← België

Arrest 261937 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 09/01/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 januari 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.261.937 Rolnummer: A. 239675/VII-42145 Zaak: Arrest 261937 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 09/01/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-01-16 Raadplegingen: 92 - laatst gezien 2026-06-17 03:26 Fiche Arrest nr 261.937 van 9 januari 2025 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Vernietiging Overschrijving en verwijzing Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.261.937 no lien 280962 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 261.937 van 9 januari 2025 in de zaak A. 239.675/VII-42.145 In zake :

  1. L.V.
  2. F.G. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Philippe Vande Casteele kantoor houdend te 2900 Schoten Klamperdreef 7 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de PROVINCIE VLAAMS-BRABANT Tussenkomende partij : de BV ENVIRONNEMENT ET PROMOTION IMMOBILIERE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Thomas Ryckalts en Bruno Lenssens kantoor houdend te 1000 Brussel Wolvengracht 38, bus 2 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  3. Het cassatieberoep, ingesteld op 26 juli 2023, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-2223-0999 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 22 juni 2023 in de zaak 2122-RvVb-0617-SA. II. Verloop van de rechtspleging
  4. Bij arrest nr. 260.677 van 19 september 2024 is het debat heropend en wordt het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat gelast met een aanvullend onderzoek. VII-42.145-1/23 Eerste auditeur An Van den broeck heeft op 4 oktober 2024 een aanvullend verslag opgesteld, op grond van artikel 17 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’ (hierna: cassatieprocedurebesluit). De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 12 december
  5. Staatsraad Francis Van Nuffel heeft verslag uitgebracht. Advocaat Philippe Vande Casteele, die verschijnt voor de verzoekende partijen, en advocaat Bruno Lenssens, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur An Van den broeck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 (hierna: RvS-wet). III. Regelmatigheid van de rechtspleging
  6. De tussenkomende partij heeft een “pleitnota” ingediend waarin zij repliceert op het verslag van de auditeur. Het cassatieprocedurebesluit voorziet niet in de mogelijkheid om na de kennisgeving van het auditoraatsverslag nog een schriftelijke repliek neer te leggen. In zoverre het stuk een schriftelijke voorbereiding vormt van de mondelinge uiteenzetting op de terechtzitting, wordt het beschouwd als een loutere inlichting. VII-42.145-2/23 IV. Feiten 4.
  7. De heer B.E. vraagt op 7 april 2021 een omgevingsvergunning voor het bouwen van acht woningen aan de Brouwerijstraat in Linkebeek. Samen met anderen dienen de verzoekende partijen tijdens het openbaar onderzoek een collectief bezwaarschrift in. Bij besluit van 14 september 2021 weigert het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Linkebeek de omgevingsvergunning. 4.
  8. De tussenkomende partij - die stelt dat de heer B.E. de aanvraag namens haar heeft ingediend - tekent op 18 oktober 2021 bestuurlijk beroep aan tegen de weigeringsbeslissing. Bij besluit van 10 maart 2022 verklaart de deputatie het bestuurlijk beroep gegrond, en verleent zij de omgevingsvergunning. 4.
  9. Het bestreden arrest verwerpt het vernietigingsberoep dat de verzoekende partijen hebben ingesteld tegen de vergunningsbeslissing van 10 maart
  10. V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  11. Het middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11, 23, 32 en 149 van de Grondwet, de hoorplicht, het hoorrecht en het recht om zijn standpunt op nuttige wijze naar voren te brengen, de beginselen van behoorlijk bestuur, de beginselen van rechtszekerheid en rechtmatig vertrouwen, het beginsel patere legem quam ipse fecisti, artikel 62 van het decreet van 25 april 2014 ‘betreffende de omgevingsvergunning’ (hierna: omgevingsvergunningsdecreet), artikel 76 van het besluit van de Vlaamse regering van 27 november 2015 ‘tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning’ ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.261.937 VII-42.145-3/23 (hierna: omgevingsvergunningsbesluit), de regels inzake de bewijskracht van de akten, de artikelen 8.5, 8.17 en 8.18 van het Burgerlijk Wetboek, en de artikelen 1319, 1320, 1321 en 1322 van het oud Burgerlijk Wetboek, en de artikelen 9 en 26 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 ‘op het Grondwettelijk Hof’.
  12. Het middel komt op tegen de verwerping door de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) van het middel waarin de verzoekende partijen aanvoerden dat de deputatie hun recht om gehoord te worden heeft geschonden. In het bestreden arrest wordt dat middel verworpen op grond van volgende motieven: “
  13. De verzoekende partijen voeren in essentie aan dat de hoorplicht werd geschonden omdat ze enerzijds niet uitgenodigd werden op de mondelinge hoorzitting, hoewel ze hiertoe een verzoek hadden ingediend, en anderzijds omdat ze de mogelijkheid niet hebben gekregen om schriftelijk te repliceren op het verslag van de provinciale omgevingsambtenaar aangezien ze pas een kopie van dit verslag hebben ontvangen vier dagen nadat de bestreden beslissing werd genomen. […]
  14. Artikel 62 Omgevingsvergunningsdecreet luidt als volgt: […] Artikel 74, § 2 Omgevingsvergunningsbesluit luidt in het verlengde ervan: […] Deze bepalingen vestigen een normatief hoorrecht in geval van administratief beroep in hoofde van de vergunningsaanvrager en/of de personen die administratief beroep hebben ingesteld tegen de beslissing in eerste administratieve aanleg.
