id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 januari 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.261.948 Rolnummer: A. 238734/IX-10230 Zaak: Arrest 261948 - Wapens – exportvergunningen - 09/01/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-01-14 Raadplegingen: 96 - laatst gezien 2026-06-17 03:26 Fiche Arrest nr 261.948 van 9 januari 2025 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Wapens – exportvergunningen Beslissing : Vernietiging Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr.261.948 van 9 januari 2025 in de zaak A. 238.734/IX-10.230 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Nico Demeyere kantoor houdend te 8531 Bavikhove Ter Coutere 7 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Michel van Dievoet kantoor houdend te 1000 Brussel Wolstraat 56 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 24 maart 2023, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de minister van Justitie van 2 februari 2023 inzake het beroep van verzoeker tegen de beslissing van de gouverneur van de provincie Oost-Vlaanderen van 13 januari 2022. II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij arrest nr. 259.638 van 25 april 2024 is het debat heropend en is de zaak verwezen naar de gewone rechtspleging. Eerste auditeur Frederic Eggermont heeft een verslag opgesteld. IX-10.230-1/18 De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 4 november 2024. Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. Advocaat Nico Demeyere, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Michel Van Dievoet, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Frederic Eggermont heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Verzoeker dient op 17 september 2021 een aanvraag in tot het verkrijgen van vergunningen voor het voorhanden hebben van twee vuurwapens. 3.2. Op 19 oktober 2021 verstrekt de lokale politie een ongunstig advies, waarvan de motivering luidt: “Betrokkene heeft een blanco strafregister. Hij is echter gekend voor feiten waarbij betrokkene zelf gemaakte tekeningen heeft gemaakt van De Gelder Kim, Janssens Ronald en Dutroux Marc. Volgens opsteller van dit dossier steekt betrokkene zijn fascinatie en adoratie voor deze personen niet onder stoelen of banken. Dossier opgesteld door PZ Dendermonde in 2014. Dit dossier werd opgesteld nav gerechtelijke vaststellingen en in beslagname van deze tekeningen in 2013. Verder zijn er geen feiten lastens betrokkene.” IX-10.230-2/18 3.3. Verzoeker dient op 21 oktober 2021 een verweerschrift in. 3.4. Op 13 januari 2022 weigert de gouverneur van de provincie Oost-Vlaanderen de vergunningsaanvraag op grond van de volgende motivering: “Overwegende dat uit het advies van de lokale politie Buggenhout-Lebbeke blijkt dat vuurwapenbezit in hoofde van [verzoeker] mogelijk een gevaar inhoudt van de openbare orde en veiligheid; dat [verzoeker] tekeningen maakte van De Gelder Kim, Janssens Ronald en Dutroux Marc; dat hij daarbij zijn fascinatie en adoratie voor deze personen niet onder stoelen of banken stak; dat dergelijke ideeën niet samengaan met wapenbezit; dat het moeilijk in te schatten is in hoeverre [verzoeker] afstand heeft gedaan van dergelijke ideeën; dat dergelijke sympathieën evenwel bijzonder zorgwekkend zijn in het kader van de openbare orde en veiligheid; dat voorzichtigheid bij het nemen van een beslissing omtrent wapenbezit is aangewezen; dat bijgevolg een weigering van de vergunningen voor [verzoeker] het meest aangewezen is; dat er anderzijds verder geen nieuwe feiten ten laste zijn; dat de sportschutterslicentie kan worden behouden; dat er op die manier een mogelijkheid is om ondertussen te schieten met clubwapens, dit in de gecontroleerde omgeving van de schietclub met sociale controle; dat bij voorspoedig lidmaatschap van de schietclub een nieuw aanvraag kan worden ingediend.” 3.5. Verzoeker stelt op 3 februari 2022 een beroep in tegen die beslissing. 3.6. Op 27 juni 2022 verleent de lokale politie opnieuw een ongunstig advies, waarvan de motivering luidt: “Zoals aangegeven in mijn aanvankelijk advies aan de provincie kan ik niet inschatten of betrokkene afstand heeft gedaan van zijn gedachtegang m.b.t. de tekeningen die hij destijds (2013-2014) heeft gemaakt. Ik heb met [verzoeker] een uitvoerig gesprek gehad. Tijdens dit gesprek gaf hij zelfs aan dat hij bereid was een medisch attest te laten opstellen door een gespecialiseerde arts. Tijdens het gesprek heeft hij gekaderd waarom hij die tekeningen heeft gemaakt. Hij heeft dit ook opgenomen in zijn schriftelijk verweer. Zoals ook eerder aangegeven beschik ik niet over de nodige vaardigheden om in te schatten in hoever betrokkene zich momenteel distantieert van zijn daden (tekeningen) in 2013-2014. Anderzijds wil ik betrokkene niet belemmeren in zijn hobby. Het voorstel dat de provincie heeft geformuleerd zijnde het behoud van de sportschutterslicentie zodat hij actief kan blijven schieten in een schietclub IX-10.230-3/18 maar geen wapens kan aankopen, lijkt mij een billijke tussenstap. Betrokkene kan intussen een voorspoedig lidmaatschap aantonen en zoals hij zelf aangaf kan hij ook een psycho-medische screening laten uitvoeren. Bij een volgende aanvraag kan hij dan zowel het attest van de schietclub en het medisch attest toevoegen ter staving van zijn geschiktheid tot het aankopen van een vuurwapen.” 