← België

Arrest 261920 - Varia (economische zaken) - 08/01/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 januari 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.261.920 Rolnummer: A. 233653/XIV-38701 Zaak: Arrest 261920 - Varia (economische zaken) - 08/01/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-01-13 Raadplegingen: 246 - laatst gezien 2026-06-18 16:03 Fiche Arrest nr 261.920 van 8 januari 2025 Economische zaken - Varia (economische zaken) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 261.920 van 8 januari 2025 in de zaak A. é.653/XIV-38.701 In zake : de NV S. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Frederik Vanden Bogaerde kantoor houdend te 8830 Hooglede Bruggesteenweg 315 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Francine Lemaire kantoor houdend te 1070 Brussel René Berrewaertslaan 34 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 7 mei 2021, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van het Vlaams Agentschap voor Innoveren & Ondernemen van 8 maart 2021, waarbij de aanvraag van de verzoekende partij tot het bekomen van een ecologiepremie wordt afgewezen. II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij arrest nr. 259.178 van 19 maart 2024 werd het debat heropend en werd het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat gelast met het aanvullend onderzoek. Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een aanvullend verslag opgesteld. XIV-38.701-1/18 De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 9 oktober 2024. Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. Advocaat Ruben Dewiele, die loco advocaat Frederik Vanden Bogaerde verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Francine Lemaire, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3. In arrest nr. 259.178 van 19 maart 2024 worden de feiten uiteengezet. Er wordt naar verwezen. IV. Ontvankelijkheid - Rechtsmacht van de Raad van State Standpunt van de partijen 4. In het hiervoor in punt 3 genoemde tussenarrest zijn de standpunten van de partijen weergegeven. Er wordt naar verwezen. XIV-38.701-2/18 5. Hieraan dient nog toegevoegd dat de verzoekende partij in haar laatste memorie na het aanvullend auditoraatsverslag, herbevestigt dat zij verzoekt de bestreden beslissing te vernietigen “op grond van machtsoverschrijding wegens de onwettigheid van de motivatie van de bestreden beslissing en wegens het gebrek aan bevoegdheid van de ambtenaar die de beslissing heeft genomen,” waarbij wordt verwezen naar de ingeroepen middelen wat de tweede connexe voorwaarde betreft. Wat die tweede connexe voorwaarde betreft, meent de verzoekende partij dat zowel het eerste als het tweede middel onder de rechtsmacht van de Raad van State vallen. Inzake het eerste middel wordt vastgesteld dat de bestreden beslissing is genomen door een onbevoegde ambtenaar, zodat in die zin de bestreden beslissing aldus is aangetast door machtsoverschrijding. De gegrondheid van een beroep wegens machtsoverschrijding is weldegelijk een objectief beroep. Het tweede middel betreft de onwettigheid van de motivering van de bestreden beslissing, hetgeen ook een objectief beroep betreft. Beoordeling 6. Uit de artikelen 144, eerste lid, en 145 van de Grondwet volgt dat de geschillen over subjectieve rechten – altijd, wat de geschillen over burgerlijke rechten betreft, en in principe, wat de geschillen over politieke rechten betreft – tot de rechtsmacht van de hoven en rechtbanken behoren. Onder voorbehoud van een toewijzing van bevoegdheid inzake politieke rechten, is de Raad van State dan ook zonder rechtsmacht om kennis te nemen van beroepen tot nietigverklaring waarvan het werkelijke en rechtstreekse voorwerp een geschil over subjectieve rechten betreft. De bevoegdheid van de Raad van State wordt aldus bepaald door het werkelijke en rechtstreekse voorwerp van het beroep tot nietigverklaring (Cass. (verenigde kamers) 19 februari 2015, C.14.0308.N) (ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150219.8). 7. In het tussenarrest nr. 259.166 van 19 maart 2024 is gewezen op de arresten nrs. 257.891, 257.892 en 257.893 van 14 november 2023 waarin de XIV-38.701-3/18 algemene vergadering van de afdeling Bestuursrechtspraak heeft bevestigd dat de Raad van State op grond van de artikelen 144 en 145 van de Grondwet zonder rechtsmacht is wanneer de vordering strekt tot de nietigverklaring van een administratieve rechtshandeling waarbij (

