← België

Arrest 261934 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 09/01/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 januari 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.261.934 Rolnummer: A. 239218/VII-42059 Zaak: Arrest 261934 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 09/01/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-01-16 Raadplegingen: 87 - laatst gezien 2026-06-17 03:25 Fiche Arrest nr 261.934 van 9 januari 2025 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.261.934 no lien 280959 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 261.934 van 9 januari 2025 in de zaak A. 239.218/VII-42.059 In zake : de PROVINCIE VLAAMS-BRABANT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Michel van Dievoet kantoor houdend te 1000 Brussel Wolstraat 56 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen :

  1. de NV KIMBO 2000
  2. D.W.
  3. F.D. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Joost Bosquet kantoor houdend te 2650 Edegem Mechelsesteenweg 326 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  4. Het cassatieberoep, ingesteld op 30 mei 2023, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-2223-0776 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 20 april 2023 in de zaak 2122-RvVb-0683-A. II. Verloop van de rechtspleging
  5. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 3 juli
  6. VII-42.059-1/8 De verwerende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur An Van den broeck heeft op 13 oktober 2023 een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’ (hierna: cassatieprocedurebesluit). De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure teneinde te worden gehoord ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 12 december
  7. Staatsraad Francis Van Nuffel heeft verslag uitgebracht. Advocaat Dennis Muñiz Espinoza, die loco advocaat Michel van Dievoet verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Gert Op de Beeck, die loco advocaat Joost Bosquet verschijnt voor de verwerende partijen, zijn gehoord. Eerste auditeur An Van den broeck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  8. VII-42.059-2/8 III. Feiten 3.
  9. Het college van burgemeester en schepenen van de stad Halle verleent op 17 juli 2020 aan M.A. een omgevingsvergunning. Na bestuurlijk beroep van de verwerende partijen, verleent ook de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant aan M.A. een omgevingsvergunning bij besluit van 19 november
  10. 3.
  11. Met arrest nr. RvVb-A-2122-0178 van 4 november 2021 vernietigt de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) het besluit van 19 november 2020, en beveelt hij de deputatie om binnen een termijn van drie maanden een nieuwe beslissing te nemen over het bestuurlijk beroep van de verwerende partijen. 3.
  12. Op 8 april 2022 wordt op het omgevingsloket een deputatiebeslissing geregistreerd van 31 maart 2022, en een brief met volgende inhoud geplaatst: “Bij staking der stemmen werd er in het betrokken dossier door de deputatie op 31 maart 2022 geen beslissing ten gronde genomen. Artikel 66 §3 van het omgevingsdecreet bepaalt dat als er geen beslissing is genomen binnen de vastgestelde termijn, het beroep wordt geacht te zijn afgewezen en wordt de bestreden beslissing, namelijk de vergunning onder voorwaarden van het college van burgemeester en schepenen van Halle van 17 juli 2020, verleend aan [M.A.] als definitief aanzien.” 3.
  13. Het bestreden arrest vernietigt de beslissing van de deputatie van 31 maart
  14. VII-42.059-3/8 IV. Onderzoek van het middel tot nietigverklaring Uiteenzetting van het middel
  15. De verzoekende partij voert de schending aan van: - artikel 2, eerste lid, 4°, van het decreet van 25 april 2014 ‘betreffende de omgevingsvergunning’ (hierna: omgevingsvergunningsdecreet), - artikel 66, § 3, tweede lid, gelezen samen met artikel 105, § 1, van het omgevingsvergunningsdecreet, - artikel 15 van het besluit van de Vlaamse regering van 16 mei 2014 ‘houdende de rechtspleging voor sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges’, en - artikel 149 van de Grondwet.
