id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 januari 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.261.945 Rolnummer: A. 242522/IX-10498 Zaak: Arrest 261945 - Luchtvaart - 09/01/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-01-13 Raadplegingen: 86 - laatst gezien 2026-06-17 03:26 Fiche Arrest nr 261.945 van 9 januari 2025 Economische zaken - Luchtvaart Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.261.945 no lien 280965 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 261.945 van 9 januari 2025 in de zaak A. 242.522/IX-10.498 In zake : N.M. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Steve Ronse en Guillaume Vyncke kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Mobiliteit bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Bart Van Hyfte en Laurent Delmotte kantoor houdend te 1160 Brussel Herrmann-Debrouxlaan 40 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering 1. De vordering, ingesteld op 18 juli 2024, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van “[h]et besluit van […] het Directoraat-Generaal Luchtvaart (DGLV) van 24 mei 2024 houdende 12 maanden schorsing en het verlenen van een onvoldoende score op het volledige PPL(H) examen”. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. Eerste auditeur Ines Martens heeft een verslag opgesteld. IX-10.49 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 16 december 2024. Staatsraad Wouter Pas heeft verslag uitgebracht. Advocaat Guillaume Vyncke, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Maximilien Storme, die loco advocaten Bart Van Hyfte en Laurent Delmotte verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Ines Martens heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Verzoeker neemt deel aan examens voor het verkrijgen van een vergunning als private helikopterpiloot (Private Pilot License Helicopter of PPL(H)). 3.2. Het PPL(H)-examen wordt afgenomen overeenkomstig de bepalingen van Verordening (EU) nr. 1178/2011 van de Commissie van 3 november 2011 ‘tot vaststelling van technische eisen en administratieve procedures met betrekking tot de bemanning van burgerluchtvaartuigen, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad’. Deze verordening bevat onder meer regels voor “verschillende bevoegdverklaringen voor bevoegdheidsbewijzen als piloot, de voorwaarden voor het afgeven, behouden, wijzigen, beperken, schorsen of intrekken van bewijzen van bevoegdheid als piloot, de bevoegdheden en verantwoordelijkheden van de IX-10.49 houders van een bewijs van bevoegdheid als piloot, de voorwaarden voor de omzetting van bestaande nationale bewijzen van bevoegdheid als piloot en nationale bewijzen van bevoegdheid als boordwerktuigkundige in een bewijs van bevoegdheid als piloot” (artikel 1, lid 1, a), van Verordening (EU) nr. 1178/2011). 3.3. Het directoraat-generaal Luchtvaart van de federale overheidsdienst Mobiliteit (hierna: DGLV) is bij koninklijk besluit van 25 oktober 2013 ‘tot uitvoering van Verordening (EU) nr. 1178/2011 van de Commissie van 3 november 2011 tot vaststelling van technische eisen en administratieve procedures met betrekking tot de bemanning van burgerluchtvaartuigen, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad’ aangewezen als bevoegde autoriteit bedoeld in artikel 11ter van de vermelde Verordening (EU) nr. 1178/2011 en in FCL.001 van bijlage I bij deze verordening. Het DGLV is aldus de autoriteit bevoegd voor de afgifte van een bewijs van bevoegdheid als bestuurder of bijbehorende bevoegdverklaringen of certificaten. Artikel 9 van het voornoemde koninklijk besluit bepaalt dat de directeur-generaal de organisatie, de procedure en de precieze inhoud van de theoretische examens bepaalt. Zodoende organiseert het DGLV de theorie-examens voor het verkrijgen van een vergunning als private helikopterpiloot (PPL(H)). 3.4. Met betrekking tot de theorie-examens stelt bepaling FCL.025 van bijlage I van Verordening (EU) nr. 1178/2011 het volgende: “FCL.025 Theorie-examens voor afgifte van bewijzen van bevoegdheid en bevoegdverklaringen
- a)Verantwoordelijkheden van de kandidaat 1) Kandidaten moeten de volledige theorie-examenreeks voor een specifiek bewijs van bevoegdheid of specifieke bevoegdverklaring afleggen onder de verantwoordelijkheid van de bevoegde autoriteit van dezelfde lidstaat. IX-10.49 2) Kandidaten mogen het theorie-examen pas afleggen wanneer ze worden voorgedragen door de gedeclareerde opleidingsorganisatie (DTO) of erkende opleidingsorganisatie (ATO) die verantwoordelijk is voor hun opleiding, nadat ze de toepasselijke onderdelen van de theorieopleiding hebben voltooid op een bevredigend niveau. 3) De voordracht door een DTO of ATO blijft twaalf maanden geldig. Als de kandidaat er niet in slaagt om ten minste één theorie-examen af te leggen binnen de voornoemde geldigheidsperiode, wordt de behoefte aan verdere opleiding bepaald door de DTO of ATO op basis van de behoeften van de kandidaat.
- b)Normen om te slagen 1) Een kandidaat slaagt voor een schriftelijk theorie-examenonderdeel wanneer hij ten minste 75 % scoort van de punten die voor dat examenonderdeel kunnen worden behaald. Er worden geen strafpunten gegeven. 2) Tenzij anders bepaald in dit deel, wordt een kandidaat geacht het vereiste theorie-examen voor het betreffende bewijs van bevoegdheid als bestuurder of de bevoegdverklaring met succes te hebben afgelegd als hij of zij voor alle vereiste theorie-examens is geslaagd binnen een periode van 18 maanden, gerekend vanaf het eind van de kalendermaand waarin de kandidaat voor het eerst deelnam aan een examen. 3) Als een kandidaat voor het ATPL-theorie-examen of voor de afgifte van een bevoegdheidsbewijs als beroepspiloot (CPL) of een instrumentbevoegdverklaring (IR) na vier pogingen nog steeds niet geslaagd is voor een van de theorie-examens of niet voor alle examens geslaagd is in zes zittingen of binnen de in punt b), 2, vermelde periode, moet hij of zij alle theorie-examens opnieuw afleggen. 4) Als kandidaten voor de afgifte van een bevoegdheidsbewijs voor het besturen van lichte vliegtuigen (LAPL) of een bevoegdheidsbewijs als privépiloot (PPL) na vier pogingen niet geslaagd zijn voor een van de theorie-examens of niet voor alle examens geslaagd zijn binnen de in punt b), 2, vermelde periode, moeten zij alle theorie-examens opnieuw afleggen. 5) Alvorens opnieuw aan de theorie-examens deel te nemen, moeten de kandidaten verdere opleiding volgen bij een DTO of ATO. De omvang en reikwijdte van de vereiste opleiding worden bepaald door de DTO of ATO op basis van de behoeften van de kandidaten.