  15. Bij gebrek aan een formele regeling kan het bestuur op grond van de beginselen van behoorlijk bestuur niemand een voordeel weigeren dat zijn belangen aanmerkelijk kan beïnvloeden, noch hem dergelijk voordeel ontnemen noch hem een sanctie met voldoende ernstig karakter opleggen zonder dat de betrokkene vooraf de gelegenheid wordt geboden om zijn standpunt op nuttige wijze te doen kennen. Deze aanvullende waarborgen van behoorlijk bestuur houden in dat het horen nuttig dient te gebeuren, wat betekent dat een betrokken partij beschikt over de stukken en gegevens op grond waarvan het vergunningverlenend bestuur over de aanvraag zal beslissen, en dat zij mondeling dan wel schriftelijk haar argumenten kan voorleggen. Het houdt ook in dat de partij die vraagt om te worden gehoord, in staat moet worden gesteld om op nuttige wijze voor haar belangen op te komen. Daaruit volgt dat aan haar een redelijke termijn gelaten wordt om haar zaak voor te bereiden. ‘Nuttig horen’ betekent dat de betrokken partij tijd krijgt om ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.261.937 VII-42.145-4/23 argumenten te ontwikkelen, stukken bij te brengen of te reageren op voor haar ongunstige stukken en aldus te proberen het vergunningverlenend bestuursorgaan van haar zienswijze over de aanvraag te overtuigen. [4.] Via een bericht in het Omgevingsloket nodigt de provinciale omgevingsambtenaar op 16 februari 2022 de tussenkomende partijen uit om gehoord te worden via een digitale hoorzitting van 10 maart 2022 en legt ze de concrete modaliteiten van het horen uiteen. Met een aangetekende brief van 23 februari 2022, tevens per e-mail verzonden, vragen de verzoekende partijen en 40 andere personen om als ‘belanghebbenden’ gehoord te worden op de hoorzitting van 10 maart
  16. Tevens verzoeken ze om een kopie over te maken van het beroepschrift, het advies van de gemeente Linkebeek en het verslag van de provinciale omgevingsambtenaar. In een afzonderlijke e-mail van 23 februari 2022 stellen ze dat er sprake is van een [nieuw] element, zijnde dat de bescherming van het bouwkundig erfgoed van de ‘brouwerswoning’ op 8 oktober 2021 werd uitgebreid tot ‘brouwerswoning met tuin’. De verwerende partij antwoordt diezelfde dag dat de gevraagde documenten via de procedure van openbaarheid van bestuur ter beschikking gesteld zullen worden en dat niet wordt ingegaan op het verzoek tot mondeling horen, maar dat de verzoekende partijen na ontvangst van het verslag van [de] provinciale omgevingsambtenaar wel schriftelijk kunnen reageren. Met een repliek van 24 februari 2022 betwisten de verzoekende partijen het afwijzen van de deelname aan de mondelinge (digitale) hoorzitting. Op 14 maart 2022 bezorgt de verwerende partij de opgevraagde stukken. [5.] Uit de niet betwiste gegevens van het dossier blijkt dat de verzoekende partijen (meermaals) hebben gevraagd om mondeling gehoord te worden (op de hoorzitting van 10 maart [2022]). Uit artikel 62 Omgevingsvergunningsdecreet en artikel 76, §2 Omgevingsvergunningsbesluit blijkt dat het normatief gevestigd hoorrecht enkel openstaat voor de beroepsindiener en/of de vergunningsaanvrager. De verzoekende partijen hebben geen administratief beroep ingesteld, noch kunnen ze worden beschouwd als de vergunningsaanvrager zodat ze zich niet konden beroepen op het (normatieve) hoorrecht zoals vervat in artikel 62 Omgevingsvergunningsdecreet en artikel 76, §2 Omgevingsvergunningsbesluit. De verwerende partij heeft deze bepalingen dan ook niet geschonden in zoverre zij de verzoekende partijen niet mondeling heeft gehoord. Het Grondwettelijk Hof heeft in zijn arrest van 6 oktober 2016 (nummer 125/2016) geoordeeld dat het grondwettig is om geen normatief hoorrecht te voorzien voor derden die geen administratief beroep hebben ingesteld: […] Het feit dat de verzoekende partijen een bezwaarschrift hebben ingediend tijdens het openbaar onderzoek in eerste administratieve aanleg doet aan het voorgaande geen afbreuk. […] [6.] De omstandigheid dat de verzoekende partijen zich niet kunnen steunen op artikel 62 Omgevingsvergunningsdecreet en artikel 76, §2 VII-42.145-5/23 Omgevingsvergunningsbesluit om ook mondeling gehoord te worden, neemt niet weg dat zij middels de doorwerking van de beginselen van behoorlijk bestuur het recht hebben gehoord te worden (GwH 15 juni 2017, nr. 73/2017). Anders dan de verzoekende partijen lijken aan te nemen, impliceert het recht gehoord te worden, als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, niet dat de verwerende partij verplicht is hen ook mondeling te horen. Het volstaat dat zij schriftelijk worden gehoord en hun standpunt op een nuttige wijze kenbaar hebben kunnen maken. De Raad is in dat verband van oordeel dat de verzoekende partijen hun mogelijkheid om nuttig schriftelijk te worden gehoord zelf hebben gecompromitteerd. Het wordt niet betwist dat de verzoekende partijen minstens op 23 februari 2022 wisten dat de hoorzitting zou plaatsvinden op 10 maart 2022 en bij uitbreiding dat een beslissing over het bestuurlijk beroep tegen de weigeringsbeslissing van het college van burgemeester en schepenen nakende was. Ondanks die wetenschap hebben de verzoekende partijen in de aanloop naar de hoorzitting in essentie uitsluitend uiting gegeven aan hun kennelijk onterechte overtuiging dat de verwerende partij hen ook mondeling diende te horen zonder, desnoods met het nodige voorbehoud, hun standpunt over het dossier schriftelijk kenbaar te maken. Het is in dat verband tekenend dat de verzoekende partijen met hun (tweede) mail van 23 februari 2022 aan de verwerende partij wel melding maken van de uitbreiding van de opname in de Inventaris Onroerend Erfgoed doch op geen enkele wijze aangeven waarom dit van belang kan zijn voor de behandeling van het administratief beroep. In dezelfde zin is de Raad van oordeel dat de verzoekende partijen niet dienstig kunnen voorhouden dat zij zich pas op 23 februari 2022 konden manifesteren in de beroepsprocedure omdat ze ‘recent’ hadden vernomen dat er beroep was aangetekend tegen de beslissing van 14 september 2021 van het college van burgemeester en schepenen en de eerste tussenkomende partij of hun eventuele raadsman hen hierover niet had ingelicht. Deze verklaring mag opmerkelijk worden genoemd gelet op hun volgehouden belangstelling in de zaak, het feit dat zij een (collectief) bezwaarschrift hadden ingediend en ontegensprekelijk kennis hadden van de weigeringsbeslissing van 14 september
  17. Het zou van behoorlijk burgerschap hebben getuigd mochten zij na de bekendmaking ervan ook zelf hebben geïnformeerd bij de verwerende partij of er beroep werd aangetekend tegen de beslissing van 14 september
  18. Door aldus (bewust niet) te handelen, inclusief de manifeste weigering hun standpunt schriftelijk kenbaar te maken aan de verwerende partij, wekken de verzoekende partijen minstens de indruk een passieve houding te hebben aangenomen om de beroepsprocedure te bemoeilijken al dan niet in de hoop om hiervan in een later stadium garen te kunnen spinnen. Gelet op de concrete omstandigheden van de zaak kunnen de verzoekende partijen niet aanvoeren dat hun recht gehoord te worden werd geschonden.” Het middel wordt uitgewerkt in zeven onderdelen. VII-42.145-6/23