  1. i)een administratieve overheid weigert om een verplichting uit te voeren die overeenstemt met een subjectief recht waarover de verzoekende partij meent te beschikken en (
  2. ii)het ingeroepen annulatiemiddel steunt op een regel van materieel recht die deze verplichting in het leven roept en het geschil inhoudelijk bepaalt (Cass. (verenigde kamers) 27 november 2020, C.17.0114.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201127.REUN.2 en de conclusie van eerste advocaat-generaal R. Mortier (ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20201127); zie eveneens Cass. (verenigde kamers) 8 september 2016, C.11.0455.F ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160908.8 en de conclusie van advocaat-generaal Th. Werquin (ECLI:BE:CASS:2016:CONC.20160908.8). Hieruit volgt derhalve dat de Raad van State zonder rechtsmacht is wanneer aan twee (connexe) voorwaarden is voldaan waarbij niet alleen acht moet worden geslagen op het voorwerp van de vordering (het petitum) maar ook op het aangevoerde middel (de causa petendi). De eerste voorwaarde houdt verband met het voorwerp van het beroep, met datgene wat wordt gevorderd, namelijk de erkenning of de vaststelling van het bestaan van een subjectief recht in hoofde van de rechtzoekende, aangezien hij voldoet aan alle voorwaarden waarvan het objectief recht deze aanspraak afhankelijk maakt. De eerste voorwaarde is alleen maar vervuld wanneer de bevoegdheid van de administratie volledig gebonden is (zie de conclusie van advocaat-generaal Th. Werquin voor Cass. (verenigde kamers) 11 juni 2010, AR C.09.0336.F ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100611.6, AC 2010, nr. 418 (ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100611.6); conclusie van eerste advocaat-generaal R. Mortier voor Cass. (verenigde kamers) 27 november 2020, C.17.0114.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201127.REUN.2). De tweede voorwaarde heeft betrekking op de middelen die tot staving van het annulatieverzoek worden aangevoerd. De Raad van State heeft geen rechtsmacht wanneer het aangevoerde annulatiemiddel wordt afgeleid uit de schending van de rechtsregel welke die verplichting vestigt (zie de conclusie van XIV-38.701-4/18 eerste advocaat-generaal R. Mortier voor Cass. (verenigde kamers) 27 november 2020, C.17.0114.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201127.REUN.2). Het is daarbij niet voldoende dat een annulatiemiddel de Raad van State in het raam van het wettigheidstoezicht incidenteel of onrechtstreeks verplicht om uitspraak te doen over het bestaan of over de draagwijdte van een subjectief recht om te beslissen tot de afwezigheid van rechtsmacht van de Raad van State (zie Cass. (verenigde kamers) 11 juni 2010, AR C.09.0336.F ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100611.6, AC 2010, nr. 418; evenals de conclusie van advocaat-generaal C. Vandewal voor Cass. (verenigde kamers) 19 februari 2015, C.14.0369.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150219.9 (ECLI:BE:CASS:2015:CONC.20150219.9) en van eerste advocaat-generaal R. Mortier voor Cass. (verenigde kamers) 27 november 2020, C.17.0114.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201127.REUN.2). Opdat er sprake zou zijn van een vordering op grond van een subjectief recht, en dus van een gebrek aan rechtsmacht van de Raad van State, is vereist dat een verzoekende partij zich beroept op een welbepaalde juridische verplichting die een regel van objectief recht rechtstreeks aan een derde oplegt en bij de nakoming waarvan die verzoekende partij belang heeft. Opdat een verzoekende partij zich op een dergelijk recht zou kunnen beroepen ten aanzien van de bestuurlijke overheid, dient de bevoegdheid van die overheid volledig gebonden te zijn (Cass. (verenigde kamers) 20 december 2007 (2 arresten), C.06.0574.F ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071220.10 (ECLI:BE:CASS:2007:CONC.20071220.10) en C.06.0596.F (ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071220.11)). De Raad van State blijft bevoegd wanneer het ontstaan van het subjectief recht afhangt van een voorafgaande beslissing van de administratieve overheid, die wat die beslissing betreft over een discretionaire bevoegdheid beschikt, ook al is haar bevoegdheid op bepaalde vlakken gebonden (Cass. (verenigde kamers) 19 februari 2015, C.14.0369.