- c)Geldigheidsperiode 1) Een voldoende voor de theorie-examens blijft geldig:
- i)gedurende een periode van 24 maanden voor de afgifte van een LAPL of een bewijs van bevoegdheid voor privépiloten; […] De perioden in punten
- i)en
- ii)worden geteld vanaf de dag waarop de kandidaten slagen voor het theorie-examen in overeenstemming met punt b), punt 2.” IX-10.49 3.5. Krachtens bepaling FCL.215 van bijlage I van Verordening (EU) nr. 1178/2011 moeten kandidaten voor een PPL blijk geven van het toepasselijke niveau van theoriekennis door het afleggen van examens over negen onderwerpen, waarvan vijf algemene onderwerpen (luchtvaartwetgeving, menselijke prestaties, meteorologie, communicatie en navigatie) en vier specifieke onderwerpen betreffende de verschillende luchtvaartuigcategorieën: beginselen van het vliegen, operationele procedures, vluchtprestaties en planning en algemene kennis van het luchtvaartuig. 3.6. Verzoeker neemt een eerste keer deel aan de negen onderdelen van het theorie-examen op 5 december 2023. Hij slaagt voor 3 onderdelen. Op 31 januari 2024 krijgt verzoeker inzage in zijn examens. Op 30 april 2024 legt verzoeker opnieuw het examen af voor de zes theorie-onderdelen waarvoor hij nog niet slaagde. Hij behaalt een voldoende voor vier bijkomende onderdelen. Op dezelfde dag vraagt verzoeker opnieuw inzage in de examens van de twee onderdelen waarvoor hij niet slaagde. 3.7. De inzage vindt plaats op 15 mei 2024. Bij de uitnodiging tot inzage wordt aan verzoeker het volgende meegedeeld: “Het dossier bevat alle vragen die fout zijn beantwoord (gezakte vakken). U kunt zien wat u hebt geantwoord. Maar u krijgt geen antwoordexamen. Overlegregels : 1. De kandidaat heeft 30 minuten de tijd om een PPL-examen te raadplegen. 2. De kandidaat ontvangt van ons kraspapier en een rekenmachine. 3. Kandidaten mogen hun eigen gradenboog, passer en rekenliniaal gebruiken. 4. Het is verboden om naslagwerken zoals studieboeken of cursusnotities mee te nemen. Er mogen geen smartphones, tablets, pc’s of horloges op of bij de examentafel liggen. 5. Na afloop van de raadpleging moet de kandidaat alle verstrekte documenten (vragen, antwoorden, bijlagen) en de kladbladen inleveren. 6. Kandidaten kunnen alleen opmerkingen indienen via het formulier dat bij de raadpleging wordt verstrekt.” IX-10.49 Bij de inzage van zijn examens op 15 mei 2024 ondertekent verzoeker het reglement tot inzage van theorie-examens. Dit luidt als volgt: “1. U heeft 30 minuten om uw examen PPL te raadplegen. U heeft 60 minuten in het geval van een CPL/ATPL examen. 2. U kan uw examen maar 1 keer inkijken. Dit betekent voor een examen ATPL dat inzage enkel mogelijk is na het afleggen van blok A en B. Voor de andere theoretische examens is dat na het initieel afleggen van alle vakken voorzien in het examen. U kan uw examen na een herkansing bekijken als alle vakken werden afgelegd. 3. Wij aanvaarden geen betwistingen per e-mail, telefoon, fax of elk ander communicatiemiddel. Het raadplegen van uw examen is uw enige kans om commentaar te geven. 4. De commentaar moet gemotiveerd zijn. 5. Om een betwisting in te dienen, gelieve het gegeven formulier ‘Betwistingen’ in te vullen. 6. Al uw commentaren zijn welkom en wij zullen er ook de nodige aandacht aan geven, maar wij zullen u achteraf enkel informeren indien uw examenresultaat wijzigt van niet-geslaagd in geslaagd. 7. Het is ten strengste verboden om documenten mee te brengen zoals boeken of cursusnota’s. Elk kladblad moet ook terug gegeven worden aan de toezichthouder. Alvorens inzage te krijgen in uw examen moet u uw telefoon(
- s)afgeven aan de persoon die toezicht houdt. U krijgt uw gsm terug indien u al uw documenten heeft afgegeven!!!” 3.8. Na afloop van het inzagemoment stelt de coördinator van het examen namens het DGLV een melding van fraude op die ondertekend wordt door de toezichthoudster: “Op 15 mei 2024 om 13:50 uur was kandidaat [NM] aanwezig bij de inzage voor zijn vorige examen van 30 april 2024 voor de vakken ‘Airlaw’ en ‘Flight Performance and Planning’. De kandidaat kreeg twee kladbladen, een blad papier voor opmerkingen en een rekenmachine van de FOD. Alle documenten dienen aan het eind van de inzage teruggegeven aan de BCAA. Tijdens zijn inzage kopieerde [NM] verschillende vragen/antwoorden in stylo op een kladblad. Hij vouwde het blad vervolgens in acht en verstopte het onder de rekenmachine. Vervolgens stopte hij het vel papier in de zak van zijn trui. Twee minuten later stond de kandidaat op om de inzage te stoppen. Het was nu ongeveer 14.10 uur. Toen mevrouw [F] (toezichtster FOD) de verschillende documenten controleerde, bleek dat er een kladblad te weinig was. [NM] verklaarde dat hij slechts één kladblad had ontvangen. Op aandringen van mevrouw [F] bleef de kandidaat ontkennen dat hij twee ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.261.945 IX-10.49 kladbladen had ontvangen. Na herhaalde ontkenningen van [NM] kwam [VH] (toezicht) tussenbeide om te zeggen dat hij gezien had dat betrokkene het kladpapier in de zak, vooraan, van diens sweatshirt had gestoken. Vervolgens overhandigde hij het kladblad en gaf de feiten toe, waarbij hij het belang van zijn daad relativeerde. Het was ongeveer 14.15 uur.” 3.9. Op 24 mei 2024 deelt de verwerende partij per brief aan verzoeker het volgende mee: “Onderwerp: 12 maanden schorsing – theorie-examens piloot – [NM] Geachte heer, Op 15 mei 2024 heeft u inzage gedaan van uw resultaten van het theorie-examen PPL(H) dat u aflegde op 30 april 2024. Bij het verlaten van de examenzaal heeft één van de toezichthouders vastgesteld dat u een kladblad verborgen had in de zakken van uw trui en aanstalten maakte om dit document mee te nemen buiten de examenruimte. Verder heeft de toezichthouder ook vastgesteld dat u examenvragen op dit blad genoteerd heeft. Bovenstaande betekent daarom een inbreuk op het inzage reglement waarin vermeld wordt dat elk kladblad aan de toezichthouder moet terug[ge]geven worden. Dit reglement werd u meegedeeld op 01 december 2023 toen u zich registreerde op het Aviation Portal, op 14 april toen u zich registreerde op het Aviation Portal voor het herexamen, in de e-mail van 30 april 2024 toen u verzocht om het examen in te kijken, en in het document dat op 15 mei 2024, de dag van uw inzage, werd verstuurd. Rekening houdend met de bepalingen ARA.GEN.355 (e), ARA.FCL.300 (
