← België

Arrest 261929 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 09/01/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 januari 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.261.929 Rolnummer: A. 243421/VII-42699 Zaak: Arrest 261929 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 09/01/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-01-14 Raadplegingen: 77 - laatst gezien 2026-06-17 03:25 Fiche Arrest nr 261.929 van 9 januari 2025 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Inwilliging tussenkomst Wraking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr.261.929 van 9 januari 2025 in de zaak A. 243.421/VII-42.699 In zake : N.T. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Christophe Desenfans kantoor houdend te 1030 Brussel Eugène Plaskysquare 92-94/2 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN, kantoor houdend te 1070 Brussel Ernest Blerotstraat 39 Tussenkomende partij: K.A. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Thomas Eyskens en Laure Vander Donckt kantoor houdend te 1000 Brussel Bisschofsheimlaan 33 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. Het verzoekschrift, ingediend bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op 28 oktober 2024 en door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verzonden naar de Raad van State op 29 oktober 2024, strekt tot de wraking van rechter K.A. in een beroepsprocedure bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, aldaar gekend onder nr. 323.433, die was ingesteld door verzoeker tegen een beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 2 augustus
  2. VII-42.699-1/10 II. Verloop van de rechtspleging
  3. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft het dossier van de zaak op 19 november 2024 bezorgd aan de griffie van de Raad van State. Met een “verzoek tot tussenkomst en om te worden gehoord” van 2 december 2024 heeft rechter K.A. gevraagd om te mogen tussenkomen in het geding. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 19 december
  4. Kamervoorzitter Carlo Adams heeft verslag uitgebracht. Advocaat Annick Haegeman, die loco advocaat Christophe Desenfans verschijnt voor verzoeker, en advocaten Thomas Eyskens en Laure Vander Donckt, die verschijnen voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. III. Regelmatigheid van de rechtspleging
  6. Ter terechtzitting legt verzoeker een brief van 24 oktober 2024 van de voorzitter van de Orde van Vlaamse Balies aan de eerste voorzitter van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen over en het antwoord daarop van de eerste voorzitter van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen van 25 oktober
  7. VII-42.699-2/10 De tussenkomende partij vraagt dat deze brieven uit het debat worden geweerd.
  8. De kwestieuze brieven dateren van vóór het instellen van het verzoek tot wraking. Verzoeker geeft geen verantwoording waarom deze stukken niet eerder konden worden overgelegd. Ze worden uit het debat geweerd. IV. Verzoek tot wraking Standpunt van verzoeker
  9. In een algemene uiteenzetting gaat verzoeker omstandig in op het begrip “wettige verdenking” uit artikel 828, 1°, Ger.W. Hij licht toe dat het recht op toegang tot een onafhankelijke en onpartijdige rechter impliceert dat deze laatste geen vooringenomenheid noch enig persoonlijk belang heeft in de zaak waarover hij beslist. Ook de perceptie van onpartijdigheid is cruciaal daar zelfs twijfel over de onpartijdigheid van een rechter het vertrouwen van de rechtsonderhorige in het rechtssysteem kan ondergraven. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie vermeldt verzoeker als voorbeelden die een gebrek aan partijdigheid aantonen: een band van gezag of ondergeschiktheid, zoals een dienstrelatie tussen een rechter en een partij, en de opeenvolging van verschillende functies in de tijd. Dit laatste kan een voorafgaande functie in de uitvoerende macht zijn of een voorafgaande administratieve functie, zoals een oud-lid van de regering of een voormalig functionaris die terug rechter wordt en zetelt in een zaak waarin hij voordien was tussengekomen uit hoofde van dergelijke functie. Toegepast op de voorliggende zaak, wijst verzoeker op de absolute noodzaak de schijn van onpartijdigheid te vrijwaren en elke gewettigde vrees uit te sluiten in hoofde van verzoeker als rechtzoekende. Dat artikel 829 Ger.W. als objectieve reden van wraking het feit aangeeft dat de rechter met een VII-42.699-3/10 van de partijen verbonden is geweest door een arbeidsovereenkomst, volstaat volgens verzoeker om te besluiten dat de tussenkomende partij niet kan zetelen in zaken waarin de verwerende partij betrokken is, zoals in casu. Het feit in dienst te zijn geweest van één van de partijen, zeker zoals te dezen tot voor kort, is een objectieve reden van wettige verdenking overeenkomstig artikel 828, 1°, Ger.W. De tussenkomende partij is langdurig werkzaam geweest bij de verwerende partij, waar zij bovendien een groot aantal Afghaanse dossiers behandelde en waar zij in veel zaken de verwerende partij vertegenwoordigde voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Dit doet volgens verzoeker een gewettigde twijfel rijzen of zij op totaal onafhankelijke en objectieve wijze verzoekers zaak zal kunnen onderzoeken. De mogelijkheid dat haar gedachten onbewust zouden kunnen worden beïnvloed door de aard van haar vorige functies brengt de perceptie van een onpartijdig vonnis in het gedrang. Verzoeker steunt het verzoek tot wraking concreet op de volgende elementen: - professionele antecedenten: In 2.227 arresten van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen staat de huidige tussenkomende partij vermeld als vertegenwoordiger van de verwerende partij; - de naam van de tussenkomende partij wordt vermeld in 524 arresten (waarvan 101 in 2023) betreffende Afghaanse (kandidaat-)vluchtelingen; - nog op 23 april 2024 heeft de tussenkomende partij een dossier gepleit voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; - de tussenkomende partij heeft de eed als rechter in vreemdelingenzaken afgelegd op 5 september 2024 en zij heeft bij weten van verzoeker nog niet gezeteld als rechter; - de tussenkomende partij werd aangesteld als rechter-verslaggever in een zitting met drie rechters, waar haar standpunt gekleurd dreigt te zijn door het standpunt en de interne discussie binnen het commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; - de noodwendigheden van de dienst om zo snel mogelijk zo veel mogelijk asielzaken te behandelen weegt niet op tegen het recht op een eerlijk proces. VII-42.699-4/10 Standpunt van de tussenkomende partij
  10. De tussenkomende partij merkt op dat de in artikel 829 Ger.W. bedoelde wrakingsgrond van “eerder verbonden door een arbeidsoverkomst” enkel van toepassing is op rechters en raadsheren in sociale zaken en dus niet op rechters in vreemdelingenzaken. De tussenkomende partij is benoemd bij koninklijk besluit van 4 juni 2024 en zij voldoet aan de in artikel 39/19, § 2, van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (hierna: vreemdelingenwet) voorziene voorwaarde van een nuttige juridische beroepservaring van tenminste vijf jaar. De wet bevat geen negatieve benoemingsvoorwaarde van “professionele antecedenten”. Artikel 828, 1°, Ger.W. kan dus niet worden begrepen in de zin dat een rechter in vreemdelingenzaken met voormalige professionele activiteiten bij de verwerende partij zich per hypothese bevindt in een geval van “wettige verdenking”. De tussenkomende partij vervolgt dat iedere band met de verwerende partij is doorgeknipt en dat de onafhankelijkheid van haar positie als rechter is verzekerd door artikel 39/19, § 3, van de vreemdelingenwet. Het loutere feit dat een magistraat in een andere hoedanigheid kennis heeft genomen van een dossier dat uiteindelijk wordt onderworpen aan zijn rechterlijke beoordeling, doet op zich niet besluiten tot vooringenomenheid. Te dezen blijkt niet dat de tussenkomende partij als magistraat zaken zou behandelen die zij als attaché of adviseur voor de verwerende partij heeft behandeld. In voorkomend geval staat het dan aan de tussenkomende partij om de concrete zaak te onderzoeken en uit te maken of zij zich onthoudt van de behandeling