3.7. De procureur des Konings geeft op 29 juni 2022 eveneens een negatief advies. Hierin is te lezen: “Betrokkene heeft een blanco SR. Hij is bij mijn ambt gekend voor een aantal oudere feiten, die geseponeerd werden om diverse redenen. De lokale politie vermeldt evenwel dat betrokkene in 2012 tekeningen maakte van Kim De Gelder, Ronald Janssens en Marc Dutroux en deze tekeningen op openbare plaatsen ophing. Zo koos hij er voor om deze tekeningen naast een kinderopvang. Met de feiten in de kinderopvang Fabeltjesland d.d. 23/1/2009 in het achterhoofd in gedachten, werd dit door de opstellers als bijzonder wansmakelijk beoordeeld. Toentertijd vermeldden de vaststellers dat betrokkene zijn adoratie voor deze personen niet kon wegsteken, zo blijkt uit het verslag van de lokale politie. Uit het verhoor van betrokkene bleek overigens dat hij in Gent een affiche was gaan ophangen, en dat hij thuis nog meerdere affiches had die hij dan uiteindelijk is gaan afgeven bij de politie. Hij geeft aan dat hij de impact van zijn affiches niet had ingeschat. Het PV DE.52.LE.10508/12 werd door mijn ambt geseponeerd. Door de lokale politie werd thans eind november 2021 met betrokkene een gesprek gevoerd over deze feiten, maar de politie stelt daarbij vast dat het voor hen onmogelijk is om uit te maken of hij zich hiervan definitief heeft gedistantieerd. Een kopie van het door betrokkene gevoerde verweer werd ons eveneens bezorgd door de lokale politie. Betrokkene kadert de hoger geschetste feiten in zijn opleiding in de kunsten, en vanuit een ‘artistiek’ perspectief. Opmerkelijk is dat hij zelf aangeeft dat hij dit werk maakte ‘met medeweten van zijn docent’. Uit het hoger vermelde PV blijkt nochtans dat de politie zijn docent contacteert en dat deze docent stelt dat hij [verzoeker] had aangesproken over het aanstootgevende karakter van de affiches en dat hij niét wist dat [verzoeker] deze affiches ergens zou gaan ophangen. Betrokkene wijst in zijn verweer naar de moeilijkheid om kunst te interpreteren, waartoe volgens hem de politie een kunstcriticus had moeten aanstellen (vermits zij daartoe zelf niet in staat zouden zijn), en legt uit wat de bedoeling van de vermelde affiches was. Nog los van de vraag of de affiches ‘kunst’ zijn, legt hij op geen enkele manier uit waarom deze affiches zo nodig verspreid dienden te worden. Belangrijker nog is dat, ook in zijn verweer, betrokkene op vandaag op geen enkele manier ontkracht dat hij gefascineerd is door de vermelde IX-10.230-4/18 seriemoordenaars, laat staat hun daden veroordeelt. Het feit dat hij klaarblijkelijk thans (nog steeds) niet inziet waarom de affiches, zeker in een stad als Dendermonde én met affichering op de door hem gekozen plaatsen, bijzonder aanstootgevend zijn, wekt vragen op naar de ingesteldheid van betrokkene. Dit sluit aan bij het recente advies van de lokale politie. Uit de verstrekte gegevens is aldus gebleken dat betrokkene zijn gedrag en denkpatronen niet onberispelijk te noemen zijn, hetgeen wel een vereiste is met oog op de verenigbaarheid van wapenbezit met de openbare veiligheid. Mijn ambt meent dan ook dat er hier sterke aanwijzingen bestaan dat het voorhanden hebben van vuurwapens in hoofde van betrokkene een risico inhoudt voor de fysieke integriteit van betrokkene en/of anderen, alsook voor de openbare orde, rust en veiligheid.” 3.8. Op 26 augustus 2022 dient verzoeker een aanvullend verweer in. 3.9. Op 2 februari 2023 verwerpt de minister van Justitie het beroep van verzoeker. Dat is de bestreden beslissing, waarvan de motivering luidt: “Uit het dossier blijkt dat u een opdracht van de kunstacademie buitenproportioneel interpreteerde en uitvoerde. Ondanks het gegeven dat uw docent geen voorstander was van uw werk, liet hij u vrij in uw denken. Hij was echter niet op de hoogte van het aanplakken in het openbaar van de bewuste controversiële tekeningen. Het is nog maar de vraag of hij de mate van perversiteit – zoals die blijkt uit het aanplakken van een tekening van Kim De Gelder in Dendermonde én vlakbij een kinderopvang – nog als een uiting van die artistieke vrijheid had beschouwd. Ondanks dat u aanvoelde dat het moeilijk zou zijn voor de