- e)en (
- f)van de verordening EC1178/2011[…] wordt beslist dat u een onvoldoende krijgt voor het volledige PPL(H) examen en dat u tot 15 mei 2025 niet mag deelnemen aan een theorie-examen voor het behalen van een bewijs van bevoegdheid, bevoegdverklaring of certificaat conform EC1178/2011.” Dat is de bestreden beslissing. IV. Rechtspleging: vertrouwelijke behandeling van stukken 4. De verwerende partij vraagt om een aantal specifieke stukken inzake het examen – namelijk het examenformulier (vertrouwelijk stuk B) en het kladblad waarop verzoeker de examenvragen heeft overgepend (vertrouwelijk stuk A) – als vertrouwelijk te behandelen, overeenkomstig artikel 87, § 2, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. Zij wijst erop dat deze ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.261.945 IX-10.49 stukken informatie bevatten met een gevoelig karakter die de goede werking en de organisatie van theoretische examens in het gedrang zou brengen mocht deze een eigen leven gaan leiden en worden rondgestuurd. Het verbod om examenvragen mee te nemen buiten het examenlokaal zou worden omzeild door de kennisname ervan in het kader van de procedure voor de Raad van State. 5. De betwisting tussen de partijen handelt niet over de inhoud van vertrouwelijk stuk B, dit zijn de foutief beantwoorde vragen. Er blijkt evenmin op zich betwisting te bestaan omtrent de inhoud van het kladblad dat van verzoeker werd afgenomen bij het inzagemoment, dit is vertrouwelijk stuk A. Daargelaten de vraag of de betrokken stukken al dan niet vallen onder het recht op inzage van bestuursdocumenten en in voorkomend geval al dan niet ressorteren onder een van de wettelijk bepaalde uitzonderingen op dit recht, moet bijgevolg vastgesteld worden dat de betwisting tussen de partijen geen betrekking heeft op de inhoud van deze stukken. Hoewel in deze stand van het geding niet bevestigd kan worden dat het aangevoerde vertrouwelijke karakter relevant is, kan vastgesteld worden dat de gevraagde vertrouwelijkheid niet strijdt met de vereisten van een effectieve rechtsbescherming en van de eerbiediging van het recht op woord en wederwoord van de procespartijen en met het vereiste dat de procedure op alle onderdelen het recht op een eerlijk proces eerbiedigt. In de huidige stand van het geding blijkt niet dat er redenen zijn om de vertrouwelijkheid van deze stukken te lichten. V. Schorsingsvoorwaarden 6. Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel IX-10.49 wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden. VI. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de partijen 7.1. In een eerste middel roept verzoeker de schending in van de bepalingen ARA.FCL.300 en ARA.GEN.355, e), van Verordening (EU) nr. 1178/2011, de schending van het gelijkheidsbeginsel, zoals vervat in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, de schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’, de schending van de materiëlemotiveringsplicht, de schending van het redelijkheidsbeginsel, de schending van het rechtszekerheidsbeginsel en de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. 7.2.1. In een eerste middelonderdeel stelt verzoeker dat door aan bepaling ARA.FCL.300 van Verordening (EU) nr. 1178/2011 een draagwijdte te verlenen die deze niet heeft en door het toepassingsgebied daarvan uit te breiden, de verwerende partij de rechtstreekse werking van deze bepaling miskent en een beslissing neemt die buiten haar bevoegdheid valt, waardoor er sprake is van machtsoverschrijding. Door op die manier te handelen schendt de verwerende partij ook het gelijkheidsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel, nu verzoeker er bij lezing van bepaling ARA.FCL.300 mocht van uitgaan dat de daarin vermelde sancties niet gelden voor het inzagemoment en enkel voor het examenmoment an sich, waardoor de inhoud en de draagwijdte van de maatregel in de bestreden beslissing voor hem geenszins duidelijk en voorzienbaar waren. Zodoende kon verzoeker de gevolgen van zijn handelingen niet inschatten en behandelt de verwerende partij twee van elkaar verschillende situaties op een IX-10.49 ongerechtvaardigde wijze op dezelfde manier. In dezelfde mate kan de verwerende partij geen draagkrachtige en wettige motieven voorleggen om tot haar beslissing te komen, waardoor ook de materiëlemotiveringsplicht is geschonden. Elke andere zorgvuldige overheid, in dezelfde omstandigheden geplaatst, zou niet tot eenzelfde beslissing zijn gekomen en zou niet de sanctie uit artikel ARA.FCL.300 hebben toegepast, minstens zou een dergelijke zorgvuldige overheid een maatregel hebben genomen van minder verregaande aard dan de bestreden beslissing, dewelke de maximumsanctie oplegt. Volgens verzoeker is het toepassingsgebied van bepaling ARA.FCL.300 bijzonder duidelijk. De verordening koos ervoor om enkel het examenmoment zelf te reguleren en om enkel sancties te plaatsen op specifieke inbreuken tijdens het examen. Het inzagemoment zelf is niet gereguleerd, hetgeen maakt dat het DGLV niet zonder meer de sancties uit bepaling ARA.FCL.300 van toepassing kan verklaren op het inzagemoment, minstens dat het DGLV dat niet kan doen zonder daarvoor een gedegen en draagkrachtige motivering te geven. De bestreden beslissing steunt letterlijk en expressis verbis op de miskenning van bepaling ARA.FCL.300. Dit blijkt ook uit de aard van de maatregel, nu verzoeker de dubbele sanctie uit bepaling ARA.FCL.300 krijgt. Enerzijds wordt hem immers de sanctie voor het ‘niet in acht nemen van de examenprocedures’ uit punt
- e)opgelegd en anderzijds krijgt hij evenzeer de sanctie voor ‘spieken’ uit punt
- f)opgelegd. De verwerende partij toont echter niet aan dat bepaling ARA.FCL.300 ook van toepassing zou zijn op het inzagemoment. De feiten die ten grondslag liggen aan de bestreden beslissing vinden immers hun oorsprong in het inzagemoment van 15 mei 2024. Op geen enkel moment was er op 15 mei 2024 sprake van een examenmoment. Dat examenmoment vond eerder, op 30 april 2024, plaats. Door op die manier te oordelen, schendt de verwerende partij bepaling ARA.FCL.300 van Verordening (EU) nr. 1178/2011. Zij geeft daaraan immers een invulling die deze bepaling niet heeft en verklaart die van toepassing op een situatie waarop deze niet speelt. De verwerende partij toont bovendien niet aan dat verzoeker zich in een van de situaties van bepaling ARA.FCL.300 zou hebben bevonden. Om die reden is de motivering uit de bestreden beslissing IX-10.498 gebrekkig. Ze is niet alleen zowel in feite (inzagemoment versus examenmoment) als in rechte (toepassingsgebied bepaling ARA.FCL.300) onjuist, hetgeen een schending van de materiëlemotiveringsplicht uitmaakt, doch is ook formeel gebrekkig, aangezien uit de bestreden beslissing niet blijkt hoe verzoeker de punten