ervan. VII-42.699-5/10 Het verwijt dat de tussenkomende partij in het verleden veel dossiers van Afghaanse verzoekers om internationale bescherming heeft behandeld, wordt weerlegd doordat elk verzoek een eigen uniek karakter heeft dat leidt tot een unieke rechterlijke beoordeling. De tussenkomende partij sluit uit dat haar een geschil wordt voorgelegd dat betrekking heeft op een beslissing waarvan zij de auteur is, waaraan zij zou hebben meegewerkt in de ontwerpfase of die zij zou hebben geadviseerd. Zij heeft nooit zulke bevoegdheden gehad of uitgeoefend bij de verwerende partij. Er werd haar enkel om advies gevraagd over de wijze waarop bepaalde zaken in een beslissing zouden worden gemotiveerd dan wel of een voorstel van beslissing in overeenstemming zou zijn met de interne beleidsinstructies en de relevante rechtspraak. De tussenkomende partij heeft een lijst van alle dossiers opgesteld waarin haar concreet om advies is verzocht zodat zij zelf een voorafgaande betrokkenheid kan verifiëren en zich in voorkomend geval aan de zaak kan onttrekken. Dit geldt ook voor zaken waarin zij voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zou zijn opgetreden. Volgens de tussenkomende partij staaft verzoeker niet met concrete elementen de stelling dat zij niet in staat zou zijn op onafhankelijke en onpartijdige wijze uitspraak te doen in verzoekers zaak. De tussenkomende partij licht nog toe dat zij sinds 11 oktober 2023 de verwerende partij niet meer ter zitting heeft vertegenwoordigd voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, met uitzondering van twee specifieke en complexe dossiers betreffende een Spaans onderdaan op 23 april
  11. Het ging hoe dan ook slechts om een louter adviserende en uitvoerende functie. Tot slot vormt volgens de tussenkomende partij noch het overzicht van dossiers die zij bij de verwerende partij heeft behandeld, noch de lijst met arresten waarin zij wordt vermeld als attaché noch het “volume” aan dossiers van Afghaanse verzoekers een bewijs van partijdigheid in haren hoofde. VII-42.699-6/10 Beoordeling
  12. De vraag kan rijzen welke de gevolgen zijn van de tussenkomst in de wrakingsprocedure, meer bepaald of de tussenkomende partij nog als rechter kan zetelen in de zaak waarin zij ingevolge haar huidige tussenkomst partij is geworden. Deze vraag hoeft echter niet te worden beantwoord vermits, zoals hierna blijkt, het verzoek tot wraking gegrond is.
  13. Verzoeker voert als enige wrakingsgrond de “wettige verdenking” aan als bedoeld in artikel 828, 1°, Ger.W., waarvoor hij zich steunt op het feit dat de tussenkomende partij vóór haar benoeming tot rechter in vreemdelingenzaken werkzaam was bij de verwerende partij. Hij bevestigt dit ter terechtzitting.
  14. De in artikel 828, 1° Ger.W. bedoelde “wettige” of gewettigde verdenking kan bestaan wanneer er twijfel is aan de onpartijdigheid van de rechter. De onpartijdigheid houdt niet alleen in dat de rechter niet partijdig mag zijn (subjectief aspect), maar ook dat er voldoende waarborgen aanwezig moeten zijn om elke gewettigde twijfel omtrent zijn onpartijdigheid uit te sluiten (objectief aspect). Een schijn van partijdigheid, met name de indruk dat er onvoldoende waarborgen zijn om elke gewettigde twijfel omtrent de onpartijdigheid van de rechter uit te sluiten, kan volstaan als wrakingsgrond. Het gaat om de indruk die wordt gewekt of zou worden gewekt door elke rechter die in dezelfde situatie zou verkeren.
  15. Artikel 829, 1°, Ger.W. voorziet dat de “raadsheer of rechter in sociale zaken of in handelszaken” kan worden gewraakt “indien hij met een van de partijen verbonden is geweest door een arbeidsovereenkomst”. Deze bepaling, die VII-42.699-7/10 niet als wrakingsgrond wordt ingeroepen maar waarnaar verzoeker wel verwijst, is niet van toepassing op andere magistraten zoals rechters in vreemdelingenzaken. Uit deze bepaling volgt echter niet a contrario dat de eerdere tewerkstelling van een rechter bij een partij geen grond zou kunnen vormen voor twijfel over de objectieve partijdigheid van die rechter indien hij geen raadsheer of rechter in sociale zaken is.