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150219.9). Het gegeven dat de administratieve overheid de wettelijke en reglementaire criteria die aan haar bestuurshandelen ten grondslag liggen moet interpreteren, noch het gegeven dat zij ertoe wordt verplicht feiten juridisch te kwalificeren, leidt ertoe dat zij een discretionaire bevoegdheid uitoefent of dat er XIV-38.701-5/18 niet langer sprake zou zijn van een op haar rustende juridische verplichting en een daarmee overeenstemmend subjectief recht in hoofde van de rechtzoekende. 8. Uit wat voorafgaat volgt dat in de eerste plaats moet worden nagegaan of de verwerende partij bij het nemen van de bestreden beslissing over enige discretionaire beoordelingsbevoegdheid beschikte, dan wel slechts over een (volledig) gebonden bevoegdheid en in dat opzicht slechts heeft moeten vaststellen of de reglementair vastgestelde voorwaarden, zoals zij die als overheid interpreteert, vervuld waren. Voorts echter moet bij de beoordeling van het werkelijk en rechtstreeks voorwerp van de vordering eveneens acht worden geslagen op de door de verzoekende partij ‘ingeroepen middelen en vermeende onwettigheden’ (de causa petendi). A. Wat de eerste connexe voorwaarde (het petitum) betreft 9. In het eerdergenoemde tussenarrest nr. 259.178 van 19 maart 2024, punt 13, heeft de Raad van State geoordeeld, wat het voorwerp van de vordering betreft, dat “de verwerende partij bij het nemen van de bestreden beslissing over een volledig gebonden bevoegdheid beschikt en in dat opzicht slechts heeft moeten vaststellen of de door de regelgever vastgestelde voorwaarden, zoals zij die als overheid interpreteert, vervuld waren”, wat betekent dat de verwerende partij bij het nemen van de bestreden beslissing over een volledig gebonden bevoegdheid beschikt en, derhalve, de eerste connexe voorwaarde te dezen is vervuld. 10. In datzelfde arrest is nog geoordeeld dat in de mate de verzoekende partij aanvoert dat zij door deze nietigverklaring een herstel in de stand van zaken vóór de bestreden beslissing beoogt en het voorwerp van haar vordering de vernietiging van de bestreden beslissing betreft op grond van machtsoverschrijding/machtsafwending wegens de onwettigheid van de motieven van de bestreden beslissing en wegens het gebrek aan bevoegdheid van de ambtenaar die de beslissing heeft genomen - wat volgens haar een objectief beroep XIV-38.701-6/18 betreft waarvoor de Raad van State rechtsmacht heeft -, verwijst zij in wezen naar de door haar ingeroepen middelen, hetgeen de tweede connexe voorwaarde betreft. Met het oog op de beoordeling van het al dan niet vervuld zijn van de tweede connexe voorwaarde werd bij het genoemde tussenarrest het debat heropend. Hierna wordt derhalve – alvorens te kunnen besluiten of de exceptie wegens gebrek aan rechtsmacht kan worden ingewilligd – nog nagegaan of ook de tweede connexe voorwaarde is vervuld. In de mate dat de verzoekende partij immers in haar laatste memorie na het aanvullend verslag nog kritiek heeft, c.q. haar kritiek herneemt, stoot die op het gezag van gewijsde van het tussenarrest nr. 259.178 van 19 maart 2024 en is die derhalve niet-ontvankelijk. B. Wat de tweede connexe voorwaarde (de causa petendi) betreft B.1 Vooraf 11. Zoals hiervoor is gebleken, heeft de tweede voorwaarde betrekking op de ‘ingeroepen middelen en vermeende onwettigheden’ die tot staving van het vernietigingsberoep worden aangevoerd. Opdat een (betwisting over een) subjectief recht zou voorliggen, is vereist dat een verzoekende partij zich beroept op een welbepaalde juridische verplichting die een regel van objectief recht rechtstreeks aan een derde, te dezen de verwerende partij oplegt, en bij de nakoming waarvan de verzoekende partij belang heeft. Uit de hiervoor in punt 7 aangehaalde arresten van de algemene vergadering volgt dat niet elk annulatiemiddel onder de rechtsmacht van de Raad van State valt. XIV-38.701-7/18 12. Het ontbreken van een belang in hoofde van de verzoekende partij bij de nakoming van de door de toepasselijke regelgeving aan de verwerende partij opgelegde welbepaalde juridische verplichting, brengt daarentegen mee dat geen betwisting over een subjectief recht kan voorliggen. Aldus, wanneer in een middel op grond van artikel 159 van de Grondwet de onwettigheid wordt aangevoerd van het reglementair besluit waarop de bestreden beslissing is gesteund, bijvoorbeeld omwille van de onbevoegdheid van de steller ervan, dan kan de Raad van State kennis nemen van het beroep omdat hij zich dan niet uitspreekt over het bestaan of de omvang van een subjectief recht. 