 7° de regeling inzake beoordeling, waardebepaling of enig ander gelijkwaardig rapport; 8° de bepaling, de indeling, de rangschikking en de gelijkwaardigheid van de graden, ambten of functies; 9° de regeling inzake overplaatsing, mobiliteit of enig andere vorm van wedertewerkstelling of beziging van de personeelsleden in andere overheidsdiensten dan die waartoe zij behoren, alsook de regeling van toepassing op personeelsleden die met een opdracht worden belast; 10° de anciënniteitsstelsels; 11° de regeling inzake bevordering, verandering van graad of verhoging in graad, bevordering door overgang naar het hoger niveau en enig ander stelsel van opbouw van de loopbaan, de overgang naar andere al dan niet gespecialiseerde functies, de uitoefening van een hoger ambt en voor het onderwijs, de regeling van de selectie; ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.918 IX-9995-9/15 12° de administratieve standen, de omstandigheden waardoor ze worden bepaald en hun gevolgen op de toestand van de personeelsleden, met inbegrip van de regeling inzake vakantie, verlof of ter beschikkingstelling; 13° de regeling van de deeltijdse arbeid; 14° de regeling volgens welke het dienstverband van de personeelsleden kan worden beëindigd of volgens welke dat dienstverband kan worden onderbroken.” - Artikel 4 van het koninklijk besluit van 29 augustus 1985: “Als grondregelingen in verband met de bezoldigingsregeling worden beschouwd: 1° betreffende de wedden, bezoldigingen, lonen of weddetoelagen van de personeelsleden, de regels tot vaststelling van:
  8. a)het recht op wedde, bezoldiging, loon of weddetoelage, met inbegrip van het recht op verhoging in wedde;
  9. b)de wedde, bezoldiging, loon of weddetoelage, met inbegrip van de vaststelling van de weddeschalen, en de berekening van het bedrag ervan, met inbegrip van de voor hun vaststelling in aanmerking komende periodes;
  10. c)de toekenning van een gewaarborgde wedde, bezoldiging, loon of weddetoelage;
  11. d)de bescherming van de wedde, bezoldiging, loon of weddetoelage;
  12. e)de modaliteiten van de koppeling van de wedde, bezoldiging, loon of weddetoelage aan het indexcijfer van de consumptieprijzen of aan enige andere standaard; 2° betreffende de aan de personeelsleden toegekende toelagen, vergoedingen van alle aard en voordelen in natura, de regels tot vaststelling van:
  13. a)de begunstigden;
  14. b)hun toekenningsvoorwaarden;
  15. c)hun bedrag;
  16. d)hun bescherming;
  17. e)de modaliteiten van de koppeling aan het indexcijfer van de consumptieprijzen of aan enige andere standaard.” - Artikel 5 van het koninklijk besluit van 29 augustus 1985: “Als grondregelingen in verband met de pensioenregeling worden beschouwd, de regels tot vaststelling van: 1° het toepassingsveld; 2° de categorieën rechthebbenden; 3° de pensioengerechtigde leeftijd; 4° de voorwaarden tot opening van het recht op pensioen; 5° de berekeningswijze van het pensioenbedrag, met inbegrip van het in aanmerking te nemen inkomen, de tantièmes en de in aanmerking komende periodes; ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.918 IX-9995-10/15 6° de bescherming van de pensioenen; 7° de modaliteiten van de koppeling aan het indexcijfer van de consumptieprijzen of aan enige andere standaard. 8° de regeling inzake arbeidsongevallen, ongevallen op de weg naar en van het werk en beroepsziekten.” In artikel 2, § 1, van de wet van 19 december 1974 is sprake van “grondregelingen”, “verordeningsbepalingen”, “algemene maatregelen van inwendige orde” en “algemene richtlijnen”. Uit het gebruik van deze terminologie volgt dat worden bedoeld de regelingen met een algemene draagwijdte die tot doel hebben voor een onbepaald aantal gevallen te gelden. Zulks wordt ook in het verslag aan de Koning bij het koninklijk besluit van 29 augustus 1985 in herinnering gebracht: “De wet van 19 december 1974 heeft enkel de procedures van onderhandeling en overleg willen opleggen voor maatregelen van algemene aard en niet voor beslissingen te nemen naar aanleiding van individuele toepassingsgevallen van die algemene reglementering. Teneinde volledig uitsluitsel te geven over de objectieve aard van de aan de comités, in wier oprichting de wet van 19 december 1974 voorziet, voor