nabestaanden van de slachtoffers meende u dat het gepermitteerd was dit omwille van artistieke motieven naast zich neer te leggen. Men kan zich dan ook afvragen welke vragen en welke reflectie u verhoopte te verkrijgen? Niettegenstaande de gevoeligheid die leefde in Dendermonde en waarvan u zelf stelde zich er bewust van te zijn, besliste u om uitgerekend daar de werken op te hangen. Het toont aan dat u ofwel te weinig stilstaat bij de gevolgen van uw daden, ofwel dermate naïef bent ingesteld dat u niet in staat bent om die gevolgen adequaat in te schatten. Er blijkt een totaal gebrek aan fatsoen uit alsook aan fundamenteel respect voor nabestaanden van slachtoffers van dergelijke gruweldaden, en dit louter en alleen omwille van het feit dat u meent daartoe over de artistieke vrijheid te beschikken. Aldus stelt u daden waarmee u bewust en onmiskenbaar een negatieve impact heeft op de openbare veiligheid zonder dat daar een redelijke en proportionele verantwoording voor bestaat. Het gegeven dat een psychiater op heden verklaart dat u een licentie mag krijgen voor het hanteren van de door u aangevraagde wapens, staat er niet aan in de weg dat u die daden heeft gesteld en op heden vasthoudt aan uw artistieke vrijheid. U beseft wel dat u dergelijke tekeningen niet meer mag IX-10.230-5/18 maken en afficheren, doch u meent nog steeds dat een artistieke interpretatie de bovenhand moet krijgen op de onwetende inschatting van de verbaliserende overheid die er een fascinatie en adoratie voor seriemoordenaars uit afleidden. Uw psychiater verklaart dan wel dat er geen aanwijzingen zijn voor een psychiatrische problematiek, deze vaststelling staat er niet aan in de weg dat uit uw verleden blijkt dat u daden stelt die hoe dan ook problematisch zijn voor de openbare orde en veiligheid. Het door u gestelde gedrag zorgt voor onnodige risico’s en confrontaties, terwijl van een wapenbezitter net wordt verwacht dat hij zich conformeert aan de samenleving en geen risicovol gedrag stelt. De bestreden beslissing weigerde om die reden uw vergunningsaanvragen doch bevatte tevens volgende overweging: ‘dat de sportschutterslicentie kan worden behouden; dat er op die manier een mogelijkheid is om ondertussen te schieten met clubwapens, dit in de gecontroleerde omgeving van de schietclub met sociale controle; dat bij voorspoedig lidmaatschap van de schietclub een nieuw (sic) aanvraag kan worden ingediend’. In haar advies laat de lokale politie weten zich te kunnen vinden in dergelijke ‘billijke tussenstap’. Echter, het voorstel van de gouverneur kan niet worden bijgetreden. Op grond van artikel 11, § 2, 5°, van het Decreet van 11 mei 2007 houdende het statuut van de sportschutter, wordt de sportschutterslicentie ingetrokken onder meer indien een aanvraag voor een vergunning tot het voorhanden hebben van een wapen aan de sportschutter wordt geweigerd om redenen die verband houden met de openbare orde overeenkomstig de wapenwet. De gemachtigde schietsportfederatie beschikt in deze niet over enige discretionaire bevoegdheid, m.a.w. de intrekking vloeit voort uit de toepassing van voormelde bepaling. Het u weigeren van een vergunningsaanvraag voor een vuurwapen ter vrijwaring van de openbare orde en veiligheid, doch u het laten behouden van de sportschutterslicentie zodat u kan blijven schieten in de schietclub, is dus een intrinsiek tegenstrijdige beslissing. De weigering heeft immers hoe dan ook de intrekking van de sportschutterslicentie tot gevolg. Uit het voorgaande volgt dat er verschillende indicaties zijn dat vuurwapenbezit in uw hoofde potentieel een gevaar kan inhouden voor de openbare orde en veiligheid. In casu zijn er voldoende twijfels omtrent uw betrouwbaarheid als wapenbezitter en kan u derhalve niet het vertrouwen worden verleend om – in afwijking op het principieel verbod ingesteld op alle vuurwapens – een gemotiveerde wapenvergunning toe te staan of om – in afwijking op de principiële voorafgaande vergunningsplicht – u toe te laten gebruik te maken van het uitzonderingsregime dat de wapenwet voorziet voor houders van een jachtverlof of van een sportschutterslicentie (cf. artikel 12 van de wapenwet). Derhalve worden de door u aangevraagde vergunningen tot het voorhanden hebben van voormelde vuurwapens geweigerd en wordt uw recht tot het voorhanden hebben van vuurwapens ingetrokken.” IX-10.230-6/18 IV. Onderzoek van het eerste middel Uiteenzetting van het middel 4. Het eerste middel is genomen uit de schending van artikel 11, § 1, van de wet van 8 juni 2006 ‘houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens’ (“wapenwet”) en van de materiëlemotiveringsplicht, de zorgvuldigheidsplicht en het redelijkheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Verzoeker noemt de weigeringsbeslissing “minstens problematische en niet afdoende in het licht van de materiële motiveringsplicht”. Hij betoogt dat de feiten niet meer actueel zijn en niet indicatief voor het risico dat wapenbezit kan inhouden voor de openbare orde: “Het enige element waarop de weigeringsbeslissing gebaseerd is, is het feit van beledigingen door op 9 november 2012, meer dan tien jaar geleden, affiches aan te plakken. Er wordt zowel in het advies van het parket als in de bestreden beslissing aangenomen dat de ‘gedachtegang’ die aan deze feiten ten grondslag ligt nog steeds aanwezig is waardoor deze feiten nog actueel zijn om het risico dat wapenbezit voor de orde kan inhouden te staven. Dit terwijl uit de stukken van het dossier herhaaldelijk blijkt dat verzoekende partij zich van deze gedachtegang distantieert, en er zich ook uitdrukkelijk voor verontschuldigt en terwijl uit een psychiatrisch verslag blijk[t] dat er wel degelijk sprake is van ‘probleembesef’ en dat de kans dat dergelijk gedrag zich herhaalt zeer gering is.” Hij licht toe dat uit de overweging in de bestreden beslissing “u [stelt] daden waarmee u bewust en onmiskenbaar een negatieve impact heeft op de openbare veiligheid zonder dat daar een redelijke en proportionele verantwoording voor bestaat” – waarin de tegenwoordige tijd wordt gebruikt – blijkt dat de verwerende partij van oordeel is dat de feiten van 9 november 2012 meer dan tien jaar later nog steeds actueel zijn en indicatief voor het risico dat wapenbezit kan inhouden voor de openbare orde. Vervolgens wordt in de bestreden beslissing overwogen dat het psychiatrisch verslag waarin wordt gesteld dat verzoeker de gevraagde wapenvergunningen mag krijgen “er niet aan in de weg staat dat u die daden heeft gesteld en op heden vasthoudt aan uw artistieke vrijheid”. Hieruit kan IX-10.230-7/18 worden afgeleid dat eigenlijk het gebruik van artistieke vrijheid de actuele reden zou zijn die aan de bestreden beslissing ten grondslag ligt. Volgens verzoeker heeft de verwerende partij dit afgeleid uit zijn verweer waarin hij de kunstvormen waarbinnen hij actief is toelicht, maar kan uit die algemene omschrijving niet worden afgeleid dat hij thans opnieuw kunst zou publiceren die door het publiek als kwetsend kan worden ervaren. Naar het oordeel van verzoeker valt bovendien niet in te zien hoe artistieke vrijheid op zich, zonder dat daar enige uitdrukkingsvorm aan gekoppeld is, de openbare orde in het gedrang kan brengen. De manier waarop deze wordt gebruikt kan dat mogelijk wel doen, maar verzoeker heeft dit reeds in 2012 beseft, hetgeen blijkt uit zijn verklaringen en uit het feit dat hij zich heeft verontschuldigd. Uit een recent psychiatrisch verslag blijkt bovendien dat verzoeker het probleem inziet en dat een kans op herhaling van de feiten uit 2012 als “heel klein” wordt ingeschat. Verzoeker stelt dat in de bestreden beslissing wordt nagelaten te verduidelijken welke nieuwe feiten er zijn die erop wijzen dat een herhaling van de feiten van 2012 wél waarschijnlijk is en waarom in het verslag van de psychiater een verkeerde inschatting zou zijn gemaakt. Uit het dossier blijkt dat hij sedert 2012 op geen enkele manier nog in contact is gekomen met politie of gerecht. Hij heeft zijn diploma als gegradueerde in de plastische kunsten behaald en is na een jaar schorsing opnieuw toegelaten tot de kunstacademie waar hij tot een drietal jaar geleden artistieke projecten heeft ontwikkeld die op geen enkele manier nog aanleiding tot problemen hebben gegeven. Vervolgens voert verzoeker aan dat de aangehaalde feiten niet relevant zijn: “Het in de adviezen aangehaalde feit van 9 november 2012, dat als ‘onfatsoenlijk’ of ‘pervers’ wordt aangemerkt in de bestreden beslissing, houdt geen verband met wapenbezit en is niet indicatief voor enig risico dat wapenbezit voor de openbare orde kan inhouden. Er werd in dit dossier immers niet vervolgd. Voorts komt het ten laste gelegde misdrijf van beledigingen (artikel 448 van het Strafwetboek) niet voor in de lijst van in artikel 5, § 4, 2°,
- b)van de wapenwet opgesomde misdrijven waarvoor een veroordeling leidt tot onontvankelijkheid van de vergunningsaanvraag. De overheid dient in dergelijk geval uitdrukkelijk te motiveren waarom het feit wel relevant is.” IX-10.230-8/18 Verzoeker licht toe dat hem een inbreuk op artikel 448 van het Strafwetboek ten laste is gelegd, namelijk beledigingen door geschriften, prenten of zinnebeelden. De wetgever is van oordeel dat een veroordeling voor een dergelijk misdrijf niet a priori het wapenbezit uitsluit. Indien de verwerende partij dan van oordeel is dat het feit alsnog relevant is voor het beoordelen van de risico’s die wapenbezit inhoudt voor de openbare orde, dient zij uitdrukkelijk te motiveren waarom zij tot die conclusie komt. In