id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 januari 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.261.976 Rolnummer: A. 243076/IX-10558 Zaak: Arrest 261976 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 14/01/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-01-16 Raadplegingen: 94 - laatst gezien 2026-06-17 03:27 Fiche Arrest nr 261.976 van 14 januari 2025 Openbaar ambt - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 261.976 van 14 januari 2025 in de zaak A. 243.076/IX-10.558 In zake : XXXX tegen : 1. de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Volksgezondheid, Veiligheid van de voedselketen en Leefmilieu bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Sofie Logie en Jade Leenaert kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen 2. de RIJKSDIENST VOOR ARBEIDSVOORZIENING bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Patrik De Maeyer en Daisy Daniels kantoor houdend te 1160 Brussel Tedescolaan 7 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. De vordering, ingesteld op 23 september 2024, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging (
- i)van de beslissing van het Bestuur medische expertise van de federale overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu van 1 juli 2024, waarbij verzoeker op medische gronden ongeschikt wordt bevonden voor elke functie en wordt vastgesteld dat hij daarom de voorwaarden vervult om definitief vroegtijdig te worden gepensioneerd en (
- ii)van de beslissing van de administrateur-generaal van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening van 25 maart 2024 waarbij aan verzoeker wordt meegedeeld dat geen re-integratieplan kan worden opgesteld. IX-10.558-1/11 II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partijen hebben een nota ingediend. Eerste auditeur Rita Van Den Eeckhout heeft een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 6 januari 2025. Staatsraad Jim Deridder heeft verslag uitgebracht. De verzoekende partij, advocaat Jade Leenaert, die verschijnt voor de eerste verwerende partij en advocaat Daisy Daniëls, die verschijnt voor de tweede verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Rita Van Den Eeckhout heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Verzoeker is sinds 1 juni 2018 in dienst als ‘business analist’ (statutair medewerker niveau A) bij de tweede verwerende partij. 3.2. Sinds 9 mei 2022 is verzoeker afwezig wegens ziekte. Met ingang van 28 oktober 2022 wordt hij in disponibiliteit gesteld. Op 23 januari 2023 vraagt de tweede verwerende partij een onderzoek door de pensioencommissie van het Bestuur medische expertise van de IX-10.558-2/11 federale overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu (Medex). Die commissie beslist op 2 maart 2023 dat verzoeker niet voldoet aan de voorwaarden om vroegtijdig op pensioen te worden gesteld. Verzoeker wordt tijdelijk ongeschikt verklaard voor zijn huidige functie en de pensioencommissie beveelt de opstart van een re-integratietraject aan. De preventieadviseur-arbeidsarts bevestigt dat werkhervatting mogelijk is, mits thuiswerk en indien noodzakelijk met verplaatsing naar Hasselt. Op 12 mei 2023 deelt de tweede verwerende partij aan verzoeker mee dat er geen re-integratieplan kan worden opgesteld omdat het niet mogelijk is om binnen de functie van business analist een aangepast takenpakket aan te bieden dat 100% van thuis uit, of uitzonderlijk vanuit Hasselt, kan worden uitgevoerd. 