te leggen maatregelen, heeft men in de inleidende zinsnede van de artikelen van het besluit waarin de grondregelingen worden aangeduid door aanwijzing van materies, gesteld dat het om ‘regels’ gaat en niet om individuele beslissingen.” (BS 2 oktober 1985, p. 14.252) Ook uit de artikelen 3, 4 en 5 van het koninklijk besluit van 29 augustus 1985 blijkt dat als grondregelingen in verband met het administratief statuut, de bezoldigingsregeling en de pensioenregeling slechts worden beschouwd “de regels tot vaststelling” van zekere materies, wat erop wijst dat, om als onderhandelingsmaterie te worden beschouwd, het voorwerp waarover wordt beslist de nodige algemeenheid moet vertonen en niet mag terug te voeren zijn tot één of meer individuele beslissingen of een collectieve beslissing die tot identieke individuele handelingen te herleiden is. 13.4. De hiervóór aangehaalde bepalingen moeten bovendien restrictief worden geïnterpreteerd, aangezien verplichte, voorafgaande syndicale onderhandelingen een remmende werking hebben op de normale gelding van de wet van de veranderlijkheid die het bestuurlijk optreden beheerst. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.918 IX-9995-11/15 13.5. De overdracht van de dienst Thuiszorg is te beschouwen als een maatregel van (re)organisatie van de diensten. De beoordeling van de opportuniteit daarvan berust uitsluitend bij het bestuur. Voor zover het bestreden besluit slechts de overdracht van de betrokken dienst tot voorwerp heeft, valt het niet binnen het toepassingsgebied van de voormelde bepalingen en moest daarover bijgevolg niet worden onderhandeld. 13.6. Om dezelfde reden overtuigen de verzoekende partijen niet ervan dat er sprake is van een schending van de artikelen 23 en 27 van het koninklijk besluit van 28 september 1984 in verband met de termijnregeling en de mededeling van de documentatie in het kader van de onderhandelingen. 13.7. In die mate is het middel niet gegrond. 14.1. De (re)organisatie of overdracht van een dienst is te onderscheiden van het uitwerken van de nadere regels die met een zodanige herschikking van de dienst gepaard gaan. In de mate dat deze regels ook een weerslag hebben op het vlak van het personeel, valt niet uit te sluiten dat deze als onderhandelingsmaterie moeten worden beschouwd. Dat zal, bijvoorbeeld, het geval zijn wanneer de overdracht gepaard gaat met wijzigingen aan de loon- en arbeidsvoorwaarden van het personeel of aan de pensioenregeling. 14.2. Of de overeenkomst tot overdracht van de dienst Thuiszorg – meer bepaald artikel 12 en de daaraan gehechte bijlage 2 ‘Personeelsplan’ – waaraan de raad voor maatschappelijk welzijn met artikel 3 van het bestreden besluit zijn goedkeuring hecht, zelf zodanige regels bevat, mag onbesproken blijven. Zelfs aangenomen dat dit het geval is, moet aan de verzoekende partijen een belang bij de middelen worden ontzegd. 14.3. Immers, op 1 december 2021 hebben de representatieve vakorganisaties – onder wie de eerste verzoekende partij, daarbij vertegenwoordigd door tweede verzoekster – met de verwerende partij een protocol van akkoord gesloten met de volgende strekking: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.918 IX-9995-12/15 “Na onderhandeling ter zake gaan de vakorganisaties eenparig akkoord met de overdrachtsovereenkomst en garanties voor de continuïteit van de tewerkstelling en loon- en arbeidsvoorwaarden mits rekening te houden met de opmerkingen geformuleerd in de notulen van deze vergadering en met het protocol van niet-akkoord met betrekking tot de overdracht van de dienst Thuiszorg.” 14.4. Zoals gezien, is de overdracht van de betrokken dienst geen onderhandelingsmaterie. Het voorbehoud in dat verband heeft, met andere woorden, geen enkele invloed op het “eenparig akkoord” met betrekking tot de overdrachtsovereenkomst zelf en de concrete impact ervan op het personeel. 14.5. Wanneer de verwerende partij in die omstandigheden het belang van de verzoekende partijen bij hun middelen betwist – “[d]e verzoekende partijen zijn het dan ook minstens met de overdrachtsovereenkomst en garantie voor de continuïteit van de tewerkstelling en loon- en arbeidsvoorwaarden alsook met de begeleidende maatregelen eens” – valt het deze verzoekende partijen toe om te verduidelijken dát zij belang hebben bij hun middelen en waarin dat belang dan precies bestaat. 