13. Wanneer daarentegen het beroep strekt tot de nietigverklaring van een administratieve rechtshandeling waarbij een administratieve overheid weigert om een verplichting uit te voeren die overeenstemt met een subjectief recht van de verzoekende partij en het ingeroepen annulatiemiddel is gebaseerd op de schending van een regel van materieel recht die deze juridische verplichting in het leven roept en, aldus, het geschil inhoudelijk bepaalt, is de Raad van State zonder rechtsmacht. Het is daarbij evenwel niet voldoende dat een annulatiemiddel de Raad van State in het raam van het wettigheidstoezicht incidenteel of onrechtstreeks verplicht om uitspraak te doen over het bestaan of over de draagwijdte van een subjectief recht om te beslissen tot de afwezigheid van rechtsmacht van de Raad van State. B.2. Uiteenzetting van de annulatiemiddelen (de causa petendi) 14. Te dezen voert de verzoekende partij in het verzoekschrift twee middelen aan, die zij in de memorie van wederantwoord herneemt. 15. Het eerste middel betreft de onbevoegdheid van de ambtenaar die de bestreden beslissing heeft genomen. De bestreden beslissing is niet genomen door het hoofd van het agentschap ‘Innoveren en Ondernemen’, wat XIV-38.701-8/18 volgens haar strijdt met artikel 15/1 van het ministerieel besluit van 24 januari 2011 ‘tot uitvoering van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 december 2010 tot toekenning van steun aan ondernemingen voor ecologie-investeringen in het Vlaamse Gewest’ (hierna: het besluit van 17 december 2010), luidens hetwelk het hoofd van het voornoemde agentschap de beslissingsbevoegdheid heeft over de steuntoekenning, zonder dat die bepaling voorziet in een delegatie of subdelegatie. In dit middel werpt de verzoekende partij niet de onwettigheid op van de in de genoemde bepaling geregelde beslissingsbevoegdheid, maar voert zij daarentegen aan dat de bestreden beslissing deze bevoegdheidstoekenning miskent. Aldus beoogt zij in wezen een (volgens haar) (grond)wetsconforme interpretatie én toepassing van die reglementaire bepaling te verkrijgen waardoor zij aanspraak kan maken – wat meteen het door de verzoekende partij beoogde voordeel en haar belang is bij het voorliggende beroep – op een ecologiepremie. Aldus is dit middel afgeleid uit de schending van een regel van materieel recht die de beslissingsbevoegdheid bepaalt van de administratieve overheid om een verplichting (om aan de verzoekende partij de gevraagde premie toe te kennen zoals blijkt uit de beoordeling van de eerste connexe voorwaarde) te nemen en die het geschil inhoudelijk mede bepaalt. Aldus opgevat, komt het eerste middel onmiskenbaar neer op een betwisting over de juiste toepassing van de (materiële) rechtsregel(
  3. s)welke de welbepaalde juridische verplichting (en het ermee onlosmakelijk verbonden subjectief recht) in het leven roepen en het geschil inhoudelijk bepalen, waarvoor de Raad van State evenwel niet bevoegd is. Het verkrijgen van die premie, na de door de verzoekende partij voorgehouden ((grond)wetsconforme) interpretatie van de toe te passen reglementaire voorschriften inzake de beslissingsbevoegdheid tot het toekennen van die premie, is en blijft het rechtstreeks en werkelijk voorwerp van haar vordering en het voordeel dat zij met het voorliggende beroep nastreeft, waarvoor de Raad van State echter geen rechtsmacht heeft. De beoordeling van dit middel ontsnapt aldus aan de rechtsmacht van de Raad van State. XIV-38.701-9/18 16. Het tweede middel wordt ontleend aan “machtsoverschrijding/machtsafwending wegens onwettigheid van de motivatie van de bestreden beslissing.”