3.3. Op 8 juni 2023 vraagt de tweede verwerende partij een nieuw onderzoek van verzoeker door de pensioencommissie van Medex. Met een brief van 18 oktober 2023 deelt Medex aan verzoeker de beslissing van de pensioencommissie van 26 september 2023 mee, die luidt dat verzoeker medisch ongeschikt is voor elke functie en voldoet aan de voorwaarden om vroegtijdig op pensioen te worden gesteld. Tegen die beslissing stelt verzoeker een administratief beroep in. Op 5 december 2023 formuleert de pensioencommissie het voorstel dat verzoeker vanuit medisch standpunt níet de voorwaarden vervult om vroegtijdig te worden gepensioneerd en hij daarentegen geschikt wordt bevonden om bij wijze van wederaanpassing het werk te hervatten met verminderde prestaties a rato van 50% gedurende een maand. Na verzoekers akkoord met dit voorstel, wordt het op 15 december 2023 omgezet in een nieuwe beslissing van Medex. IX-10.558-3/11 3.4. In het voorjaar van 2024 wordt door de tweede verwerende partij opnieuw een re-integratiebeoordeling uitgevoerd. Op 25 maart 2024 deelt de administrateur-generaal van de tweede verwerende partij aan verzoeker mee dat geen re-integratieplan kan worden opgesteld omdat het niet mogelijk is om binnen zijn functie een aangepast takenpakket aan te bieden dat volledig met thuiswerk of in Hasselt kan worden opgenomen. Dat is de tweede bestreden beslissing. 3.5. Ingevolge een derde aanvraag tot onderzoek door de pensioencommissie van Medex, beslist de pensioencommissie op 13 mei 2024 dat verzoeker aan de voorwaarden voldoet om definitief vervroegd te worden gepensioneerd op medische gronden. Tegen die beslissing stelt verzoeker een beroep in. Na een nieuw onderzoek op 13 juni 2024 formuleert de pensioencommissie het voorstel dat verzoeker op medische gronden ongeschikt is voor elke functie en aan de voorwaarden voldoet om vanaf 1 juni 2024 definitief vervroegd op pensioen te worden gesteld. Verzoeker gaat met dat voorstel niet akkoord. De scheidsrechtelijke eindbeslissing van 1 juli 2024 luidt dat verzoeker op medische gronden ongeschikt is voor elke functie, dat hij de voorwaarden vervult om definitief vroegtijdig te worden gepensioneerd en dat een ernstige en langdurige ziekte niet wordt erkend. Dat is de eerste bestreden beslissing. IX-10.558-4/11 3.6. Op 5 juli 2024 gaat de tweede verwerende partij over tot “[a]mbtshalve ontslag en vroegtijdige oppensioenstelling wegens lichamelijke ongeschiktheid” van verzoeker. IV. Regelmatigheid van de rechtspleging 4.1. In het auditoraatsverslag wordt verzoeker uitgenodigd om ter terechtzitting duidelijkheid te verschaffen over de datum van kennisgeving van de eerste bestreden beslissing. 4.2. Verzoeker heeft vervolgens op 23 december 2024 op het uitwisselingsplatform e-proadmin bijkomende stukken neergelegd, vergezeld van een tekst waarin verzoeker een inleidende “schets van de problematiek” geeft, antwoordt op de door de verwerende partijen opgeworpen exceptie van laattijdigheid en onder de titel ‘verdere opmerkingen’ nog nader ingaat op de spoedeisendheid. Op de terechtzitting verwijst verzoeker naar deze tekst als de ‘pleitnota’. Op de terechtzitting verzetten de verwerende partijen zich tegen de neerlegging van die pleitnota, uitgezonderd in zoverre daarin wordt geantwoord op de in het auditoraatsverslag gestelde vraag tot verduidelijking. 4.3. De procedureregeling voorziet niet in de neerlegging van een pleitnota, zodat de Raad van State de nota van verzoeker dan ook niet als een processtuk in zijn beoordeling moet betrekken. In zoverre de pleitnota een antwoord bevat op de vragen van de auditeur-verslaggever, mag ze bij de zaak worden betrokken. Aangezien hierna zal worden vastgesteld dat de tijdigheid van het beroep en de ter zake geformuleerde excepties vooralsnog geen beoordeling behoeven, is de pleitnota wat dat betreft in de huidige stand van de procedure niet dienend. IX-10.558-5/11 Voor zover verzoeker in de pleitnota repliceert op de bespreking van de schorsingsvoorwaarde van de spoedeisendheid in de nota’s van de verwerende partijen en het auditoraatsverslag, is ze als processtuk niet ontvankelijk. De pleitnota wordt voor het overige als inlichting aangenomen, in de mate ze de weergave is van het mondeling pleidooi ter terechtzitting. V. Ontvankelijkheid 5. Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over de door de verwerende partijen opgeworpen ontvankelijkheidsexcepties uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over die excepties zouden alleen nodig zijn indien de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. VI. Spoedeisendheid 6. Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden. 7. Het komt er voor een verzoeker die beweert dat de zaak te spoedeisend is om de uitkomst van het annulatieberoep te kunnen afwachten, op aan om van die urgentie te overtuigen aan de hand van de concrete feiten die hij in zijn vordering aanvoert. Dit houdt in dat het aan verzoeker toevalt om op de omstandigheden van zijn zaak betrokken, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen waarom de nadelige gevolgen die een tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing voor hem persoonlijk veroorzaakt, niet gedragen kunnen IX-10.558-6/11 worden gedurende de gewone doorlooptijd van de annulatieprocedure en waarom de afloop van deze procedure bijgevolg niet afgewacht kan worden. Die gegevens moeten door verzoeker worden onderbouwd op een wijze die de rechter toelaat om ze te verifiëren, zodat hij kan aftoetsen of ze de beweerde spoedeisendheid inderdaad verantwoorden. De spoedeisendheid van de zaak wordt niet vermoed, welke ook de aard van de bestreden beslissing is. 8. Verspreid over het verzoekschrift voert verzoeker een aantal argumenten aan die, wat sommige betreft met enige welwillendheid, op de spoedeisendheid kunnen worden betrokken. 9.1. Verzoeker verwijst vooreerst naar de doorlooptijd van de procedure tot nietigverklaring en stelt dat hij na de afwikkeling van die procedure nog slechts een beperkte tijd zal kunnen werken tot zijn wettelijke pensioenleeftijd. 9.2. Het is begrijpelijk dat verzoeker, zoals menig verzoekende partij, hoopt op een spoedige beoordeling van zijn zaak. Het moeten afwachten van het normale procedureverloop in het kader van een beroep tot nietigverklaring maakt het onvermijdelijke lot uit van elke beroepindiener. Uit wat hiervóór sub 7 is aangestipt, volgt evenwel dat het niet volstaat louter te stellen dat de doorlooptijd van een annulatieprocedure te lang duurt of dat het resultaat van een annulatieprocedure niet kan worden afgewacht. Verzoeker maakt op geen enkele wijze inzichtelijk waarom, wat het tijdstip van de gebeurlijke hervatting van de arbeid betreft, hij door de voorlopige tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen een schade of nadeel dreigt te lijden met een dergelijke omvang of impact, dat van hem niet kan worden verwacht dit te moeten dragen totdat een uitspraak ten gronde volgt. 9.3. In dat opzicht overtuigt de door verzoeker aangevoerde spoedeisendheid niet. IX-10.558-7/11 10.1. Verzoeker stelt voorts dat hij terug met zijn collega’s wil samenwerken, “liefst vanuit thuiswerk, maar met de mogelijkheid om af en toe af te spreken voor fysiek contact”. Indien hij slechts na het doorlopen van een nietigverklaringsprocedure het werk zou kunnen hervatten, zullen “mogelijk een aantal van de collega’s waar verzoeker een band mee heeft, zelf al verdwenen zijn van de werkvloer” en kan zijn effectieve deelname aan het arbeidsproces niet worden hersteld. 10.2. Dat verzoeker in afwachting van de afwikkeling van de nietigverklaringsprocedure niet met zijn collega’s kan samenwerken, is slechts een vaststelling van het gevolg van de bestreden beslissingen, maar verklaart niet waarom daaraan met spoed een einde dient te worden gesteld. Dat één of meer collega’s ondertussen zelf “mogelijk” de dienst verlaten is niet enkel speculatief, maar verzoeker laat ook na te duiden waarom het gemis aan collegiale samenwerking met hen voor hem specifiek grievend is. 10.3. Overigens moet worden vastgesteld dat verzoeker volgens de tweede verwerende partij sinds 2020 niet meer op zijn plaats van tewerkstelling in Brussel is geweest – wat verzoeker niet weerspreekt –, dat hij sinds 9 mei 2022 afwezig is wegens ziekte en vervolgens op disponibiliteit is gesteld. Het doet op het