de bestreden beslissing valt daarover echter niets te lezen. Verzoeker is voorts ook van oordeel dat de ernst van het feit van 9 november 2012 aanzienlijk moet worden genuanceerd. Het parket heeft immers geoordeeld dat er geen grond was voor vervolging en het is dan ook weinig aannemelijk dat dit feit de ernst had die er in de bestreden beslissing aan wordt gegeven. Minstens moet de verwerende partij motiveren waarom zij met dit feit rekening houdt in die zin dat het feit het enige en doorslaggevende motief is voor de weigeringsbeslissing. Voorts klaagt verzoeker een gebrek aan zorgvuldigheid aan bij de beoordeling van de in het administratief dossier aanwezige elementen en een gebrek aan feitelijke grondslag: “Zoals aangehaald gaan zowel het advies van het parket als de bestreden beslissing ervan uit dat verzoekende partij er uitdrukkelijk voor koos om zijn affiches op te hangen in de omgeving van een kinderdagverblijf. Dit is in tegenspraak met de verklaring van verzoekende partij die aangaf zich er niet van bewust te zijn dat er daar een kinderdagverblijf gevestigd was. Tevens werd geen rekening gehouden met de stukken die door verzoekende partij werden aangebracht tijdens de administratieve beroepsprocedure waardoor de bestreden beslissing steunt op verkeerde feiten en minstens het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden is doordat de adviezen die werden verstrekt onvoldoende kritisch bij de besluitvorming werden betrokken, rekening houdende met de feitelijke elementen die blijken uit de stukken.” Hij stelt dat in de motivering van de bestreden beslissing wordt overwogen dat hij “nog steeds meent dat een artistieke interpretatie de bovenhand moet krijgen op de onwetende inschatting van de verbaliserende overheid die er een fascinatie en adoratie voor seriemoordenaars uit afleidden”. Volgens verzoeker is deze overweging het gevolg van een inschatting die de lokale politie heeft gemaakt en die allicht is ingegeven door de omstandigheid dat de verwerende IX-10.230-9/18 partij het er moeilijk mee heeft dat kritiek wordt geuit ten aanzien van de artistieke vaardigheden van de verbalisanten. Uit diverse stukken die tijdens de beroepsprocedure zijn neergelegd, blijkt echter dat er geen sprake is van een adoratie of fascinatie voor seriemoordenaars. Verzoeker heeft dit zelf verklaard tijdens zijn verhoor, hij heeft zich uitdrukkelijk verontschuldigd voor de ontstane commotie en hij heeft een psychiatrisch verslag neergelegd waarin de conclusies van de lokale politie worden tegengesproken. De lokale politie vermeldt uitdrukkelijk in haar advies dat zij geen inschatting kan maken over zijn psychische toestand en voorts is zij van oordeel dat het beperken van het beoefenen van de schietsport disproportioneel zou zijn. De lokale politie sluit derhalve niet uit dat een andere, meer gekwalificeerde, instantie – zoals een psychiater – hier wel een inschatting kan maken. Met die elementen wordt in de besluitvorming geen rekening gehouden. De verwerende partij blijft halsstarrig vasthouden aan het feit uit 2012 en zoekt bijna wanhopig naar elementen die aantonen dat dit feit nog actueel is. Uit de gehanteerde formulering, die overigens puur subjectief is, blijkt dat de verwerende partij minstens handelt vanuit een vooringenomenheid. Mogelijk is ook dit een reden voor het gebrek aan zorgvuldigheid waarmee de bestreden beslissing tot stand is gekomen. 5. De verwerende partij antwoordt dat het laakbare gedrag van verzoeker uit 2012 nog steeds voortleeft in zijn opvatting om zijn toenmalige optreden te kwalificeren als “artistieke vrijheid”. Voorts merkt zij op dat de feiten uit 2012 ernstig zijn. Zij is van oordeel dat zij er terecht voor mag vrezen dat verzoeker, aangezien hij in staat is dergelijke feiten te plegen, als wapenbezitter evenmin voldoende verantwoordelijkheid en integriteit aan de dag zal leggen. Aangezien aldus in verzoeker niet het vertrouwen kan worden gesteld dat men in een wapenbezitter moet kunnen stellen, meent de verwerende partij dat de aangevraagde vergunningen tot het voorhanden hebben van vuurwapens moesten worden geweigerd ter vrijwaring van de openbare orde en veiligheid en dat verzoekers recht om vuurwapens voorhanden te hebben, moest worden ingetrokken. De verwerende partij wijst er daarbij op dat zij bij de beoordeling van het gevaar dat iemands wapenbezit voor de openbare orde en veiligheid kan opleveren in beginsel ook rekening mag houden met feiten en gedragingen die IX-10.230-10/18 niets te maken hebben met wapenbezit, op voorwaarde dat deze feiten en gedragingen genoegzaam vaststaan en de beslissing tot intrekking naar recht kunnen verantwoorden. Welnu, zij heeft verzoekers gedrag, zijn verklaringen en de verstrekte adviezen onderzocht en zij heeft beslist dat ze relevant zijn om te besluiten dat wapenbezit in hoofde van verzoeker een gevaar zou kunnen betekenen voor de openbare orde en veiligheid. Er is derhalve een concrete en afdoende motivering waarom de feiten de verwerende partij doen besluiten dat wapenbezit in hoofde van verzoeker een potentieel gevaar inhoudt voor de openbare orde en veiligheid. 