. In dat middel heeft de verzoekende partij kritiek op het motief van de bestreden beslissing dat de ecologie-investeringen op zijn vroegst mogen starten na de indieningsdatum van de steunaanvraag. Zij bevindt dat zowel feitelijk als juridisch onjuist. In wat als een eerste onderdeel kan worden beschouwd, oefent de verzoekende partij kritiek uit op de feitelijke juistheid van het motief dat de leasingscontracten die zij voorlegde, zouden dateren van vóór de indieningsdatum van de steunaanvraag. In dit middelonderdeel bekritiseert de verzoekende partij de juistheid van de motieven van de bestreden beslissing en voert aldus de schending aan van de materiëlemotiveringsplicht. Deze schending heeft rechtstreeks betrekking op of wordt rechtstreeks afgeleid uit de schending van een regel van materieel recht die de gebonden bevoegdheid van de verwerende partij en dus de daarmee overeenstemmende subjectieve rechten van de verzoekende partij vestigen. Zij heeft immers rechtstreeks betrekking op de vraag of de eis vervat in artikel 11, tweede lid, van het besluit van 17 december 2010, namelijk dat de ecologie-investeringen op zijn vroegst mogen starten na de indieningsdatum van de steunaanvraag, al dan niet is vervuld. Aldus geconstrueerd, is dit een middelonderdeel afgeleid uit de schending van een regel van materieel recht die een verplichting (om aan de verzoekende partij de gevraagde premie toe te kennen) in het leven roept en die het geschil inhoudelijk mede bepaalt. De verzoekende partij voert immers aan dat, naar haar oordeel, de voornoemde bepaling feitelijk niet correct is toegepast en zij doet aldus in wezen gelden dat, indien die bepaling wordt toegepast op de, naar haar oordeel, correcte wijze, zou moeten worden vastgesteld dat zij wel degelijk aanspraak maakt op de gevraagde premie. Het verkrijgen van die premie, na de door de verzoekende partij voorgehouden correcte toepassing van het voornoemde reglementaire voorschrift, is en blijft het rechtstreeks en werkelijk voorwerp van XIV-38.701-10/18 haar vordering en het voordeel dat zij met het voorliggende beroep nastreeft, waarvoor de Raad van State echter geen rechtsmacht heeft. 17. In wat als een tweede onderdeel van het tweede middel kan worden beschouwd, voert de verzoekende partij aan dat binnen het kader van de delegatie die artikel 5 van het decreet van 16 maart 2012 ‘betreffende het economisch ondersteuningsbeleid’ (hierna: het decreet van 16 maart 2012) verleent aan de Vlaamse regering, deze niet wettig kon beslissen om een regel in te voeren die het bekomen van een ecologiepremie koppelt aan de voorwaarde dat de aanvraag van de premie moet dateren van voor de investeringsaanvraag. Zij vraagt dan ook om het artikel 11, tweede lid, van het besluit van de Vlaamse regering van 17 december 2010 als zonder decretale grondslag te beschouwen en derhalve “voor recht te zeggen dat deze voorwaarden onbestaande is met de delegatie die aan de Vlaamse regering werd gegeven.” In het licht van dit middelonderdeel en de daarmee bestreden (vooralsnog vermeende) onwettigheid, moet worden besloten dat het voorliggende beroep er daadwerkelijk toe strekt om, na toepassing van artikel 159 van de Grondwet, de bestreden subsidiebeslissing vernietigd te zien omdat zij steunt op een onwettige reglementaire bestuurshandeling die buiten toepassing moet worden gelaten. In de veronderstelling dat het door de verzoekende partij aangevoerde middelonderdeel gegrond zou worden bevonden, zal het kwestieuze artikel 11, tweede lid, van het besluit van de Vlaamse regering van 17 december 2010) inderdaad (inter partes) buiten toepassing moeten worden gelaten omwille van de aangevoerde onwettigheid ervan. Daarop aansluitend zal de bestreden subsidiebeslissing moeten worden vernietigd bij gebrek aan rechtsgrond. In die omstandigheden komt het evenwel, omwille van de rechtszekerheid en de in acht te nemen zorgvuldigheid, de verwerende partij – en enkel de verwerende partij – toe om zich over de onwettig bevonden reglementaire bepaling(
  4. en)te beraden en deze – rekening houdende met het gezag van gewijsde van het uit te spreken arrest –, op te heffen of anderszins te wijzigen, zonder dat de verzoekende partij aanspraak zou kunnen maken op een subjectief recht op overheidssteun op grond van het genoemde besluit van 17 december 2010. In die omstandigheden treedt de Raad XIV-38.701-11/18 van State, anders dan de verwerende partij dat in haar laatste memorie ziet, niet in de plaats van het bestuur doch laat deze haar discretionaire beleidsruimte onverlet. De beoordeling van het tweede middelonderdeel waarin de onwettigheid wordt aangevoerd van het reglementair besluit waardoor de bestreden subsidiebeslissing zonder rechtsgrond zou komen te vallen, houdt derhalve niet in dat de Raad van State zich uitspreekt over het bestaan of de omvang van een subjectief recht. 