eerste gezicht besluiten dat verzoekers contacten met zijn collega’s sinds geruime tijd reeds zeer beperkt zijn. 10.4. Ook in dit opzicht overtuigt verzoekers betoog niet. 11.1. Ten derde voert verzoeker aan dat de bestreden beslissingen een invloed hebben op het uitgekeerde pensioenbedrag, dat het bedrag van het vervroegd pensioen heel laag is en dat enkel een spoedige werkhervatting tot de wettelijke pensioenleeftijd voor een redelijk pensioen zorgt. Verzoeker betoogt dat “de ongewenste rechtstoestand […] nu minstens zware financiële gevolgen [heeft]” en dat er gevolgen zijn die niet enkel door een nietigverklaring ongedaan kunnen worden gemaakt. IX-10.558-8/11 11.2. Verzoeker beroept zich op een financieel nadeel. Zulks volstaat op zich niet om de behandeling bij spoedeisendheid te verantwoorden. Het is enkel anders, wanneer in concreto wordt aangetoond dat de omvang van dit financiële nadeel op de situatie van de verzoekende partij een zodanige impact heeft dat zij dit niet kan lijden tot de uitspraak ten gronde. Een financieel verlies kan immers, tenzij het tegendeel aannemelijk wordt gemaakt, worden hersteld na een annulatiearrest. 11.3. Verzoeker laat na aan te tonen dat de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen hem in een financieel precaire situatie brengt. Dit aspect van de aangevoerde spoedeisendheid kan derhalve evenmin overtuigen. 12.1. Indien de middelen enkel in een nietigverklaringsprocedure worden beoordeeld dan zal het bestuur, zo stelt verzoeker ten vierde, voor de resterende maanden tot de wettelijke pensioendatum niet geneigd zijn om nog thuiswerk toe te laten. 12.2. Hiermee formuleert verzoeker een loutere hypothese. Het kan de spoedeisendheid van de vordering niet verantwoorden. 13.1. Verzoeker betoogt ten vijfde dat door de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen een gat in zijn curriculum vitae ontstaat, waardoor het voor hem moeilijker wordt om opnieuw werk te vinden. Bovendien is verzoeker van oordeel dat hij door de doorlooptijd van een procedure ten gronde met een achterstand in beroepskennis en een verlies aan ervaring zou worden geconfronteerd. De vordering is volgens verzoeker ook spoedeisend omdat hij deelneemt aan een aantal sollicitatieprocedures voor andere betrekkingen en de toestand van vervroegde pensionering zijn kandidatuur bezwaart. 13.2. Gelet op wat sub 10.3 is vastgesteld, overtuigt verzoeker er met betrekking tot de aangevoerde beroepskennis en ervaring niet van dat de bestreden beslissingen hem blootstellen aan gevolgen die niet enkel door een nietigverklaring ongedaan kunnen worden gemaakt. Overigens toont verzoeker niet aan de eerste bestreden beslissing – die ook in het geval van een schorsing in het rechtsverkeer IX-10.558-9/11 blijft bestaan – bij andere mogelijke werkgevers een dermate negatieve perceptie opwekt dat verzoekers kansen op de arbeidsmarkt daardoor ernstig worden gehypothekeerd. 14.1. Tot slot voert verzoeker aan dat “lichte spoed [is] aangewezen” om de werkgever beter te motiveren om mee te werken aan een werkhervatting. 14.2. Ook met die stelling toont verzoeker niet aan dat nadelige gevolgen die een tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen voor hem persoonlijk veroorzaakt, niet gedragen kunnen worden gedurende de gewone doorlooptijd van de annulatieprocedure en waarom de afloop van deze procedure bijgevolg niet kan worden afgewacht. 15. De spoedeisendheid is niet aangetoond, zodat het schorsingsverzoek moet worden verworpen. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt de vordering. 2. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op veertien januari tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Jim Deridder, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter IX-10.558-10/11 Frank Bontinck Jim Deridder IX-10.558-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.261.976 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div