6. De verwerende partij stelt in haar laatste memorie dat verzoeker recent tweemaal is gehoord door de lokale politie – op 19 oktober 2021 en op 27 juni 2022 – en dat tijdens die verhoren niet kon worden vastgesteld dat hij op ondubbelzinnige wijze afstand heeft gedaan van zijn gedachtegang. Dit was ook de conclusie van de procureur des Konings in zijn advies van 29 juni 2022. Die adviezen zijn aan verzoeker bezorgd en hij heeft op 29 augustus 2022 een aanvullend verweerschrift ingediend. In de bestreden beslissing worden de verstrekte adviezen bevestigd, onder meer het feit dat verzoeker tot op heden niet op ondubbelzinnige wijze afstand heeft genomen van zijn gedachtegang dat zijn artistieke vrijheid hem onder meer toeliet om de gelaakte affiches aan te plakken op gevoelige openbare plaatsen, wat een gevaar kan inhouden voor de openbare orde en veiligheid. De feiten uit 2012 zijn dan ook nog steeds relevant voor de beoordeling of de opvattingen van verzoeker ook vandaag nog een gevaar inhouden voor de openbare orde. Dit is in casu het geval. Verzoeker heeft er niet, minstens niet volledig, afstand van gedaan. Wat het verslag van de forensisch psychiater betreft, merkt de verwerende partij op dat het aan haar toevalt om het potentieel gevaar van wapenbezit voor de openbare orde en veiligheid te beoordelen. Zij heeft hiervoor gesteund op de in de wapenwet voorziene middelen, namelijk de adviezen van de lokale politie en het advies van de procureur des Konings. Beoordeling IX-10.230-11/18 7. Verzoeker voert de schending aan van artikel 11, § 1, van de wapenwet dat hij citeert en waarvan hij vervolgens kort de draagwijdte schetst. In de mate dat verzoeker evenwel nalaat toe te lichten hoe met de bestreden beslissing deze wetsbepaling is geschonden, is het middel niet ontvankelijk. 8. Verzoeker voert een schending aan van het redelijkheidsbeginsel, die hij vervolgens in de toelichting bij het middel verzuimt uit te werken; ook in die mate is het middel onontvankelijk. 9. Het materiëlemotiveringsbeginsel houdt in casu in dat de bestreden beslissing moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte verantwoorden dat het voorhanden hebben van wapens de openbare orde kan verstoren. De wapenwet bepaalt niet op grond van welke feiten, noch op grond van welke criteria, de mogelijke verstoring van de openbare orde moet worden beoordeeld. De verwerende partij beschikt over een discretionaire beoor- delingsbevoegdheid. Het komt aan de Raad van State in het kader van zijn wettigheidstoezicht niet toe om zelf te beoordelen of het voorhanden hebben van een wapen de openbare orde kan verstoren. De Raad van State is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan overeenkomstig de voormelde wettelijke bepalingen binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is gekomen. 10. Volgens verzoeker zijn de daden van 2012 waarop de beslissing stoelt – en die hij alvast niet ontkent – niet relevant, omdat ze wijzen op een inbreuk op artikel 448 van het Strafwetboek, hij er niet voor is vervolgd en ze vreemd zijn aan gedragingen bedoeld in de wapenwet. Minstens moest de verwerende partij de relevantie ervan motiveren. IX-10.230-12/18 Verzoeker kan hierin niet worden bijgevallen. De verwerende partij leidt uit de bedoelde feiten – al dan niet terecht en al dan niet actueel, dat wordt hierna onderzocht – een fascinatie en adoratie voor seriemoordenaars af. Hoe iemand staat tegenover de verheerlijking van geweld en geweldplegers is in redelijkheid relevant voor de beoordeling van diens wapenbezit als mogelijk gevaar voor de openbare orde. In die mate is het middel ongegrond. 11. De mogelijke verstoring van de openbare orde moet voorts nog actueel zijn op het ogenblik van het nemen van de bestreden beslissing, wat inhoudt dat de tijd die is verlopen sinds het feit dat volgens de verwerende partij erop wijst dat het voorhanden hebben van wapens de openbare orde kan verstoren, moet worden meegewogen in de beoordeling van deze mogelijke verstoring. De verwerende partij mag bij haar onderzoek hierbij rekening houden met minder recente feiten ten laste van verzoeker, wanneer zij ook steunt op recentere feiten die erop wijzen dat het voorhanden hebben van wapens door verzoeker de openbare orde kan verstoren. Uit die recentere feiten kan immers blijken dat aan de minder recente feiten niet ieder belang moet worden ontzegd. Maar ook de loutere