18. Uit wat voorafgaat volgt dat de vordering van de verzoekende partij tot het objectief contentieux hoort, wat de beoordeling van het tweede middelonderdeel van het tweede middel betreft, zodat de Raad van State in zoverre over de vereiste rechtsmacht beschikt. De exceptie van het gebrek aan rechtsmacht is voor het overige gegrond. De navolgende beoordeling beperkt zich derhalve tot het tweede onderdeel van het tweede middel. V. Onderzoek van het tweede middelonderdeel van het tweede middel Uiteenzetting van het middel 19. De verzoekende partij voert in het tweede middelonderdeel van het verzoekschrift aan, wat zij herhaalt in de memorie van wederantwoord, dat artikel 1, 7° en artikel 11, tweede lid, van het besluit van 17 december 2010, dat de bestreden beslissing tot rechtsgrond strekt, buiten toepassing moet worden gelaten omdat op grond van de delegatie die door het decreet van 16 maart 2012 wordt gegeven aan de Vlaamse regering, deze niet wettig kon beslissen om een regel in te voeren die het bekomen van een ecologiepremie koppelt aan de voorwaarde dat de aanvraag van de premie moet dateren van voor de investering als voorzien in artikel 1, 7° en 11, tweede lid, van het besluit van de Vlaamse regering van XIV-38.701-12/18 17 december 2010. Zij doet gelden dat op grond van artikel 5 van het decreet van 16 maart 2012 de bevoegdheid aan de Vlaamse regering wordt gedelegeerd om een besluit te nemen betreffende de voorwaarden voor de toekenning van de subsidie en om te bepalen wanneer er sprake is van een stimulerend effect van die steun. Volgens haar kan niet worden geargumenteerd dat het stimulerend effect afhangt van een louter element als zijnde de datum van ondertekening van een leasingsovereenkomst, “zeker niet als deze datum nauwelijks enkele dagen voor de subsidieaanvraag gelegen is.” In haar laatste memorie na het aanvullend verslag herneemt de verzoekende partij het middel en benadrukt zij dat de delegatiebepaling te algemeen en te onduidelijk is geformuleerd en dat die minstens moet worden aangevuld met de vermelding van de voorwaarden waaronder de Vlaamse regering de aldus gedelegeerde bevoegdheden kan uitoefenen. Beoordeling 20. Het past om hierna aan te halen hetgeen in het tussenarrest nr. 259.178 van 19 maart 2024 is gesteld inzake de rechtsgrond van het besluit van 17 december 2010, zoals het gold voor de opheffing ervan op 1 juli 2024 door het besluit van de Vlaamse regering van 19 april 2024 ‘tot toekenning van steun aan ondernemingen voor ecologie-uitgaven’ en zoals het te dezen van toepassing is: “Het besluit van de Vlaamse regering van 17 december 2010 genomen in uitvoering van het decreet van 31 januari 2003, ontleende initieel rechtsgrond aan de artikelen 13 en 15, § 2, van dat decreet, op grond waarvan de Vlaamse regering steun kan verlenen aan ondernemingen voor ecologie-investeringen in het Vlaamse Gewest, onder de voorwaarden vermeld in dat decreet en de uitvoeringsbesluiten en zij ook de voorwaarden bepaalt waaronder aan de voorgaande investeringsprojecten steun kan worden verleend. Door de opheffing van het decreet van 31 januari 2003 door het decreet van 16 maart 2012, ontleent het besluit van 17 december 2010 van de Vlaamse regering, zoals aangepast bij besluit van de Vlaamse regering van 16 november 2012 ‘tot wijziging van diverse bepalingen van het besluit van de Vlaamse regering van 17 december 2010 tot toekenning van steun aan ondernemingen voor ecologie- investeringen in het Vlaamse Gewest’, ter afstemming op het decreet van 16 maart 2012, rechtsgrond aan artikel XIV-38.701-13/18 14, eerste lid, van laatst vermeld decreet, op grond waarvan de Vlaamse regering steun kan verlenen aan ondernemingen voor ecologie-investeringen in het Vlaamse Gewest onder de voorwaarden, vermeld in de algemene groepsvrijstellingsverordening, dit decreet en de uitvoeringsbesluiten. Luidens de memorie van toelichting verwijst het eerste lid van artikel 14 naar de algemene groepsvrijstellingsverordening, naar het decreet (van 16 maart 2012) en zijn uitvoeringsbesluiten, wat impliceert dat de maximale steunpercentages opgenomen in de algemene groepsvrijstellingsverordening van toepassing zijn en de Vlaamse regering, gelet op de praktische werkbaarheid van het economische ondersteuningsbeleid, met de nadere regeling van de steunmogelijkheid wordt belast, rekening houdend met de maximale steunintensiteiten. (Parl. St. Vl. Parl., 2011-2012, 1411/1, 9). Tevens bepaalt artikel 5 van het decreet van 16 maart 2012 dat er alleen steun kan worden verleend als die een stimulerend