  16. Het middel komt op tegen de verwerping van de exceptie van niet-ontvankelijkheid van het beroep van de verwerende partijen. Het bestreden arrest verwerpt die exceptie op grond van volgende motieven: “Anders dan de [verzoekende partij in cassatie] dat in de bestreden beslissing ziet, ligt de bestaansreden van de stilzwijgende afwijzing van het bestuurlijk beroep van de [verwerende partijen in cassatie] niet in de overschrijding van een decretale vervaltermijn in de zin van artikel 66, §1 tot en met §3 van het Omgevingsvergunningsdecreet. De [verzoekende partij in cassatie] heeft het bestuurlijk beroep van onder meer de [verwerende partijen in cassatie] voor de eerste maal verworpen op 19 november 2020 en een omgevingsvergunning verleend onder voorwaarden. Die vergunning heeft de [RvVb] vernietigd met zijn arrest van 4 november 2021 met nummer RvVb-A-2122-
  17. Aan de [verzoekende partij in cassatie] werd vervolgens het volgende injunctiebevel opgelegd: ‘De Raad beveelt de verwerende partij een nieuwe beslissing te nemen over het bestuurlijk beroep van onder meer de verzoekende partijen en dit binnen een termijn van drie maanden te rekenen vanaf de dag na de dag van de betekening van dit arrest.’ De bestreden beslissing kadert dus niet in een decretale vervaltermijn, maar wel in een door de [RvVb] ambtshalve opgelegde hersteltermijn. De injunctietermijn die de [RvVb] beveelt, heeft het rechtskarakter van een ordetermijn (artikel 37, § 1, tweede lid van het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges) en sluit de decretale vervaltermijnen van het Omgevingsvergunningsdecreet uit (Parl.St. Vl.Parl. 2020-21, nr. 581/5, 5). Als de [verzoekende partij in cassatie] die termijn laat verstrijken, dan leidt ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.261.934 VII-42.059-4/8 dat niet van rechtswege tot een stilzwijgende afwijzing van het beroep. De leer van het cassatiearrest van 5 mei 2022 met nummer 253.650 is dus niet zonder meer van toepassing op de voorliggende zaak. […] Niettemin heeft de [verzoekende partij in cassatie] met de bestreden beslissing op 8 april 2022 meer dan de ondubbelzinnige wil geuit om het beroep van de [verwerende partijen in cassatie] definitief te beëindigen omwille van een staking van stemmen, niettegenstaande de ordetermijn waarover zij beschikte. Uit de bestreden beslissing, die neerkomt op een impliciete afwijzing van het ingestelde bestuurlijk beroep, blijkt dat ze enkel het gevolg is van de afwezigheid van een meerderheidsstandpunt tijdens de stemming over het beroep van de [verwerende partijen in cassatie], waaraan de [verzoekende partij in cassatie] zelf de stopzetting van de beroepsprocedure heeft gekoppeld. De exceptie van de [verzoekende partij in cassatie], die steunt op de veronderstelling dat, in die situatie, de vergunningsbeslissing van het college van burgemeester en schepenen van 17 juli 2020 definitief is geworden en de [verwerende partijen in cassatie] op straffe van onontvankelijkheid een beroep moeten indienen tegen die beslissing, mist juridische grondslag.”