  19. In het eerste onderdeel wordt een schending aangevoerd van artikel 149 van de Grondwet.
  20. In het tweede onderdeel van het middel laten de verzoekende partijen gelden dat de hoorplicht en het recht om zijn standpunt naar voren te brengen, essentiële waarborgen zijn. Bij gebrek aan een formele regeling kan het bestuur op grond van de beginselen van behoorlijk bestuur niemand een voordeel weigeren dat zijn belangen aanmerkelijk kan beïnvloeden, noch hem dergelijk voordeel ontnemen noch hem een sanctie met een voldoende ernstig karakter opleggen zonder dat de betrokkene vooraf de gelegenheid wordt geboden om zijn standpunt op nuttige wijze te doen kennen. Deze aanvullende waarborgen van behoorlijk bestuur houden in dat het horen nuttig dient te gebeuren, wat betekent dat een betrokken partij beschikt over de stukken en gegevens op grond waarvan het vergunningverlenend bestuur over de aanvraag zal beslissen, en dat zij mondeling dan wel schriftelijk haar argumenten kan voorleggen. Het houdt ook in dat de partij die vraagt om te worden gehoord, in staat moet worden gesteld om op nuttige wijze voor haar belangen op te komen. Daaruit volgt dat aan haar een redelijke termijn gelaten wordt om haar zaak voor te bereiden. ‘Nuttig horen’ betekent dat de betrokken partij tijd krijgt om argumenten te ontwikkelen, stukken bij te brengen of te reageren op voor haar ongunstige stukken en aldus te proberen het vergunningverlenend bestuursorgaan van haar zienswijze over de aanvraag te overtuigen. De verzoekende partijen wijzen erop dat het bestreden arrest vaststelt dat de deputatie op hun vraag om gehoord te worden en om een kopie over te maken van bepaalde stukken, heeft geantwoord dat “de gevraagde documenten via de procedure van openbaarheid van bestuur ter beschikking gesteld zullen worden en dat niet wordt ingegaan op het verzoek tot mondeling horen, maar dat de verzoekende partijen na ontvangst van het verslag van [de] provinciale omgevingsambtenaar wel schriftelijk kunnen reageren”. Ook stelt het bestreden arrest vast: “Na de hoorzitting van 10 maart 2022 verklaart de verwerende partij VII-42.145-7/23 het beroep op 10 maart 2022 gegrond en verleent een omgevingsvergunning onder voorwaarden”. De verzoekende partijen voeren aan dat zij na het antwoord van de deputatie rechtmatig erop konden rekenen dat de mededeling van de stukken zou plaatsvinden vóór het nemen van de deputatiebeslissing, en ook vóór de hoorzitting. Het bestreden arrest schendt aldus het hoorrecht, de hoorplicht, de beginselen van rechtszekerheid en rechtmatig vertrouwen, en het beginsel patere legem quam ipse fecisti, gelezen in samenhang met het gelijkheidsbeginsel, door te oordelen dat de verzoekende partijen niet kunnen aanvoeren dat hun recht om gehoord te worden, werd geschonden.
  21. In het derde onderdeel van het middel wijzen de verzoekende partijen op de arresten van het Grondwettelijk Hof met nummers 157/2015 en 158/2015 van 4 november 2015, waarin wordt bevestigd dat derde-belanghebbenden kunnen tussenkomen in de procedure voor de RvVb. Hieruit volgt dat er geen enkele aanneembare reden is om aan deze derde-belanghebbenden het recht te ontzeggen om tussen te komen in de voorafgaande, reeds geagendeerde, hoorzitting in het kader van de beroepsprocedure voor de deputatie. Volgens de grondwetsconforme interpretatie van artikel 62 van het omgevingsvergunningsdecreet en artikel 76, § 2, van het omgevingsvergunningsbesluit, is het recht om gehoord te worden in het kader van de hoorzitting die reeds is aangevraagd door de beroepsindiener of de vergunningsaanvrager, ook verleend aan de derde-belanghebbende die met een bezwaarschrift heeft deelgenomen aan het openbaar onderzoek, ingericht in eerste bestuurlijke aanleg, maar vervolgens geen belang had om een bestuurlijk beroep in te stellen omdat het ingediende bezwaarschrift werd ingewilligd of gevolgd in eerste bestuurlijke aanleg door een beslissing tot weigering van de omgevingsvergunning. Door te oordelen dat artikel 62 van het omgevingsvergunningsdecreet en artikel 76, § 2, van het ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.261.937 VII-42.145-8/23 omgevingsvergunningsbesluit aan derde-belanghebbenden het recht ontzegt om tussen te komen tijdens de hoorzitting en beroepsprocedure voor de deputatie, schendt het bestreden arrest dan ook deze bepalingen alsook de artikelen 10, 11 en 23 van de Grondwet.