- e)en
- f)van bepaling ARA.FCL.300 van Verordening (EU) nr. 1178/2011 zou hebben geschonden. Door twee volledig van elkaar verschillende situaties op een gelijke manier te behandelen schendt de bestreden beslissing bovendien het gelijkheidsbeginsel. Ook het rechtszekerheidsbeginsel, het redelijkheids- en het zorgvuldigheidsbeginsel worden aldus geschonden geacht. 7.2.2. In een tweede middelonderdeel stelt verzoeker dat door de bestreden beslissing mede te stoelen op bepaling ARA.GEN.355 van Verordening (EU) nr. 1178/2011 doch door daarbij geenszins te vermelden of expliciteren op welke wijze deze bepaling zou zijn geschonden dan wel van toepassing zou zijn, de verwerende partij evenzeer de formelemotiveringsplicht schendt. De motieven van de bestreden beslissing en de reden waarom men een bepaalde regel geschonden of van toepassing acht moeten letterlijk in de bestreden beslissing worden opgenomen. Om dezelfde reden schendt de verwerende partij het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel, nu elke andere overheid, in dezelfde omstandigheden geplaatst, niet tot eenzelfde beslissing zou zijn gekomen, doch deze inhoudelijk zou hebben gemotiveerd. 7.3.1. Ten aanzien van het eerste middelonderdeel stelt de verwerende partij dat zij heel duidelijke regels inzake de examenprocedure uitgevaardigd heeft en meermaals aan verzoeker meegedeeld. Op grond van bepaling ARA.FCL.300 van Verordening (EU) nr. 1178/2011 en gelet op de doelstellingen van de Europese wetgever kon de verwerende partij niet anders dan vaststellen dat verzoeker bewust deze regels heeft overtreden en diende zij de sancties op te leggen waarin uitdrukkelijk is voorzien door de Europese wetgever. Deze sancties kunnen onverminderd worden opgelegd voor het niet-naleven van de procedureregels en voor het plegen van fraude tijdens de volledige examenprocedure (en dus niet enkel tijdens het effectief afleggen van het examen), IX-10.498 gelet op de verplichting voor het DGLV om de integriteit van de examens te waarborgen gedurende de hele procedure. De verwerende partij stelt dat de geldende verordening in bijlage VI - Deel ARA een heel aantal eisen bepaalt die de bevoegde autoriteiten moeten naleven. In de bestreden beslissing wordt uitdrukkelijk gewezen op bepaling ARA.FCL.300 en in het bijzonder op de sancties onder de punten
- e)en
- f)ervan. Het normdoel van deze bepaling is heel duidelijk en blijkt uitdrukkelijk uit punt
- d)waarbij aan de bevoegde autoriteit – in België het DGLV – wordt opgelegd om gepaste procedures uit te werken om de integriteit van de examens te waarborgen. Uit de punten
- e)en
- f)blijkt dat in twee specifieke sancties moet worden voorzien door de bevoegde autoriteiten bij het niet-naleven van de examenprocedures, enerzijds wanneer vastgesteld wordt dat de aanvrager de examenprocedures niet in acht neemt “tijdens het examen” (punt e)) en anderzijds wanneer bewezen is dat een deelnemer gespiekt heeft (punt f)). Bij deze tweede sanctie wordt zelfs niet verwezen naar de bewoording “tijdens het examen”. De verwerende partij wijst ook op de Engelse tekst van deze bepaling van de verordening, die verwijst naar “applicants who are proven to be cheating”. Hieruit blijkt dat niet enkel “spieken” in de zin van “afkijken tijdens het examen” bestraft kan worden, maar iedere deelnemer waarvan kan worden aangetoond dat hij fraude of bedrog heeft gepleegd tijdens de examenprocedure. Deze lezing wordt bevestigd door de Franse versie die uitgaat van deelnemers die hebben vals gespeeld (“ont triché”) en de Duitse versie waarbij wordt gesproken van de aanvragers waarvan bewezen is dat ze fraude hebben gepleegd (“denen ein Betrug nachgewiesen wird”). De verwerende partij voert aan dat zij grondige en duidelijke regels heeft vastgelegd zowel bij het afnemen van het examen als bij de inzage ervan. Er wordt verwezen naar het document met “Do’s-and-don’ts tijdens het verloop van de theorie-examens”. De verwerende partij citeert de regels die gelden tijdens en na het examen en stelt dat op een gelijkaardige manier ook een reglement geldt voor de inzage van het examen. Deze regels werden meegedeeld op het moment van de inzage en ondertekend door verzoeker. Uit de lezing van de meegedeelde reglementen en uit bepaling ARA.FCL.300 kunnen volgens de verwerende partij de volgende zaken worden IX-10.498 afgeleid. Ten eerste zijn de regels van ARA.FCL.300 van toepassing op examenprocedures in het algemeen. Het examen bestaat niet enkel uit de eigenlijke aflegging van de verschillende onderdelen van het theoretisch examen (wat verzoeker ‘het examenmoment’ noemt), maar betreft een bredere notie die het indienen van de aanvraag tot deelneming, het afleggen van het examen zelf, de verbetering ervan en het inzagemoment omvat. Uit een met het normdoel conforme lezing van de bepaling blijkt niet dat de Europese wetgever de bevoegde autoriteit enkel verplichtingen oplegde om de integriteit van het examen te waarborgen louter tijdens het examenmoment zelf. Punt
- d)verplicht namelijk de bevoegde autoriteiten ertoe om net procedures uit te werken om de integriteit van het examen te garanderen en dus van de volledige examenprocedure. De bewoording “tijdens het examen” in punt
- e)van ARA.FCL.300 heeft betrekking op de hele looptijd van het examen, waarbij zowel de eerste poging als de eventuele herkansingen van éénzelfde examen worden geviseerd. Ook uit de lezing van bepaling