effect heeft en dat de Vlaamse regering bepaalt wanneer aan die voorwaarde is voldaan. Luidens de memorie van toelichting is deze verplichting belangrijk voor de beoordeling van de verenigbaarheid van de steun door de Europese Commissie. Niet alleen mag een begunstigde nog niet gestart zijn met de investering vooraleer de steun werd aangevraagd, er moet bovendien aangetoond worden dat de steun leidt tot een extra inspanning vanwege de begunstigde. Deze voorwaarde geldt bovendien voor alle vormen van steun en is generiek van toepassing, gelet op artikel 8 van de algemene groepsvrijstellingsverordening. (Parl. St. Vl. Parl., 2011-2012, 1411/1, p. 7). Voorts kan in die memorie van toelichting nog worden gelezen dat het (ontwerp van) decreet ‘op zich ook geen directe rechtsgrond voor steun [vormt]’. Het komt de Vlaamse regering toe ‘een beslissing te nemen omtrent de modaliteiten waarbinnen steun zal worden toegekend’, met dien verstande dat het aangewezen is dat de Vlaamse regering ‘theoretisch over alle mogelijkheden kan beschikken om snel steun te verlenen indien dit wenselijk zou zijn’ (Parl. St. Vl. Parl., 2011-2012, 1411/1, 4-5). 11. Het te dezen toepasselijke besluit van de Vlaamse regering van 17 december 2010 legt de algemene voorwaarden (artikelen 5 tot 12) vast waaraan een aanvrager moet voldoen om ecologie-steun te verkrijgen, alsook de omvang van het bedrag van deze steun. Artikel 11 van het voornoemde besluit bepaalt: ‘Art. 11. De toegekende steun moet een stimulerend effect hebben. Dat betekent dat de ecologie-investeringen op zijn vroegst mogen starten op de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin de steunaanvraag wordt ingediend. De steun vervalt volledig als de ecologie-investeringen starten voor de dag, vermeld in het tweede lid.’ De notie ‘start van de ecologie-investeringen’ wordt door artikel 1, 7°, van het besluit van de Vlaamse regering van 17 december 2010 omschreven als zijnde ‘de vroegste datum, hetzij van de eerste factuur, hetzij van de akte bij verwerving van een onroerend goed, hetzij van de leasingovereenkomst’.” XIV-38.701-14/18 Artikel 8, lid 2, van de verordening (EG) nr. 800/2008 van de Commissie van 6 augustus 2008 ‘waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag met de gemeenschappelijke markt verenigbaar worden verklaard’ (“de algemene groepsvrijstellingsverordening”), waarnaar hiervoor wordt verwezen, luidde: “Artikel 8 Stimulerend effect 1. Door deze verordening wordt enkel steun vrijgesteld die een stimulerend effect heeft. 2. De onder deze verordening vallende kmo-steun wordt geacht een stimulerend effect te hebben wanneer de begunstigde voordat de werkzaamheden aan het project of de activiteit zijn begonnen, een steunaanvraag bij de betrokken lidstaat heeft ingediend.” De voornoemde verordening is opgeheven door de verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 ‘waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard’. Artikel 6 van die verordening heeft die bepaling hernomen. Het artikel luidt thans: “Artikel 6 Stimulerend effect 1. Deze verordening is slechts van toepassing op steun die een stimulerend effect heeft. 2. Steun wordt geacht een stimulerend effect te hebben wanneer de begunstigde ervan, voordat de werkzaamheden aan het project of de activiteit aanvangen, bij de betrokken lidstaat een schriftelijke steunaanvraag heeft ingediend. De steunaanvraag bevat ten minste de volgende gegevens:
  5. a)de naam en de grootte van de onderneming;
  6. b)een beschrijving van het project, met inbegrip van de aanvangs- en einddatum;
  7. c)de locatie van het project;
  8. d)een lijst van de projectkosten, en
  9. e)het soort steun (subsidie, lening, garantie, terugbetaalbaar voorschot, kapitaalinjectie enz.) en het bedrag aan overheidsfinanciering dat voor het project nodig is. […].” 