  22. In het vierde onderdeel van het middel zetten de verzoekende partijen uiteen dat zij de RvVb verzocht hebben een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof aangaande een onverantwoord verschil in behandeling doordat zij als derde-belanghebbenden niet kunnen deelnemen aan de hoorzitting. De RvVb heeft ten onrechte geoordeeld dat het Grondwettelijk Hof in het arrest nr. 125/2016 hierover reeds uitspraak heeft gedaan. In de voorliggende zaak is immers een temporeel en inhoudelijk bijzonder scenario aan de orde, dat het Grondwettelijk Hof in het arrest nr. 125/2016 noch heeft onderzocht noch zelfs maar in acht genomen. De verzoekende partijen vragen dat de Raad van State de volgende prejudiciële vraag zou stellen aan het Grondwettelijk Hof: “Schendt artikel 62 van het [omgevingsvergunningsdecreet] niet de artikelen 10, 11 en 23 van de Grondwet, doordat het recht om te vragen om gehoord te worden in tweede administratieve aanleg is voorbehouden aan de vergunningsaanvrager alsook elke beroepsindiener, doch dat recht om te vragen om gehoord te worden in het kader van een hoorzitting die reeds is aangevraagd door de beroepsindiener of de vergunningsaanvrager, daarentegen niet is verleend aan de derde belanghebbende die met een bezwaarschrift heeft deelgenomen aan het openbaar onderzoek, ingericht in eerste administratieve aanleg, maar vervolgens geen belang had om een bestuurlijk beroep in te dienen omdat het ingediende bezwaarschrift werd ingewilligd of gevolgd in eerste aanleg door een beslissing tot weigering van de omgevingsvergunning-aanvraag, in acht genomen en met dien verstande dat artikel 62 [van het omgevingsvergunningsdecreet] het recht tot deelname aan de reeds geagendeerde hoorzitting, aangevraagd en bekomen door de beroepsindiener-vergunningsaanvrager, per hypothese eveneens ontzegt aan de voormelde belanghebbende-derde die: (a) nochtans binnen de week na de kennisgeving, op het Omgevingsloket, van de datum van de hoorzitting en daags na de opmaak van het verslag van de provinciaal omgevingsambtenaar heeft gevraagd aan de Deputatie, bevoegd in tweede administratieve aanleg, om een afschrift van het beroepschrift, het advies van de Gemeente aan de Deputatie en het verslag van de provinciaal omgevingsambtenaar (afgekort: VII-42.145-9/23 POA) - allen documenten die noch bestonden noch a fortiori beschikbaar waren tijdens het openbaar onderzoek, ingericht tijdens de 1ste bestuurlijke aanleg-, doch (b) - na het antwoord van de Deputatie dat

(1)enerzijds de gevraagde documenten via de procedure van openbaarheid van bestuur ter beschikking zullen worden gesteld en
(2)anderzijds ze na [de] ontvangst van het verslag van de POA schriftelijk zullen kunnen reageren -, vaststelt dat ook op het tijdstip van de reeds geagendeerde hoorzitting de Deputatie de opgevraagde stukken nog steeds niet heeft bezorgd aan voormelde belanghebbende-derde?”
  1. In het vijfde onderdeel van het middel voeren de verzoekende partijen aan dat de RvVb de artikelen 9 en 26 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 ‘op het Grondwettelijk Hof’ schendt. Ten tijde van de beoordeling die gemaakt werd in het arrest nr. 125/2016 gold het decreet van 26 maart 2004 ‘betrffende de openbaarheid van bestuur’ terwijl de thans aan de orde zijnde beoordeling van artikel 62 van het omgevingsvergunningsdecreet moet gebeuren met inachtneming van het latere Bestuursdecreet van 7 december
  2. De gewijzigde legistieke constellatie leidt ertoe dat er geen reden is om de gevraagde prejudiciële vraag niet te stellen.
  3. Volgens de uiteenzetting in het zesde onderdeel van het middel schendt het bestreden arrest “het hoorrecht” en de regels inzake de bewijskracht van de akten (thans opgenomen in de artikelen 8.5, 8.17 en 8.18 van het Burgerlijk Wetboek). De akten waarvan volgens de verzoekende partijen de bewijskracht wordt geschonden, zijn de brieven en e-mails van 23 en 24 februari
  4. Uit die brieven zou, in tegenstelling tot wat het bestreden arrest voorhoudt, niet blijken dat de verzoekende partijen “in de aanloop naar de hoorzitting in essentie uitsluitend uiting gegeven [hebben] aan hun kennelijk onterechte overtuiging dat de verwerende partij hen ook mondeling diende te horen zonder, desnoods met het nodige voorbehoud, hun standpunt over het dossier schriftelijk kenbaar te maken”. De brieven en e-mails van 23 en 24 februari 2022 staven terdege, en zonder voorbehoud, dat de verzoekende partijen eveneens hebben verzocht “om een kopie over te maken van het beroepschrift, het advies van de gemeente Linkebeek en het verslag van de provinciale ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.261.937 VII-42.145-10/23 omgevingsambtenaar”, waarop de verwerende partij, volgens het bestreden arrest, heeft geantwoord “dat de gevraagde documenten via de procedure van openbaarheid van bestuur ter beschikking gesteld zullen worden en dat niet wordt ingegaan op het verzoek tot mondeling horen, maar dat de verzoekende partijen na ontvangst van het verslag van de provinciale omgevingsambtenaar wel schriftelijk kunnen reageren”. De RvVb zou de regels inzake de bewijskracht van de akten eveneens schenden door te stellen: “Door aldus (bewust niet) te handelen, inclusief de manifeste weigering hun standpunt schriftelijk kenbaar te maken aan de verwerende partij, wekken de verzoekende partijen minstens de indruk een passieve houding te hebben aangenomen om de beroepsprocedure te bemoeilijken al dan niet in de hoop om hiervan in een later stadium garen te kunnen spinnen”. De verzoekende partijen konden immers hun standpunt pas kenbaar maken nadat de deputatie hen de expliciet gevraagde documenten had bezorgd die nog niet bestonden tijdens het openbaar onderzoek in eerste bestuurlijke aanleg, namelijk het beroepschrift, het advies van de gemeente Linkebeek en het verslag van de provinciale omgevingsambtenaar. De RvVb geeft dus aan de voormelde brieven en e-mails van 23 en 24 februari 2022 een inhoud die deze geschriften niet hebben, namelijk de vermeende “manifeste weigering om hun standpunt schriftelijk kenbaar te maken aan de verwerende partij om de beroepsprocedure te bemoeilijken al dan niet in de hoop om hiervan in een later stadium garen te kunnen spinnen”.