omstandigheid dat de verwerende partij enkel steunt op oudere of minder recente feiten om de mogelijke verstoring van de openbare orde te staven, zónder nieuwe recentere feiten in aanmerking te nemen, verhindert niet noodzakelijk dat die oudere feiten nog steeds kunnen doen blijken van het actueel karakter van de mogelijke verstoring van de openbare orde door het voorhanden hebben van wapens door verzoeker. De eis dat de mogelijke verstoring van de openbare orde nog actueel moet zijn op het ogenblik van het nemen van de bestreden beslissing belet immers op zich niet dat oudere of minder recente feiten waarop de bestreden beslissing steunt, na een nader en individueel onderzoek van de relevantie ervan door de verwerende partij, nog steeds wijzen op het actueel karakter van het risico op verstoring van de openbare orde door het voorhanden hebben van wapens door verzoeker. In dat geval zijn deze oudere feiten immers IX-10.230-13/18 nog steeds te beschouwen als voldoende recent en relevant opdat ze een bedreiging kunnen vormen voor de openbare orde. De beoordeling of een feit voldoende actueel is in de zin als hiervóór is gesteld om in aanmerking te worden genomen, staat ter beoordeling van de verwerende partij, waarbij deze beoordelingsvrijheid, desgevraagd, door de Raad van State wordt getoetst in de zin als hiervóór is gesteld. 12. Blijkens de sub 3.9 aangehaalde motivering van de bestreden beslissing steunt de verwerende partij haar beslissing op wat in 2012 is voorgevallen. Zij stelt vast dat verzoeker “die daden heeft gesteld” – waarmee zij de feiten van 2012 bedoelt – en dat “uit [verzoekers] verleden blijkt dat [hij] daden stelt die hoe dan ook problematisch zijn voor de openbare orde en veiligheid”. Dat zij het zo ziet blijkt nog uit haar verweer, waar zij schrijft dat het laakbaar gedrag van verzoeker uit 2012 nog steeds voortleeft. Aan verzoeker worden bijgevolg geen nieuwe feiten verweten. De verwerende partij is evenwel van oordeel dat die feiten uit 2012 nog steeds actueel zijn op het ogenblik van het nemen van de bestreden beslissing. Zij steunt die conclusie, eensdeels, op de ernst van de feiten uit 2012 en, anderdeels, op het gegeven dat verzoeker “op heden vasthoudt aan [zijn] artistieke vrijheid” en “nog steeds [meent] dat een artistieke interpretatie de bovenhand moet krijgen op de onwetende inschatting van de verbaliserende overheid die er een fascinatie en adoratie voor seriemoordenaars uit afleidden”. 13. Zoals hierv r is uiteengezet, vermag de verwerende partij louter te steunen op oudere feiten om iemand het wapenbezit te ontzeggen. Dat vereist dan wel dat na een nader en individueel onderzoek van de relevantie ervan, blijkt dat die feiten op zich nog steeds een voldoende actueel karakter hebben. Daarbij wordt bedacht dat hoe ernstiger de feiten zijn, hoe langer ze een actueel karakter kunnen blijven vertonen. IX-10.230-14/18 14. De feiten waaraan de verwerende partij refereert zijn onmiskenbaar ernstig. Terecht overweegt zij in dat verband dat er een totaal gebrek aan fatsoen uit blijkt en aan fundamenteel respect voor nabestaanden van slachtoffers van uitzonderlijke gruweldaden. Verzoeker heeft daden gesteld waarmee hij onmiskenbaar een negatieve impact heeft gehad op de openbare veiligheid, zonder dat daar een redelijke verantwoording voor bestaat en hij heeft met zijn gedrag gezorgd voor onnodige risico’s en confrontaties. 15. Voorts motiveert de verwerende partij ter staving van haar stelling dat de feiten uit 2012 nog steeds een actueel karakter hebben, dat verzoeker “op heden vasthoudt aan [zijn] artistieke vrijheid” en “nog steeds [meent] dat een artistieke interpretatie de bovenhand moet krijgen op de onwetende inschatting van de verbaliserende overheid die er een fascinatie en adoratie voor seriemoordenaars uit afleidden”. De verwerende partij slaagt er evenwel niet in om dit motief te onderbouwen met de aan de Raad van State voorgelegde stukken van het administratief dossier. In zijn verweerschrift van 21 oktober 2021 ontkent verzoeker dat de feiten zijn ingegeven door een fascinatie en adoratie voor seriemoordenaars en hij geeft een uiteenzetting over zijn gedachtegang bij het creëren van de affiches en het aanplakken ervan. Noch uit het verweerschrift van 21 oktober 2021, noch uit enig ander gegeven van het administratief dossier, blijkt echter dat verzoeker vasthoudt aan die gedachtegang in die zin dat hij nog steeds van oordeel is dat zijn artistieke vrijheid hem toelaat om dergelijke affiches aan te plakken. Integendeel stelt verzoeker in dit verweerschrift: “Ik erken zeker de gevoeligheid die leeft in Dendermonde en het was een inschattingsfout van mij om de werken daar op te hangen, door de link met Kim De Gelder, waarvoor ik mij toen verontschuldigd