14.6. In de memorie van wederantwoord brengen de verzoekende partijen daartegen alleen in dat “[e]en post-factum onderhandeling […] totaal zinloos [is] en bovendien manifest strijdig met artikel 2 Wet van 19 december 1974” en dat “[d]ergelijke Protocollen van nul en generlei waarde [zijn], vermits zij werden afgedwongen nadat de bestreden beslissing reeds was genomen”. 14.7. Aldus maken de verzoekende partijen wel duidelijk waarin zij de schending van de door hen aangevoerde bepalingen gelegen zien, maar maken zij niet inzichtelijk hoe het niet-naleven van het door hen aangevoerde vormvereiste in de concrete omstandigheden van de zaak hun belangen en die van de personeelsleden die de eerste verzoekende partij vertegenwoordigt, heeft geschaad. De verzoekende partijen betogen wel dat een “post-factum onderhandeling zinloos” is, maar zij maken volstrekt niet aannemelijk dat de onregelmatigheid die zij aanvoeren ook enige invloed heeft gehad op de ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.918 IX-9995-13/15 draagwijdte van het bestreden besluit, bijvoorbeeld, omdat hun onderhandelings- positie op die manier ernstig werd beknot. Integendeel, door zich – zij het nadat de besluitvormingsprocedure haar beslag heeft gehad – alsnog akkoord te verklaren met “de overdrachtsovereenkomst en garanties voor de continuïteit van de tewerkstelling en loon- en arbeidsvoorwaarden”, weerspreken zij die invloed, minstens dat van enige concrete benadeling sprake is. Nu de eerste verzoekende partij – daarbij vertegenwoordigd door tweede verzoekster – over de overdrachtsovereenkomst heeft kunnen onderhandelen en zij zich zonder (relevant) voorbehoud akkoord heeft verklaard met de aan het personeel geboden garanties, valt niet in te zien welk voordeel de verzoekende partijen nog kunnen nastreven om, na een gebeurlijke nietig- verklaring, alsnog over dezelfde voorwaarden opnieuw dezelfde onderhandelingen te mogen voeren, noch maken zij inzichtelijk hoe zij het bestuur na zulke nieuwe onderhandelingen dan tot een andere beslissing zouden willen zien komen. 14.8. Dat de protocollen van 1 december 2021 “van nul en generlei waarde zijn” leiden de verzoekende partijen af uit hun overtuiging dat ze werden “afgedwongen” nadat het bestreden besluit was genomen. Als de verzoekende partijen daarmee bedoelen dat zij de voormelde protocollen onder dwang hebben ondertekend – wat de rechtsgeldigheid ervan in het gedrang zou kunnen brengen – moet de Raad van State vaststellen dat zij daarvan geen enkel bewijs bijbrengen. Dit is des te minder geloofwaardig, nu het precies de verzoekende partijen zélf zijn die bij de verwerende partij erop hebben aangedrongen daarover het vakbondsoverleg op te starten – “Er is tot op vandaag hierover geen protocol gesloten met de vakbonden. Wanneer komt dit aan bod?” – en zij de onderhandelingen over de overdracht zelf met een protocol van niet-akkoord hebben afgesloten. 14.9. Slotsom is dat de verzoekende partijen in die mate zonder belang zijn bij de beide middelen, wat tot de onontvankelijkheid ervan doet besluiten. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.918 IX-9995-14/15 15. De beide middelen zijn deels onontvankelijk, deels ongegrond. 16. Wat voorafgaat, leidt ertoe dat er geen noodzaak bestaat om uitspraak te doen over de door de verwerende partij opgeworpen exceptie, waarin zij de eerste verzoekende partij een gebrek aan belang bij haar beroep verwijt. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De verzoekende partijen worden, elk voor de helft, verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, een bijdrage van 22 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op acht januari tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Jurgen Neuts, staatsraad, Jim Deridder, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Geert Van Haegendoren ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.918 IX-9995-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.261.918 Gerelateerde publicatie(
  18. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.054 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.