21. Artikel 11 van het besluit van 17 december 2010 vindt aldus rechtsgrond in artikel 5 van het decreet van 16 maart 2012 dat de Vlaamse XIV-38.701-15/18 Regering opdraagt om te bepalen wanneer is voldaan aan de voorwaarde inzake het stimulerend effect van de steun. De verzoekende partij betwist in het middelonderdeel het invoeren van een regel “die het bekomen van de ecologiepremie koppelt aan de voorwaarde dat de aanvraag van de premie moet dateren [van] vòòr de investering als voorzien in artikel 1, 7° en 11, tweede lid, van het besluit van de Vlaamse regering van 17 december 2010”. Deze grief wordt om de volgende redenen niet bijgevallen. Aangezien de geregelde aangelegenheid niet door de Grondwet noch door de bijzondere wet van 8 augustus 1980 ‘tot hervorming der instellingen’ aan de decreetgever is voorbehouden, staat het aan de decreetgever te dezen om gebruik te maken van de vrijheid om te beslissen of hijzelf die aangelegenheid regelt, dan wel of hij het aan de uitvoerende macht overlaat om een regeling vast te stellen. Het staat in beginsel derhalve aan de decreetgever om in die aangelegenheden te beoordelen of zulk een regelgevende machtiging aan de uitvoerende macht al dan niet aan beperkingen dient te worden onderworpen (Zie ook: GwH 15 januari 2009, nr. 8/2009 (ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.008), B.6.2; GwH 8 maart 2012, nr. 36/2012, punt B.6.1 (ECLI:BE:GHCC:2012:ARR.036); GwH 18 juli 2013, nr. 107/2013, punt B.10.2 (ECLI:BE:GHCC:2013:ARR.107); GwH 11 juni 2015, nr. 86/2015, punt B.8 (ECLI:BE:GHCC:2015:ARR.086); GwH 28 april 2016, nr. 56/2016, punt B.14.4 (ECLI:BE:GHCC:2016:ARR.056); GwH 28 april 2016, nr. 57/2016, punt B.24 (ECLI:BE:GHCC:2016:ARR.057); GwH 9 juni 2016, nr. 89/2016, punt B.6.3 (ECLI:BE:GHCC:2016:ARR.089); GwH 22 september 2016, nr. 118/2016, punt B.4. ECLI:BE:GHCC:2016:ARR.118)). Derhalve en anders dan hoe de verzoekende partij het ziet, belet de in artikel 5 van het decreet van 16 maart 2003 bepaalde delegatie aan de Vlaamse regering op zich niet dat deze, in uitvoering van die delegatie, het bekomen van een ecologiepremie koppelt aan de voorwaarde dat de aanvraag van XIV-38.701-16/18 de premie moet dateren van vòòr de investering. In de mate de verzoekende partij meent, hierbij gedeeltelijk citerend uit het advies van de afdeling Wetgeving van de Raad van State nr. 33.054/1 van 4 april 2002 bij het decreet van 31 januari 2003 ‘betreffende het economisch ondersteuningsbeleid’, dat de betrokken delegatiebepalingen te algemeen of te onduidelijk zijn geformuleerd om zulks te bepalen, gaat zij in haar argumentatie evenwel voorbij aan het gegeven dat zij zich beroept op een standpunt dat dateert van voor de hiervoor door de rechtspraak van het Grondwettelijk hof ingenomen argumentatie inzake delegatie in niet-voorbehouden aangelegenheden. Zij betrekt die nuanceringen aangebracht door het Grondwettelijk Hof niet in haar grief. Te dezen kan – en al zeker in het licht van de verplichtingen die volgen uit het Unierecht – het bepalen van de in artikel 11, tweede lid, van het besluit van 17 december 2010 vervatte voorwaarde derhalve worden ingepast in de hiervoor aangehaalde decretale rechtsgrond(en). 22. In de mate dat de verzoekende partij in haar laatste memorie na het aanvullend verslag ook kritiek uitoefent op de wettigheid van de decretale delegatie(
  10. s)waaraan de betwiste voorwaarde uitvoering geeft, is die kritiek laattijdig en derhalve niet ontvankelijk en zulks los van de vaststelling dat die kritiek op de decretale bepaling hoe dan ook ontsnapt aan de beoordelingsbevoegdheid van de Raad van State. 23. Het tweede middelonderdeel is ongegrond. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. XIV-38.701-17/18 2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op acht januari tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Kaat Leus, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Geert Debersaques XIV-38.701-18/18 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.261.920 Gerelateerde publicatie(
  11. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.178 citeert: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071220.10 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071220.11 ECLI:BE:CASS:2007:CONC.20071220.10 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100611.6 ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100611.6 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150219.8 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150219.9 ECLI:BE:CASS:2015:CONC.20150219.9 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160908.8 ECLI:BE:CASS:2016:CONC.20160908.8 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201127.REUN.2 ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.008 ECLI:BE:GHCC:2012:ARR.036 ECLI:BE:GHCC:2013:ARR.107 ECLI:BE:GHCC:2015:ARR.086 ECLI:BE:GHCC:2016:ARR.056 ECLI:BE:GHCC:2016:ARR.057 ECLI:BE:GHCC:2016:ARR.118 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.