  5. In het zevende onderdeel voeren de verzoekende partijen de schending aan van “de beginselen van behoorlijk bestuur” en van het gelijkheidsbeginsel. Zij betogen dat de RvVb hen discrimineert tegenover de deputatie in de beoordeling van hun respectievelijke optredens. Wanneer het bestreden arrest hen verwijt de indruk te hebben gewekt een passieve houding te hebben aangenomen en garen te kunnen spinnen, had de RvVb evenzeer aan de deputatie moeten verwijten garen te kunnen spinnen voor de toekomst, namelijk door de mededeling van de op 23 februari 2022 door hen gevraagde documenten ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.261.937 VII-42.145-11/23 bewust uit te stellen tot na de deputatiebeslissing. De “beginselen van behoorlijk bestuur” worden geschonden doordat de deputatie bewust heeft getalmd met de mededeling van stukken tot na de hoorzitting én de beslissing van 10 maart
  6. Door aldus (bewust) te handelen wekt de deputatie minstens de indruk een passieve houding te hebben aangenomen om de uitoefening van het schriftelijk hoorrecht van de verzoekende partijen te bemoeilijken al dan niet in de hoop dat de gevraagde kennisgeving pas laattijdig zou plaatsvinden. Beoordeling Exceptie van niet-ontvankelijkheid van het middel
  7. De exceptie van niet-ontvankelijkheid van het eerste middel werd reeds verworpen in het arrest nr. 260.677 van 19 september
  8. Eerste onderdeel
  9. Het eerste onderdeel van het middel werd reeds verworpen in het arrest nr. 260.677 van 19 september
  10. Tweede onderdeel
  11. Het bestreden arrest oordeelt dat de verzoekende partijen “gelet op de concrete omstandigheden van de zaak” niet kunnen aanvoeren dat hun recht om gehoord te worden, werd geschonden. Aan het “recht om gehoord te worden” waarvan de verzoekende partijen de schending aanvoeren onder de gemeenschappelijke noemer “de hoorplicht, het hoorrecht en het recht om zijn standpunt op nuttige wijze naar voren te brengen”, geeft het bestreden arrest een draagwijdte die wordt gesteund op de beginselen van behoorlijk bestuur, en waarmee de verzoekende partijen het blijkens de uiteenzetting van het tweede middelonderdeel volledig eens zijn. VII-42.145-12/23 Met de in het tweede middelonderdeel ontwikkelde kritiek nodigen de verzoekende partijen de Raad van State uit om te beoordelen of uit de concrete feitelijke gegevens blijkt of het recht om gehoord te worden, zoals opgevat door de RvVb en de verzoekende partijen, werd geschonden door de deputatie. Als cassatierechter treedt de Raad van State echter niet in de beoordeling van de zaak zelf (artikel 14, § 2, RvS-wet), zodat hij niet tot beoordeling van de in het onderdeel ontwikkelde kritiek kan overgaan.
  12. De verzoekende partijen hebben voor de RvVb niet opgeworpen dat het deputatiebesluit een schending inhoudt van “de beginselen van rechtszekerheid en rechtmatig vertrouwen” of van het beginsel patere legem quam ipse fecisti, gelezen in samenhang met het gelijkheidsbeginsel, zodat zij die grieven niet voor het eerst in cassatie kunnen voorleggen.
  13. Het tweede onderdeel van het middel is niet ontvankelijk. Derde, vierde en vijfde onderdeel
  14. Artikel 62 van het omgevingsvergunningsdecreet bepaalt dat “de vergunningsaanvrager alsook elke beroepsindiener” in tweede bestuurlijke aanleg kunnen vragen om gehoord te worden. Artikel 76 van het omgevingsvergunningsbesluit schrijft voor welke personen in dat geval deelnemen aan de hoorzitting. Op grond van deze bepalingen bestaat geen verplichting om de personen die tijdens het openbaar onderzoek een bezwaar hebben ingediend, maar vervolgens geen belang hebben om een bestuurlijk beroep in te stellen omdat de aangevraagde vergunning in eerste bestuurlijke aanleg werd geweigerd, op hun verzoek te horen of uit te nodigen op een hoorzitting die in tweede bestuurlijke aanleg georganiseerd wordt nadat de vergunningsaanvrager of een beroepsindiener gevraagd heeft om gehoord te worden. In zoverre de verzoekende partijen in het VII-42.145-13/23 derde onderdeel van het middel een andere rechtsopvatting verdedigen, faalt hun kritiek naar recht.