  16. Te dezen blijkt dat de tussenkomende partij tot haar benoeming als rechter in vreemdelingenzaken was tewerkgesteld bij de verwerende partij als attaché en vervolgens als adviseur. Aan deze tewerkstelling is een einde gekomen door het indienen van het ontslag op 7 augustus
  17. De tussenkomende partij heeft op 5 september 2024 de eed afgelegd als rechter in vreemdelingenzaken. Uit de gegevens waarop de Raad van State vermag acht te slaan blijkt dat de tussenkomende partij alleszins als attaché-jurist en vervolgens adviseur betrokken was bij de behandeling van dossiers inzake Afghaanse kandidaat-vluchtelingen, daargelaten de vraag welke precies haar taak was. Er blijkt ook uit dat de tussenkomende partij destijds regelmatig namens de verwerende partij verscheen op terechtzittingen van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Dat de tussenkomende partij sinds 11 oktober 2023 de verwerende partij niet meer heeft vertegenwoordigd op zittingen van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (behalve op 24 april 2024 in twee specifieke zaken betreffende Spaanse verzoekers om internationale bescherming), doet geen afbreuk aan het feit dat zij tot 7 augustus 2024 werkzaam was bij de verwerende partij en voordien in tal van zaken betrokken was, zo niet bij de verdediging van de verwerende partij op terechtzittingen van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, dan toch op enige andere inhoudelijke wijze bij de behandeling van (onder meer en in het verleden blijkbaar vooral) Afghaanse verzoekenden om internationale bescherming. VII-42.699-8/10 Deze specifieke elementen zijn van aard dat zij in hoofde van verzoeker op dit ogenblik kunnen leiden tot twijfel aan de objectieve onpartijdigheid van de betrokken rechter, die minder dan drie maanden na het beëindigen van de tewerkstelling een zaak zou beoordelen, waarin haar vroegere werkgever partij is en waarvan het voorwerp een materie betreft die zij gedurende lange tijd in dienst van die werkgever heeft behandeld.
  18. Aan het voorgaande wordt geen afbreuk gedaan door het feit dat de benoeming van de tussenkomende partij als rechter definitief is noch aan het feit dat zij voor het leven is benoemd. Nergens is bepaald en het valt niet redelijk in te zien dat zulks zou moeten leiden tot het verwerpen van het verzoek tot wraking.
  19. De stelling dat geen concreet bewijs wordt geleverd van feiten die aanleiding kunnen geven tot twijfel aan de onpartijdigheid van de tussenkomende partij, is te dezen niet relevant. Dergelijke concrete feiten zouden immers verband houden met de subjectieve onpartijdigheid, die door verzoeker uitdrukkelijk niet in twijfel wordt getrokken. Het zij herhaald dat het te dezen enkel gaat over het objectieve aspect, dit is de schijn van partijdigheid die op iedere rechter in dezelfde situatie van toepassing zou zijn.
  20. Net omdat het gaat om het objectieve aspect van de onpartijdigheid, is het te dezen evenmin relevant dat de tussenkomende partij zich zal onthouden van dossiers waarin zij voorheen is opgetreden. Ook in dergelijke zaken zou het immers gaan om een mogelijke subjectieve partijdigheid, die te dezen niet aan de orde is.
  21. Het verzoek tot wraking is gegrond. VII-42.699-9/10 BESLISSING
  22. De tussenkomst van rechter in vreemdelingenzaken K.A. wordt toegestaan.
  23. De Raad van State verklaart het verzoek tot wraking van rechter in vreemdelingenzaken K.A. gegrond.
  24. Dit arrest wordt ter kennis gebracht aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op negen januari tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Peter Sourbron, staatsraad, Frédéric Vanneste, staatsraad, met bijstand van Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Carlo Adams VII-42.699-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.261.929 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.