- f)kan niet worden afgeleid dat deze regeling enkel betrekking zou hebben op het moment van het effectief afnemen van het examen. Fraude of bedrog kan ook reeds gepleegd worden bij het indienen van de aanvraag tot deelname aan het examen (door bijvoorbeeld de gevolgde opleidingen te vervalsen of frauduleus op voorhand de examenvragen te verkrijgen) of ook na het afleggen van het examen zelf (door bijvoorbeeld de examenresultaten te hacken). Het inzagerecht is inherent verbonden aan het afleggen van het examen, daar dit een moment is dat deelnemers toelaat om te verifiëren of het examen correct werd verbeterd en om zich bewust te zijn van welke vragen zij foutief hebben beantwoord. Het maakt dus integraal deel uit van de notie “examen”, waardoor het niet-naleven van de regels inzake de examenprocedure en (pogingen tot) fraude op dat moment ook het voorwerp kunnen uitmaken van de handhavingsmaatregelen uit de punten
- e)en
- f)van bepaling ARA.FCL.300. Ten tweede blijkt volgens de verwerende partij uit de door het DGLV opgemaakte reglementen dat gelijkaardige strikte regels werden voorzien tijdens het afleggen van de examens en tijdens de inzage ervan achteraf. Beide handelingen gebeuren namelijk steeds op dezelfde specifieke data, in dezelfde lokalen, in nagenoeg identieke omstandigheden. Zowel bij het afleggen van het examen als tijdens de inzage IX-10.498 ervan is het verboden om een GSM te gebruiken, om cursussen te raadplegen of nog om een eigen rekenmachine te gebruiken. In beide gevallen geldt ook de regel dat alle documenten, inclusief de kladbladen, moeten worden afgegeven bij het verlaten van het examenlokaal. Verordening (EU) nr. 1178/2011 voorziet niet in aparte maatregelen al naargelang de examenprocedures niet worden nageleefd bij het afleggen van het examen of bij het raadplegen van het examen. De verordening voorziet evenmin in verschillende maatregelen al naargelang de (poging tot) fraude plaatsvindt voor, tijdens of na het afleggen van het examen of bij het raadplegen ervan. Het gelijkheidsbeginsel zou pas geschonden zijn indien de verwerende partij andere maatregelen zou nemen al naargelang het moment tijdens de examenprocedure waarop de fraude plaatsvindt. Bijgevolg kon de verwerende partij niet anders doen dan bij het vaststellen van de handelingen van verzoeker een maatregel te nemen zoals bedoeld in bepaling ARA.FCL.300,
- e)en f). Zij is hierbij zorgvuldig en consequent opgetreden en heeft niet willekeurig en onredelijk gehandeld. Er anders over oordelen zou betekenen dat de verordening niet in een straf zou voorzien bij fraude gepleegd tijdens de verbetering van het examen of tijdens de inzage ervan. Dergelijke lezing van de verordening druist manifest in tegen de doelstellingen die de Europese wetgever voor ogen had bij het uitvaardigen van deze specifieke sancties. 7.3.2. Wat betreft het tweede middelonderdeel stelt de verwerende partij dat bepaling ARA.GEN.355 van Verordening (EU) nr. 1178/2011 een algemene eis is die bepaalt wat een bevoegde autoriteit dient te doen bij vaststellingen van niet-naleving van de in de verordening of de krachtens de verordening vastgelegde voorschriften. Aldus vormt deze bepaling het rechtskader om de nodige handhavingsmaatregelen te nemen ten aanzien van personen die onderworpen zijn aan deze regelgeving, maar (nog) niet in het bezit zijn van een bewijs van bevoegdheid, certificaat, bevoegdverklaring of attest. In casu werd een handhavingsmaatregel genomen ten aanzien van verzoeker. Uit de feiten blijkt dat – wat het PPL(H)-examen betreft – verzoeker nog niet beschikt over een bewijs van bevoegdheid en dit wenst te IX-10.498 behalen. Het treffen van handhavingsmaatregelen, waarin specifiek wordt voorzien in bepaling ARA.FCL.300, gebeurt dus ook in uitvoering van deze algemenere GEN-bepaling. In de bestreden beslissing wordt dus deze GEN-bepaling aangehaald als rechtsgrond voor de genomen handhavingsmaatregelen. Door deze bepaling – die hier gelezen moet worden in samenhang met de specifieke bepaling ARA.FCL.300 – te integreren in haar beslissing, heeft de verwerende partij haar beslissing wel degelijk afdoende gemotiveerd. Verzoeker gaat in zijn tweede middelonderdeel uit van een verkeerde lezing van Verordening (EU) nr. 1178/2011, waar hij stelt dat in de bestreden beslissing niet wordt aangetoond aan welke ‘toepasselijke eisen’ verzoeker niet zou hebben voldaan. Uit de lezing van Verordening (EU) nr. 1178/2011 blijkt duidelijk dat het naleven van de examenprocedure een toepasselijke eis is die moet worden nageleefd bij de deelname aan de theorie-examens. Deze examenprocedure werd door het DGLV vastgelegd in toepassing van bepaling ARA.FCL.300, a), en strekt ertoe om de integriteit van de examens te waarborgen in toepassing van bepaling ARA.FCL.300, d). Anders dan wat verzoeker tracht voor te stellen werd in de bestreden beslissing wel degelijk aangetoond op welk voorschrift van het reglement inzake de inzage van het theoretisch examen een inbreuk werd gepleegd, met name dat inzake het verbod om de ter beschikking gestelde kladbladen mee te nemen, alsook op welke wijze deze bepaling werd geschonden. In zoverre verzoeker nogmaals tracht voor te houden dat het inzagemoment niet geregeld zou zijn in Verordening (EU) nr. 1178/2011 en het dus geen deel zou uitmaken van de examenprocedure, verwijst de verwerende partij naar het eerste middelonderdeel. Beoordeling 8. De bestreden beslissing verwijst naar de bepalingen ARA.GEN.355, e), en ARA.FCL.300,
- e)en f), van Verordening (EU) nr. 1178/2011. 9. Bepaling ARA.FCL.300 luidt als volgt: IX-10.498 “
- a)De bevoegde autoriteit dient de nodige regelingen en procedures in te voeren om aanvragers in staat te stellen theorie-examens af te leggen overeenkomstig de toepasselijke eisen van bijlage I (deel FCL), bijlage III (deel BFCL) bij Verordening (EU) 2018/395 van de Commissie of bijlage III (deel SFCL) bij Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1976 van de Commissie.
- b)In het geval van het bewijs van bevoegdheid als verkeersvlieger (ATPL), het meervliegervliegbewijs (MPL), het bewijs van bevoegdheid als beroepsvlieger (CPL) en de bevoegdverklaring instrumentvliegen (IR), dienen deze procedures te voldoen aan elk van de volgende eisen: […]
- c)De bevoegde autoriteit dient de aanvragers in kennis te stellen van de beschikbare examentalen.
- d)De bevoegde autoriteit dient gepaste procedures uit te werken om de integriteit van de examens te waarborgen.
- e)Indien de bevoegde autoriteit vaststelt dat de aanvrager de examenprocedures niet in acht neemt tijdens het examen, dient dit te worden beoordeeld teneinde de aanvrager een onvoldoende te geven, ofwel voor het examen in een afzonderlijk studiegebied, ofwel voor het volledige examen.