  18. De verzoekende partij formuleert hiertegen volgende grieven: “[Er dient] vastgesteld […] te worden dat het oorspronkelijk verzoek tot vernietiging enkel werd ingesteld tegen de beslissing van de deputatie én niet tegen de definitieve omgevingsvergunning genomen in eerste aanleg, [Ten] aanzien van de omgevingsvergunning zoals genomen in eerste aanleg [werden] geen middelen […] geformuleerd in het verzoekschrift, [Wanneer] er […] een beroep tot vernietiging wordt ingesteld tegen een stilzwijgende beslissing van de [d]eputatie, [dient] de vordering tot vernietiging eveneens […] te worden gericht tegen de beslissing genomen in eerste aanleg, met name de definitieve omgevingsvergunning afgeleverd door [het] college van burgemeester en schepenen van de stad Halle op 17 juli 2020; [In] tegenstelling tot wat de [RvVb] in het bestreden arrest stelt, [was] het beroep tot vernietiging zoals ingediend door de [verwerende partijen in cassatie], geenszins […] gericht tegen de beslissing in eerste aanleg doch enkel ten aanzien van de stilzwijgende beslissing in beroep en [bevatte het] alleszins geen uitdrukkelijke middelen of kritiek […] ten aanzien van de beslissing in eerste aanleg.” In de toelichting bij het middel voert de verzoekende partij nog aan dat de stelling van het bestreden arrest strijdt met de terugwerkende kracht van een vernietigingsarrest. Aangezien de deputatie zich voor haar herstelbeslissing moet plaatsen op het tijdstip dat de vernietigde beslissing voorafging, moet ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.261.934 VII-42.059-5/8 toepassing worden gemaakt van de decretale vervaltermijn in de zin van artikel 66, § 1 tot en met § 3, van het omgevingsvergunningsdecreet. De hersteltermijn die het vernietigingsarrest oplegt, wijzigt deze decretale termijn niet. Beoordeling
  19. Luidens artikel 3, § 2, 9°, van het cassatieprocedurebesluit moet het verzoekschrift “een uiteenzetting van de cassatiemiddelen bevatten”. Onder “cassatiemiddel” moet een voldoende duidelijke omschrijving van de door het bestreden arrest geschonden rechtsregel of rechtsbeginsel worden begrepen. Onder “uiteenzetting” van het cassatiemiddel moet worden begrepen de wijze waarop die rechtsregel of dat rechtsbeginsel door de bestreden uitspraak worden miskend. In het middel wordt niet uiteengezet hoe het bestreden arrest een schending zou inhouden van artikel 2, eerste lid, 4°, van het omgevingsvergunningsdecreet, van artikel 105, § 1, van het omgevingsvergunningsdecreet, van artikel 15 van het besluit van de Vlaamse regering van 16 mei 20214 ‘houdende de rechtspleging voor sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges’, en van artikel 149 van de Grondwet. Het middel is in zoverre niet ontvankelijk.
  20. Artikel 66, § 3, tweede lid, van het omgevingsvergunningsdecreet luidt: “Als geen beslissing is genomen binnen de vastgestelde of in voorkomend geval verlengde termijn, wordt het beroep of worden de beroepen geacht te zijn afgewezen en wordt de bestreden beslissing als definitief aanzien.” De in deze bepaling geviseerde termijn is de vervaltermijn waarbinnen de overheid die kennis neemt van een bestuurlijk beroep tegen een beslissing over een vergunningsaanvraag, een definitieve beslissing moet nemen over de vergunningsaanvraag, en waarvan de duurtijd wordt vastgesteld op grond van de paragrafen 1, 2, 2/1 en 2/2 van artikel
  21. VII-42.059-6/8 Wanneer de RvVb een vergunningsbeslissing vernietigt en de overheid beveelt om een nieuwe beslissing te nemen, verbindt hij aan dat bevel een ordetermijn voor de uitvoering ervan (artikel 37, § 1, van het decreet van 4 april 2014 ‘betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges’). De in artikel 66 van het omgevingsvergunningsdecreet bedoelde vervaltermijn herleeft dan ook niet na dergelijk vernietigingsarrest. Het bestuur tot wie het vernietigingsarrest een injunctie richt, dient zijn beslissing te nemen binnen de ordetermijn die in het arrest wordt vastgesteld. Artikel 66, § 3, tweede lid, van het omgevingsvergunningsdecreet is niet van toepassing op die ordetermijn. In zoverre de verzoekende partij de schending aanvoert van die bepaling, gaat zij uit van een andere rechtsopvatting en faalt het middel naar recht. BESLISSING
  22. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
  23. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partijen. VII-42.059-7/8 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op negen januari tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Peter Sourbron, staatsraad, Francis Van Nuffel, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Carlo Adams VII-42.059-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.261.934 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.