  15. Het Grondwettelijk Hof heeft met arrest nr. 125/2016 van 6 oktober 2016 geoordeeld dat artikel 62 van het omgevingsvergunningsdecreet niet strijdig is met de artikelen 10, 11 en 23 van de Grondwet, in zoverre deze bepaling aan de derde-belanghebbenden (waaronder ook worden begrepen de personen die tijdens het openbaar onderzoek in eerste administratieve aanleg een bezwaar hebben ingediend maar geen belang hebben om beroep in te stellen) geen recht verleent om gehoord te worden tijdens de procedure in tweede bestuurlijke aanleg (zie in het bijzonder de randnummers A.3.5 (laatste alinea), A.17.2, B.14.2 en B.17.3 van het arrest). De arresten van het Grondwettelijk Hof nr. 157/2015 en nr. 158/2015 van 4 november 2015 zijn in dit geval niet relevant, nu zij betrekking hebben op de tussenkomst van de derde-belanghebbenden in de jurisdictionele procedure voor de RvVb en niet in de bestuurlijke procedure in tweede administratieve aanleg.
  16. De verzoekende partijen vragen dat de Raad van State een prejudiciële vraag zou richten aan het Grondwettelijk Hof betreffende de verenigbaarheid van artikel 62 van het omgevingsvergunningsdecreet met de artikelen 10, 11 en 23 van de Grondwet, waarbij zij in essentie wensen te vernemen of de beoordeling die gemaakt werd in het arrest nr. 125/2016 ook geldt in het geval dat de derde-belanghebbende vraagt om deel te nemen aan een hoorzitting die georganiseerd wordt nadat de vergunningsaanvrager of de beroepsindiener gevraagd heeft om gehoord te worden, en waarbij zich ook specifieke feitelijke omstandigheden voordoen. Artikel 62 van het omgevingsvergunningsdecreet schrijft echter niet voor wie er aanwezig mag zijn op de hoorzitting die georganiseerd wordt nadat de vergunningsaanvrager of de beroepsindiener gevraagd heeft om gehoord te worden. Luidens het tweede lid van deze bepaling kan de Vlaamse regering nadere regels bepalen inzake de organisatie van en de vertegenwoordiging op de ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.261.937 VII-42.145-14/23 hoorzitting. De door de verzoekende partijen opgeworpen grondwettigheidskritiek schuilt dan ook niet in artikel 62 van het omgevingsvergunningsdecreet. Aan het Grondwettelijk Hof kunnen slechts de prejudiciële vragen gesteld worden omtrent de schending door een wettelijke bepaling van bepaalde grondwettelijke regels. Het is maar wanneer een vraag “te dien aanzien” wordt opgeworpen, dat de Raad van State ertoe gehouden is om de prejudiciële vraag te stellen (artikel 26, § 2, eerste lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 ‘op het Grondwettelijk Hof’). De door de verzoekende partijen opgeworpen vraag berust op een verkeerd begrip van artikel 62 van het omgevingsvergunningsdecreet, en moet derhalve niet gesteld worden.
  17. Artikel 29, § 2, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 ‘op het Grondwettelijk Hof’ bepaalt: “De beslissing waarbij een rechtscollege weigert een prejudiciële vraag te stellen, moet de redenen van de weigering aangeven. Tegen de beslissing van een rechtscollege kan, in zover dit een dergelijke vraag weigert te stellen, geen afzonderlijk rechtsmiddel worden aangewend.” De verzoekende partijen kunnen bijgevolg niet op ontvankelijke wijze middelen of middelonderdelen opwerpen die enkel betrekking hebben op de weigering om een prejudiciële vraag te stellen. In zoverre de kritiek van het vierde en vijfde middelonderdeel betrekking heeft op die weigering van de RvVb, is zij niet ontvankelijk.
  18. De verzoekende partijen voeren ten aanzien van artikel 76 van het omgevingsvergunningsbesluit slechts aan dat deze bepaling dezelfde ruime draagwijdte heeft als artikel 62 van het omgevingsvergunningsdecreet. Dit is echter niet het geval nu artikel 76 van het omgevingsvergunningsbesluit, in tegenstelling tot artikel 62 van het omgevingsvergunningsdecreet, bepaalt wie er aanwezig is op de hoorzitting die georganiseerd wordt nadat een vraag om gehoord te worden werd gesteld door de vergunningsaanvrager of de beroepsindiener. De VII-42.145-15/23 verzoekende partijen oefenen geen specifieke grondwettigheidskritiek uit op dit artikel 76, en nodigen de Raad van State niet, althans niet op een voldoende nauwkeurige wijze, uit om die bepaling aan de artikelen 10, 11 en 23 van de Grondwet te toetsen. De Raad van State kan dan ook niet tot deze toetsing overgaan in het kader van de beoordeling van het derde en vierde middelonderdeel.
  19. Het derde onderdeel, het vierde onderdeel en het vijfde onderdeel van het middel worden verworpen. Zesde onderdeel
  20. In het onderdeel wordt niet uiteengezet hoe het bestreden arrest “het hoorrecht” zou schenden. In zoverre die schending in het zesde onderdeel van het middel wordt aangevoerd, is dit onderdeel niet ontvankelijk.
  21. De artikelen 8.17 en 8.18 van het Burgerlijk Wetboek verplichten de rechter de bewijskracht van de akten te eerbiedigen. De RvVb miskent de bewijskracht van een akte indien hij aan een geschrift, waarnaar hij uitdrukkelijk verwijst, een uitlegging geeft die onverenigbaar is met de bewoordingen ervan, een verklaring toeschrijft die het geschrift niet bevat, dan wel ontkent dat dit geschrift een verklaring bevat die er wel in voorkomt. De rechter die uit een akte louter een feitelijk of juridisch gevolg trekt, miskent echter de bewijskracht van de akte niet.