- f)Aanvragers van wie bewezen is dat ze hebben gespiekt, wordt deelname aan elk ander examen verboden door de bevoegde autoriteit gedurende minstens twaalf maanden vanaf de datum van het examen waarvoor ze hebben gespiekt.” 10. Deze bepaling legt de bevoegde autoriteit – in casu het DGLV – de verplichting op om de gepaste procedures uit te werken om de integriteit van de examens te waarborgen. Daarnaast legt de bepaling vast welke straf moet worden opgelegd indien de examenprocedures niet in acht zijn genomen tijdens het examen en wanneer bewezen is dat de aanvrager heeft gespiekt. 11. De bestreden beslissing legt de straffen op waarvan sprake is in de bepalingen
- e)en
- f)van bepaling ARA.FCL.300. Daaruit blijkt dat de bestreden beslissing toepassing maakt van deze bepalingen. Zoals ook uit het verweer van de verwerende partij blijkt, past de bestreden beslissing aldus de straf toe die geldt voor “het niet in acht nemen van de examenprocedures tijdens het examen” alsook voor het geval “bewezen is dat [de aanvragers] hebben gespiekt”. IX-10.498 12. De feiten waarvoor de straf is opgelegd en die door verzoeker noch door de verwerende partij worden betwist, hebben enkel en alleen betrekking op het niet-naleven van het reglement tot inzage van theorie-examens. 13. Volgens de verwerende partij zijn de regels van bepaling ARA.FCL.300 van toepassing op examenprocedures in het algemeen en is het inzagemoment daarin integraal begrepen. 14. Ook al kan – zoals in voorliggend geval – de inzage aan bepaalde regels worden onderworpen, dan betekent dit evenwel nog niet dat de inzage kan worden beschouwd als integraal deel uitmakend van het examen, zo lijkt. Het feit dat het normdoel van Verordening (EU) nr. 1178/2011 met zich meebrengt dat het waarborgen van de integriteit van de examens niet beperkt moet blijven tot het examenmoment sensu stricto (en bijvoorbeeld ook de bescherming van de verwerking van de examenresultaten omvat) betekent op het eerste gezicht niet dat het inzagemoment kan worden geacht deel uit te maken van het examen in de zin van de verordening. In tegenstelling tot wat de verwerende partij voorhoudt, lijkt in redelijkheid niet aangenomen te kunnen worden dat de inzage van een examen deel uitmaakt van het examen. Een examen bestaat in het onderzoek van de kennis of bekwaamheid van de deelnemer. De inzage van een examen maakt geen deel uit van dit onderzoek, maar laat de geëxamineerde toe om na te gaan waar zijn kennis of bekwaamheid tekortschiet, alsook om na te gaan of het examen op een correcte wijze is verbeterd. 15. Dat het examen – als het geheel van het onderzoek van de kennis of bekwaamheid en de quotering ervan – onderscheiden moet worden van de inzage van een reeds afgelegd, verbeterd en gequoteerd examen, lijkt overigens IX-10.498 ook te worden bevestigd doordat de straffen waarin bepaling ARA.FCL.300 voorziet prima facie in een redelijke verhouding staan met fraude of bedrog bij het afleggen van een examen gericht op het beïnvloeden van het examenresultaat, maar prima facie niet in een redelijke verhouding staan met het niet-naleven van de regels bij de inzage van een reeds afgelegd, verbeterd en gequoteerd examen. 16. In de huidige stand van de procedure wordt aangenomen dat het niet-naleven van de procedures voor de inzage, in redelijkheid dus niet tot gevolg kan hebben dat geoordeeld wordt dat de examenprocedures niet in acht zijn genomen “tijdens het examen”, zoals bedoeld in bepaling ARA.FCL.300, e), of dat er sprake is van “spieken” of bedrog bij de theorie-examens, zoals bedoeld in bepaling ARA.FCL.300, f), van Verordening (EU) nr. 1178/2011. 17. Door aan te nemen dat het niet-naleven van het reglement van de inzage beschouwd moet worden als het niet in acht nemen van de examenprocedures tijdens het examen en als bewijs van spieken of bedrog bij het examen, lijkt de bestreden beslissing een onjuiste toepassing te maken van de bepalingen van bepaling ARA.FCL.300. De bestreden beslissing lijkt deze bepaling te schenden door er een betekenis aan te geven die de bepaling niet heeft en door de erin opgenomen straffen op te leggen in gevallen die niet onder de toepassing van de bepaling vallen. 18. De materiëlemotiveringsplicht houdt in dat er voor elke administratieve beslissing rechtens aanvaardbare motieven moeten bestaan. Dit betekent onder meer dat die motieven steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die relevant zijn en met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. Bovendien moet de overheid de gegevens die in rechte en in feite juist zijn, correct beoordelen en op grond van deze gegevens in redelijkheid tot een beslissing komen. Een beslissing schendt de materiëlemotiveringsplicht wanneer de motieven waarop ze steunt onjuist of onwettig zijn of de beslissing niet kunnen dragen. IX-10.498 19. Uit het voorgaande blijkt dat de bestreden beslissing niet lijkt te beantwoorden aan de vereisten die de materiëlemotiveringsplicht stelt. Het eerste middelonderdeel is ernstig. Aangezien dit de ernst van het eerste middel met zich meebrengt, is het in de huidige stand van de procedure niet nodig het tweede middelonderdeel te beoordelen. 20. Het eerste middel is ernstig. B. Tweede en derde middel 21. Aangezien voor de schorsing van de bestreden beslissing volstaat dat één middel ernstig is, is het in de huidige stand van de procedure niet nodig het tweede en het derde middel te onderzoeken. VII. Spoedeisendheid Uiteenzetting van de spoedeisendheid 22. Verzoeker motiveert de spoedeisendheid van de vordering in zijn verzoekschrift door te betogen dat het doorlopen van de normale vernietigingsprocedure zonder meer te laat zou komen om de nadelige gevolgen voor hem tijdig te remediëren. De reden hiervoor is volgens verzoeker tweeërlei. Ten eerste zou het doorlopen van de vernietigingsprocedure maken dat de bestreden beslissing zonder meer een volledige uitwerking zal hebben gekregen en dat de gevreesde nadelige gevolgen zich zullen hebben gemanifesteerd. Hierdoor zou verzoeker ook het actueel belang bij zijn beroep verliezen. Ten tweede zou het niet schorsen van de bestreden beslissing maken dat verzoeker op een tijdspanne van slechts veertien dagen het nodige zou moeten doen om maar liefst negen examens opnieuw af te leggen. Dit is onmogelijk gelet op de noodzakelijke voorafgaande studie en het laat hem geen enkele marge meer om vakken opnieuw af te leggen indien hij voor één of meer vakken niet geslaagd zou zijn. Nochtans IX-10.498 heeft hij het recht om vier pogingen te ondernemen om te slagen voor het PPL(H)-examen. Wat de eerste reden betreft wijst verzoeker erop dat de bestreden beslissing essentieel een tijdelijk karakter heeft zodat de nadelige