heb aan de lokale politie Dendermonde, de directeur van de kunstacademie en de burgemeester.” IX-10.230-15/18 Daarmee herhaalt verzoeker wat hij meteen na de feiten heeft verklaard in zijn verhoor van 21 december 2012: “Ik aanvaard deze straf daar ik nu inzie dat het niet de juiste manier was van een boodschap uit te brengen naar onze maatschappij. Ik heb een schrijven gericht naar Dhr. Burgemeester van Dendermonde waar ik openlijk mijn excuses aanbied […] voor wat ik heb gedaan. Nogmaals het was fout en dit zal naar de toekomst niet meer gebeuren. Ik distantieer mij zeker van het gedachtegoed van de personen op de affiches en wou zeker niet oproepen tot meer geweld of dergelijke.” Verzoeker heeft dit standpunt ook tijdens de administratieve beroepsprocedure bevestigd. Overigens erkent de verwerende partij in de bestreden beslissing zelf ook dat verzoeker “beseft […] dat [hij] dergelijke tekeningen niet meer mag maken en afficheren”. 16. Voorts maakt de verwerende partij met het voorliggende dossier niet aannemelijk dat verzoeker meent dat zijn artistieke interpretatie de bovenhand moet krijgen op de inschatting van de verbaliserende overheid die er een fascinatie en adoratie voor seriemoordenaars uit heeft afgeleid. Verzoeker legt in het verweerschrift van 21 oktober 2021 enkel uit wat zijn toenmalige gedachtegang was bij het creëren en aanplakken van de affiches en dat deze niet overeenstemt met de idee van de lokale politie, in die zin dat er in zijn ogen geen sprake is van fascinatie en adoratie voor de op de affiches afgebeelde personen. 17. Aldus blijkt dat het motief dat verzoeker “op heden vasthoudt aan [zijn] artistieke vrijheid” en “nog steeds [meent] dat een artistieke interpretatie de bovenhand moet krijgen op de onwetende inschatting van de verbaliserende overheid die er een fascinatie en adoratie voor seriemoordenaars uit afleidden” niet behoorlijk gestaafd is om te kunnen aantonen dat de feiten uit 2012 nog steeds een actueel karakter hebben. 18. In zoverre moet worden aangenomen dat de verwerende partij ook van oordeel is dat de feiten uit 2012 nog steeds actueel zijn omdat niet blijkt of en in welke mate verzoeker afstand heeft genomen van het gedachtegoed van de op de affiches afgebeelde personen, kan erop worden gewezen dat verzoeker in fine IX-10.230-16/18 van zijn verweerschrift de daden van de op de affiches afgebeelde personen in de sterkst mogelijke taal heeft veroordeeld. Zoals hierv r is gebleken, heeft verzoeker zich ook reeds tijdens zijn verhoor op 21 december 2012 uitdrukkelijk gedistantieerd van het gedachtegoed van de personen op de affiches. De verwerende partij maakt niet inzichtelijk waarom zij deze verklaringen verwerpt, zodat ook dit gegeven niet kan aantonen dat de feiten uit 2012 nog steeds een actueel karakter hebben. 19. Daarenboven moet eraan worden herinnerd dat de verwerende partij bij het vereiste nader en individueel onderzoek van de relevantie van de feiten alle elementen van het dossier bij haar beoordeling moet betrekken. Zij komt in de bestreden beslissing niet verder dan de standaardmotivering dat uit verzoekers verleden blijkt dat hij daden heeft gesteld die hoe dan ook problematisch zijn voor de openbare orde en veiligheid en dat zijn gedrag zorgt voor onnodige risico’s en confrontaties, terwijl van een wapenbezitter wordt verwacht dat hij zich conformeert aan de samenleving en geen risicovol gedrag stelt. De verwerende partij heeft aldus het vereiste nader en individueel onderzoek van de relevantie van de feiten uit 2012 niet terdege uitgevoerd, minstens toont zij dat niet aan. 20. De verwerende partij motiveert aldus niet afdoende waarom de feiten uit 2012 bij het nemen van de bestreden beslissing nog steeds een voldoende actueel karakter hebben om er een mogelijke verstoring van de openbare orde uit af te leiden. 21. Het eerste middel is in de aangegeven mate gegrond. BESLISSING 1. De Raad van State vernietigt de beslissing van de minister van Justitie van 2 februari 2023 inzake het beroep van XXXX tegen de beslissing van de gouverneur van de provincie Oost-Vlaanderen van 13 januari 2022. IX-10.230-17/18 2. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 840 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij. 3. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op negen januari tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Jurgen Neuts, staatsraad, Jim Deridder, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Geert Van Haegendoren IX-10.230-18/18 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.261.948 Gerelateerde publicatie(
- s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.638 gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.435 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div