  22. De inhoud van de brieven en e-mails van 23 en 24 februari 2022 waarvan de bewijskracht volgens de verzoekende partijen is geschonden, wordt door het bestreden arrest als volgt weergegeven in het feitenrelaas: “Met een aangetekende brief van 23 februari 2022, tevens per e-mail verzonden, vragen de verzoekende partijen en 40 andere personen om als ‘belanghebbenden’ gehoord te worden op de hoorzitting van 10 maart
  23. Tevens verzoeken ze om een kopie over te maken van het beroepschrift, het advies van de gemeente Linkebeek en het verslag van de provinciale omgevingsambtenaar. In een afzonderlijke e-mail van 23 februari 2022 VII-42.145-16/23 stellen ze dat er sprake is van een [nieuw] element, zijnde dat de bescherming van het bouwkundig erfgoed van de ‘brouwerswoning’ op 8 oktober 2021 werd uitgebreid tot ‘brouwerswoning met tuin’. De verwerende partij antwoordt diezelfde dag dat de gevraagde documenten via de procedure van openbaarheid van bestuur ter beschikking zullen gesteld worden en dat niet wordt ingegaan op het verzoek tot mondeling horen, maar dat de verzoekende partijen na ontvangst van het verslag van [de] provinciale omgevingsambtenaar wel schriftelijk kunnen reageren. Met een repliek van 24 februari 2022 betwisten de verzoekende partijen het afwijzen van de deelname aan de mondelinge (digitale) hoorzitting.” De verzoekende partijen voeren niet aan dat deze weergave onjuist is. De beoordelingen van het bestreden arrest dat: - de verzoekende partijen hun mogelijkheid om nuttig schriftelijk te worden gehoord zelf hebben gecompromitteerd; - ondanks de wetenschap op 23 februari 2022 dat de hoorzitting zou plaatsvinden op 10 maart 2022 en dat bij uitbreiding een beslissing over het beroep nakende was, de verzoekende partijen in de aanloop naar de hoorzitting in essentie uitsluitend uiting hebben gegeven aan hun kennelijk onterechte overtuiging dat de verwerende partij hen ook mondeling diende te horen zonder, desnoods met het nodige voorbehoud, hun standpunt over het dossier schriftelijk kenbaar te maken; - het in dat verband tekenend is dat de verzoekende partijen in hun tweede mail van 23 februari 2022 wel melding maken van de uitbreiding van de opname in de erfgoedinventaris doch op geen enkele wijze aangeven waarom dit van belang kan zijn voor de behandeling van het administratief beroep; - door (bewust) niet te informeren bij de verwerende partij of beroep werd aangetekend, en manifest te weigeren hun standpunt schriftelijk kenbaar te maken, de verzoekende partijen minstens de indruk wekken een passieve houding te hebben aangenomen om de beroepsprocedure te bemoeilijken al dan niet in de hoop om hiervan in een later stadium garen te kunnen spinnen, VII-42.145-17/23 geven aan de brieven en e-mails van 23 en 24 februari 2022 geen uitlegging die onverenigbaar is met de bewoordingen ervan, maar verbinden enkel aan die stukken, in combinatie met andere gegevens, bepaalde feitelijke gevolgen.
  24. In zoverre het zesde middelonderdeel ontvankelijk is, is het ongegrond. Zevende onderdeel
  25. In zoverre in het zevende onderdeel in het algemeen de schending wordt aangevoerd van “de beginselen van behoorlijk bestuur” zonder te preciseren welk beginsel zou zijn geschonden, mist de kritiek van de verzoekende partijen de vereiste nauwkeurigheid en is het middelonderdeel niet ontvankelijk. De kritiek wordt overigens gericht tegen het besluit van de deputatie en niet tegen het bestreden arrest, en is ook om die reden niet ontvankelijk.
  26. Het in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet verkondigde gelijkheidsbeginsel is gericht tot de wetgevende en de uitvoerende macht, en betreft niet de rechterlijke beslissingen als zodanig. De rechter moet de hem voorgelegde geschillen beslechten aan de hand van de bestaande rechtsregels en algemene rechtsbeginselen. De rechter die de gedingvoerende partijen niet gelijk behandelt, miskent mogelijks bepaalde procedurele regels en beginselen, doch niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. In zoverre kan het middelonderdeel niet tot cassatie leiden. Conclusie
  27. Alle middelonderdelen zijn, in zoverre ontvankelijk, ongegrond. Het eerste middel wordt verworpen. VII-42.145-18/23 B. Tweede middel Uiteenzetting van het eerste onderdeel van het middel
  28. Met het tweede middel komen de verzoekende partijen op tegen de verwerping door de RvVb van het zesde annulatiemiddel waarin zij aanvoerden dat de deputatie niet heeft geantwoord op de grieven die zij in hun collectief bezwaarschrift hadden aangevoerd betreffende de partijdigheid van de auteur van het milieueffectenrapport, en de miskenning van de onverenigbaarheid van de beroepen van architect en aannemer.