gevolgen ervan na verloop van twaalf maanden onherroepelijk ingetreden zullen zijn. Na deze termijn kan hij opnieuw deelnemen aan theorie-examens, waarbij hij de examens voor alle negen opleidingsonderdelen opnieuw zal moeten afleggen. Nog los van het feit dat verzoeker op dat moment nog steeds belang zal hebben bij het vernietigen van de bestreden beslissing, is een schorsing van de tenuitvoerlegging ervan onontbeerlijk om de voornoemde schadelijke gevolgen die kleven aan de termijn die in de bestreden beslissing werd bepaald, te voorkomen. Wat de tweede reden betreft stelt verzoeker dat de spoedeisendheid ook in grote mate ingegeven is door hetgeen in bepaling FCL.025 van bijlage I bij Verordening (EU) nr. 1178/2011 is bepaald, meer bepaald door het feit dat verzoeker voor het volledige PPL(H)-examen moet slagen binnen een periode van achttien maanden, gerekend vanaf het einde van de kalendermaand waarin de kandidaat voor het eerst deelnam aan een examen. Gelet op het feit dat verzoeker voor het eerst zijn examen aflegde op 5 december 2023, moet aldus een termijn van achttien maanden worden gerekend vanaf 31 december 2023. Dit geeft als ultieme deadline 30 juni 2025, ofwel anderhalve maand na het volledig uitwerken van de bestreden beslissing. Verzoeker zou met andere woorden pas vanaf 15 mei 2025 opnieuw kunnen deelnemen aan het theorie-examen en zou op dat moment nog voor negen vakken moeten slagen, waarbij hij op dat moment voor drie van de negen vakken nog drie pogingen tot deelname heeft en voor zes vakken nog twee pogingen tot deelname. Dit maakt dat verzoeker ook zijn recht op vier deelnamepogingen per opleidingsonderdeel niet langer nuttig zou kunnen uitoefenen. Indien verzoeker na deze pogingen voor minstens één vak niet zou slagen, moet hij alle examens nadien opnieuw afleggen én moet hij, alvorens opnieuw deel te nemen, eerst nog een verdere opleiding volgen. Voornoemd tijdsverloop, doch ook de verplichting om op bijzonder korte tijd te slagen voor ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.261.945 IX-10.498 een examen waarvoor anderen wettelijk gezien achttien maanden de tijd krijgen, is voor verzoeker manifest grievend en nadelig. De schorsing van de bestreden beslissing zou verzoeker dan ook een rechtstreeks en onmiddellijk voordeel opleveren, voordeel dat hij in de normale procedure tot nietigverklaring onmogelijk zou kunnen bekomen. Beoordeling 23. Zoals hiervóór sub 6 in herinnering is gebracht, kan krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen indien, onder meer, “de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring”. Overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State moet het verzoekschrift “een uiteenzetting van de feiten [bevatten] die, volgens de indiener ervan, de spoedeisendheid verantwoorden die ter ondersteuning van dit verzoekschrift wordt ingeroepen”. 24. Het komt er voor een verzoekende partij die beweert dat de zaak te spoedeisend is om de uitkomst van het annulatieberoep te kunnen afwachten, op aan om van die urgentie te overtuigen aan de hand van de concrete feiten die zij in haar vordering aanvoert. Dit houdt in dat het aan de verzoekende partij toekomt aan de zaak eigen, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen dat de zaak spoedeisend is, gelet op de nadelige gevolgen die een tenuitvoerlegging van het bestreden besluit voor haar persoonlijk zou veroorzaken. Die gegevens moeten door de verzoekende partij worden onderbouwd op een wijze die de rechter toelaat om ze te verifiëren, zodat hij kan aftoetsen of ze de beweerde spoedeisendheid inderdaad verantwoorden. De spoedeisendheid van de zaak wordt niet vermoed, welke ook de aard van de bestreden beslissing is. Er kan alleen rekening worden gehouden met hetgeen over IX-10.498 de spoedeisendheid in het verzoekschrift of de daarbij gevoegde stukken wordt uiteengezet en gestaafd. 25. Om de spoedeisendheid aan te tonen, volstaat het niet te stellen dat de doorlooptijd van een annulatieprocedure te lang duurt of dat het resultaat van een annulatieprocedure niet kan worden afgewacht. Het moeten afwachten van het normale procedureverloop in het kader van een beroep tot nietigverklaring maakt het onvermijdelijke lot uit van elke beroepindiener en het staat aan de verzoekende partij om aan te tonen dat zij het resultaat van de procedure tot nietigverklaring niet kan afwachten op straffe van zich in een toestand te bevinden met ernstige schadelijke gevolgen. 26. Met de bestreden beslissing wordt aan verzoeker een onvoldoende opgelegd voor het gehele PPL(H)-examen én wordt hem ook een tijdelijk verbod opgelegd tot 15 mei 2025 om nog deel te nemen aan een theorie-examen voor het behalen van een bewijs van bevoegdheid, bevoegdverklaring of certificaat conform Verordening (EU) nr. 1178/2011. Deze beslissing maakt het hem voorlopig onmogelijk om op korte termijn een bewijs van bevoegdheid, bevoegdverklaring of certificaat conform Verordening (EU) nr. 1178/2011 te behalen. Verzoeker wijst er ook op dat hij na 30 juni 2025 eerst nog een verdere opleiding zal moeten volgen om opnieuw te mogen deelnemen aan examens. 27. Vooreerst moet worden vastgesteld dat verzoeker nalaat om concrete, precieze en pertinente gegevens aan te reiken die aantonen dat hij ernstige schadelijke gevolgen lijdt door de onmogelijkheid om op korte termijn een private licentie te behalen als helikopterpiloot. Hij brengt geen enkel concreet element aan waaruit de noodzaak blijkt om op korte termijn te kunnen beschikken over een bewijs van bevoegdheid, bevoegdverklaring of certificaat conform Verordening (EU) nr. 1178/2011. De vergunning als piloot die verzoeker wenst te behalen en waarvoor de betrokken examens werden afgelegd, is een PPL(H) of ‘Private Pilot License’ voor helikopter. Een dergelijke vergunning is bedoeld voor IX-10.498 recreatiedoeleinden. De verwerende partij wijst er terecht op dat uit de uiteenzetting van het tweede middel blijkt dat verzoeker “in zijn vrije tijd, geheel op eigen initiatief een opleiding tot helikopterpiloot” volgt, zodat ervan kan worden uitgegaan dat deze opleiding en de deelname aan de theorie-examens kaderen in de privé- en vrijetijdssfeer en niet in de professionele sfeer. Verzoeker bewijst dus niet dat de tijdelijke onmogelijkheid om deel te nemen aan theorie-examens voor helikopterpiloot, het niet-geslaagd verklaren voor de reeds afgelegde examens en de onmogelijkheid om op korte termijn een bewijs van bevoegdheid, bevoegdverklaring of certificaat conform Verordening (EU) nr. 1178/2011 te behalen hem ernstige schade berokkent die onmogelijk kan worden hersteld door een eventuele vernietiging van de bestreden beslissing. 28. Verzoeker voert wel aan dat het doorlopen van een vernietigingsprocedure ertoe leidt dat de bestreden beslissing volledig uitwerking zal hebben gekregen gelet op het essentieel tijdelijk karakter van deze beslissing. Met deze argumentatie richt verzoeker zich enkel tegen de bestreden beslissing voor zover daarin een verbod van twaalf maanden wordt opgelegd om deel te nemen aan een theorie-examen voor het behalen van zijn vergunning als privépiloot en niet tegen de beslissing om hem een onvoldoende te geven voor het volledige PPL(H)-examen. Gelet hierop wordt de stelling van verzoeker dat door het tijdsverloop van een vernietigingsprocedure de bestreden beslissing volledig uitwerking zou hebben gekregen en hij zijn actueel belang zou verliezen hoe dan ook niet aangetoond. 29. Daarbij volstaat het niet te stellen dat de doorlooptijd van een annulatieprocedure te lang duurt of dat het resultaat van een annulatieprocedure niet kan worden afgewacht. Het moeten afwachten van het normale procedureverloop in het kader van een beroep tot nietigverklaring maakt, zoals gezegd, het onvermijdelijke lot uit van elke beroepindiener. Het loutere feit dat de termijn van twaalf maanden waarbinnen hij niet kan deelnemen aan theorie-examens voor het behalen van zijn licentie als ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.261.945 IX-10.498 piloot verlopen zou zijn na het doorlopen van een vernietigingsprocedure vormt op zich geen voldoende reden om de aanwezigheid van spoedeisendheid aan te tonen. 30. Verzoeker meent echter dat het verloop van deze termijn van twaalf maanden ernstige gevolgen voor hem heeft. Gelet op het vereiste om binnen een periode van achttien maanden na het afleggen van het eerste examen te slagen voor het volledige PPL(H)-examen (bepaling FCL.025, b), 2), van bijlage I bij Verordening (EU) nr. 1178/2011), zou hij immers na afloop van de schorsingstermijn van twaalf maanden slechts over een periode van anderhalve maand beschikken om negen examens af te leggen met de verschillende deelnamepogingen waarop hij recht heeft. Dit zou onmogelijk zijn waardoor hij alsdan eerst een bijkomende opleiding moet volgen om nadien opnieuw de examens te kunnen afleggen. Verzoeker maakt echter onvoldoende aannemelijk dat een dergelijke onmogelijkheid zich zou voordoen bij gebrek aan voortijdige schorsing van de bestreden beslissing. De verwerende partij wijst er immers op dat volgens de gewone kalender minstens twee à drie examenmomenten per maand worden georganiseerd. Zo zal verzoeker tussen 15 mei 2025 en 30 juni 2025 nog over minstens vier examenmomenten beschikken waarop hij telkens een kans kan wagen om de negen onderdelen van het theorie-examen af te leggen. Verzoeker maakt niet aannemelijk dat het onmogelijk is dat hij nog binnen achttien maanden gerekend vanaf het einde van de kalendermaand waarin hij voor het eerst deelnam aan een examen alle onderdelen van het theorie-examen kan afleggen. 31. Verzoeker toont bovendien niet concreet aan waarom het eventueel opnieuw moeten volgen van een opleiding voor hem als een toestand met ernstige schadelijke gevolgen moet worden beschouwd, mede gelet op het feit dat hiervoor reeds werd vastgesteld dat het behalen van een ‘Private Pilot License’ zich in de privésfeer van verzoeker blijkt af te spelen. De verwerende partij verwijst in dat verband ook naar bepaling FCL.025, b), 5), van bijlage I bij Verordening (EU) nr. 1178/2011, waaruit blijkt dat de omvang en reikwijdte van IX-10.498 de vereiste opleiding worden bepaald door de Declared Training Organisation (zie artikel 2, 24, van Verordening (EU) nr. 1178/2011) of de Approved Training Organisation (zie artikel 2, 16, van Verordening (EU) nr. 1178/2011) op basis van de behoeften van de kandidaten. De verwerende partij kan erin worden bijgetreden dat het valt aan te nemen dat deze bijkomende opleiding door het opleidingscentrum mogelijk zal worden beperkt tot de twee onderdelen van het theorie-examen waarvoor verzoeker nog niet slaagde voorafgaand aan de bestreden beslissing. 32. Tot slot verklaart verzoeker niet waarom een gebeurlijke nietigverklaring hem geen volledige genoegdoening meer zou kunnen bezorgen. Verzoeker vordert immers ook de nietigverklaring van de beslissing waarbij hem een onvoldoende wordt gegeven voor het volledige PPL(H)-examen. Voorafgaand aan de bestreden beslissing was verzoeker geslaagd verklaard voor zeven van de negen onderdelen van het PPL(H)-examen. Na een eventuele nietigverklaring zou verzoeker dus geslaagd zijn voor zeven van de negen onderdelen. Indien verzoeker na 15 mei 2025 en vóór 30 juni 2025 met goed gevolg de twee overblijvende examenonderdelen waarvoor hij niet slaagde zou afleggen, zal dit, indien de beslissing om hem een onvoldoende toe te kennen voor het volledige PPL(H)-examen nietig zou worden verklaard, zelfs indien dit na 30 juni 2025 gebeurt, ertoe leiden dat hij geslaagd is voor alle onderdelen van het theorie-examen. Vanaf de dag waarop de kandidaat slaagt voor het theorie-examen in overeenstemming met punt b), punt 2), van bepaling FCL.025 van bijlage I bij Verordening (EU) nr. 1178/2011, dit is de datum van het slagen voor het laatste onderdeel, blijft een voldoende voor een reeds afgelegd theorie-examen geldig gedurende een periode van vierentwintig maanden voor de afgifte van een bewijs van bevoegdheid voor privépiloten (bepaling FCL.025, c), 1), i), van bijlage I bij Verordening (EU) nr. 1178/2011). IX-10.498 Verzoeker voert niet aan, laat staan dat hij aannemelijk maakt, dat het onmogelijk zou zijn om in de periode van 15 mei 2025 tot 30 juni 2025 deel te nemen aan een examenmoment om de twee theorie-examenonderdelen waarvoor hij nog niet slaagde af te leggen. Voor deze twee onderdelen resten er verzoeker trouwens sowieso nog maar twee examenkansen, gelet op bepaling FCL.025, b), 4), van bijlage I bij Verordening (EU) nr. 1178/2011 alvorens hij opnieuw alle theorie-examens zou moeten afleggen. 33. Er wordt geen spoedeisendheid aangetoond. VIII. Besluit 34. Vermits voldaan is aan de voorwaarde van het ernstig middel, maar niet aan de voorwaarde van de spoedeisendheid, is niet voldaan aan één van de grondvoorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn, wil een vordering tot schorsing worden ingewilligd. Er is reden de vordering te verwerpen. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op negen januari tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Wouter Pas, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter IX-10.498 Tiny Temmerman Wouter Pas IX-10.498 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.261.945 Gerelateerde publicatie(
- s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.625 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div