  29. Het middel is uitgewerkt in twee onderdelen. In het eerste onderdeel van het middel voeren de verzoekende partijen onder meer de schending aan van de regels inzake de bewijskracht van de akten, uiteengezet in de artikelen 8.5, 8.17 en 8.18 van het Burgerlijk Wetboek. Zij viseren daarbij volgende overweging van het bestreden arrest in de beoordeling van hun zesde annulatiemiddel: “In de bestreden beslissing verwijst de verwerende partij specifiek met betrekking tot de geciteerde grieven naar de beslissing van het college van burgemeester en schepenen en sluit zich aan bij deze motieven. De grieven waarvan de verwerende partij meent dat ze een andere of meer uitgebreide weerlegging behoeven, worden vervolgens door haar uiteengezet en ontmoet onder randnummer 9 van de bestreden beslissing.”, op grond waarvan de RvVb oordeelt dat “[d]e verwerende partij heeft voldaan aan de op haar rustende motiveringsplicht door te verwijzen naar en zich aan te sluiten bij de weerlegging van de geciteerde bezwaren zoals vervat in de beslissing van het college van burgemeester en schepenen. De verzoekende partijen tonen niet aan dat de gehanteerde motieven kennelijk onredelijk, onzorgvuldig of onjuist zijn en evenmin waarom ze niet afdoende zouden zijn om de door hen geuite bezwaren te weerleggen.” VII-42.145-19/23 Volgens de verzoekende partijen blijkt uit de bestreden deputatiebeslissing niet dat de deputatie “specifiek met betrekking tot de geciteerde grieven” verwezen heeft naar de beslissing van het college van burgemeester en schepenen en zich aangesloten heeft bij die motieven. Een dergelijke zin ontbreekt in de beslissing van de deputatie. Ook in randnummer 9 van de beslissing wordt niet ingegaan op de bedoelde grieven. De RvVb heeft dan ook volgens de verzoekende partijen de bewijskracht miskend van de deputatiebeslissing. Standpunt van de verwerende partij
  30. De verwerende partij antwoordt niet specifiek op de aangevoerde schending van de bewijskracht van haar besluit. Zij stelt wel dat het inderdaad zo is dat de deputatie de grief inzake de verboden cumul van hoedanigheden van architect en aannemer niet in het besluit heeft beantwoord, doch dat het hier geen onderwerp betreft dat in een vergunningsbesluit dient te worden besproken. Standpunt van de tussenkomende partij
  31. Volgens de tussenkomende partij is het tweede middel niet ontvankelijk omdat de Raad van State door dit middel wordt uitgenodigd om de volledige feitelijke beoordeling van de RvVb over te doen.
  32. De tussenkomende partij antwoordt niet specifiek op de aangevoerde schending van de bewijskracht van de deputatiebeslissing. Zij laat wel in het algemeen gelden dat de deputatie heeft verwezen naar de bezwaren en de weerlegging ervan door het college van burgemeester en schepenen. De deputatie heeft de bezwaren in aanmerking genomen en expliciet bevestigd dat de aanvraag correct is verlopen. De verzoekende partijen hadden slechts zijdelings gewezen op de onverenigbaarheid aannemer-architect en voornamelijk misbaar gemaakt ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.261.937 VII-42.145-20/23 omtrent de opsteller van de project-mer-screening, ook in de procedure voor de RvVb. In elk geval is de deputatie geenszins gehouden om alle bezwaren woord per woord te weerleggen, zeker niet wanneer de bezwaren niet relevant zijn in het kader van de omgevingsvergunningsprocedure. Beoordeling
  33. In zoverre de schending wordt aangevoerd van de bewijskracht van de deputatiebeslissing, nodigen de verzoekende partijen de Raad van State niet uit om het feitelijk onderzoek van de zaak over te doen, en is het eerste middelonderdeel ontvankelijk.
  34. De deputatiebeslissing die voor de RvVb werd bestreden, bevat volgende passage met betrekking tot het bezwaarschrift dat de verzoekende partijen, samen met anderen, hebben ingediend tijdens het openbaar onderzoek: “Naar aanleiding van het openbaar onderzoek is er één schriftelijk bezwaarschrift ontvangen. Het bezwaar handelt onder meer over het al dan niet vervallen zijn van de verkaveling, over de wettigheid van de verkaveling, over de ecologische functie van het terrein en het mogelijk onrechtmatig kappen van groen met aantasting van het bomenbestand, over de MER-screening en het luik Onroerend Erfgoed, over de waterproblematiek op het terrein, over de adviesaanvragen en over de afwijkingen ten opzichte van de verkaveling met onduidelijke plannen. Het college van burgemeester en schepenen heeft deze bezwaarschriften behandeld en deels in aanmerking genomen, deels weerlegd. Deze bezwaren worden verder behandeld onder 9.” Onder punt 9 van de beslissing wordt ingegaan op een aantal aspecten van de aanvraag, maar wordt niet ingegaan op de grieven van de verzoekende partijen met betrekking tot de partijdigheid van de auteur van het milieueffectenrapport, en de miskenning van de onverenigbaarheid van de beroepen van architect en aannemer. Op die grieven wordt ook nergens anders in de deputatiebeslissing ingegaan, laat staan dat de deputatie zou gesteld hebben zich VII-42.145-21/23 te hebben aangesloten bij het college van burgemeester en schepenen voor wat deze grieven betreft. Het bestreden arrest geeft dan ook aan de deputatiebeslissing een uitlegging die onverenigbaar is met de bewoordingen ervan door voor te houden dat de deputatie zich “specifiek met betrekking tot de […] grieven” betreffende de partijdigheid van de auteur van het milieueffectenrapport, en de miskenning van de onverenigbaarheid van de beroepen van architect en aannemer, heeft aangesloten bij het college van burgemeester en schepenen. De eventuele omstandigheden dat de aangevoerde grieven niet relevant zijn om de geldigheid van een vergunningsaanvraag te beoordelen en als zodanig niet moesten worden beoordeeld door de deputatie, of dat de grieven (correct) werden beoordeeld door het college van burgemeester en schepenen en in aanmerking werden genomen door de deputatie, kunnen geen afbreuk doen aan de vaststelling dat de deputatie zich, in tegenstelling tot wat het bestreden arrest voorhoudt, met betrekking tot deze grieven niet heeft aangesloten bij de beslissing van het college van burgemeester en schepenen. Het eerste middelonderdeel is in zoverre gegrond. BESLISSING
  35. De Raad van State vernietigt arrest nr. RvVb-A-2223-0999 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 22 juni 2023 in de zaak 2122-RvVb-0617-SA.
  36. Dit arrest dient te worden overgeschreven in de registers van de Raad voor Vergunningsbetwistingen en melding ervan moet worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest.
  37. De zaak wordt verwezen naar de anders samengestelde Raad voor Vergunningsbetwistingen. VII-42.145-22/23
  38. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 400 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partijen. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op negen januari tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Peter Sourbron, staatsraad, Francis Van Nuffel, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Carlo Adams VII-42.145-23/23 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.261.937 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.677 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.