id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 januari 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.061 Rolnummer: A. 239704/XII-9621 Zaak: Arrest 262061 - Dierenwelzijn - 22/01/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-01-28 Raadplegingen: 93 - laatst gezien 2026-06-17 03:19 Fiche Arrest nr 262.061 van 22 januari 2025 Sociale zaken en volksgezondheid - Dierenwelzijn Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 262.061 van 22 januari 2025 in de zaak A. 239.704/XII-9621 In zake :
- de BV HOEVE HOOGLAND
- M.D. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tristan Carolus kantoor houdend te 1090 Brussel Odon Warlandlaan 187 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Isabelle Cooreman kantoor houdend te 1082 Brussel Keizer Karellaan 586, bus 9 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 31 juli 2023, strekt tot de nietigverklaring van “de beslissing 10 mei 2023 (lees: 31 mei 2023) genomen door de heer Ben Weyts, Viceminister-president van de Vlaamse Regering en Vlaams minister van Onderwijs, Sport, Dierenwelzijn en Vlaamse Rand, […]waarbij de erkenningsaanvraag E-22-0381/KN-4674 als beroepskwekerij voor honden en katten werd geweigerd”. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. XII-9621-1/6 Eerste auditeur Frederic Eggermont heeft een verslag opgesteld overeenkomstig artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 16 januari
- Kamervoorzitter Chantal Bamps heeft verslag uitgebracht. Advocaat Tristan Carolus, die verschijnt voor de verzoekende partijen en advocaat Joeri Leten, die loco advocaat Isabelle Cooremans verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Frederic Eggermont heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Toepassing korte debattenprocedure Ambtshalve exceptie wegens gebrek aan belang in hoofde van de verzoekende partijen Uiteenzetting van de ambtshalve exceptie
- Het auditoraat werpt in zijn verslag ambtshalve het gebrek aan belang op in hoofde van de verzoekende partijen, op grond van de volgende overwegingen: XII-9621-2/6 “
- Wat met het voorliggende beroep wordt bestreden, is de beslissing van 31 mei 2023 waarbij de erkenningsaanvraag voor het uitbaten van een hondenkwekerij wordt verworpen.
- In het verzoekschrift in het kader van het beroep tot nietigverklaring wordt uitdrukkelijk opgenomen dat de aanvraag voor de erkenning werd ingediend ‘met als Verantwoordelijke M.D.’.
- Bij beslissing van 10 mei 2023 (met referentienummer DW/EVA/23/1.5/008b) trekt de Vlaamse minister van Dierenwelzijn vergunningen van de eerste verzoekende partij als erkende handelskwekerij voor honden en katten met ingang van 1 augustus 2023 in. Tevens wordt het verbod opgelegd om een nieuwe erkenningsaanvraag in te dienen tot 1 augustus 2024, wat ook het verbod inhoudt om tussen 1 augustus 2023 en 1 augustus 2024 een erkenningsplichtige inrichting te beheren of er een direct toezicht op de dieren uit te oefenen. Nog steeds op 10 mei 2023 trekt de Vlaamse minister die beslissing in en vervangt hij ze door de beslissing (met referentienummer DW/EVA/23/1.5/008b-bis) om de meergenoemde vergunningen met ingang van 1 augustus 2023 in te trekken en om het verbod op te leggen om een nieuwe erkenningsaanvraag in te dienen tot 1 augustus 2025, wat ook het verbod inhoudt om tussen 1 augustus 2023 en 1 augustus 2025 een erkenningsplichtige inrichting te beheren of er een direct toezicht op de dieren uit te oefenen. 6.De beslissing van 10 mei 2023 (met referentienummer DW/EVA/23/1.5/008b) is ingetrokken en vervangen door een tweede beslissing van 10 mei
- Zoals de Raad van State al in het arrest nr. 257.114 van 14 juli 2023 heeft vastgesteld, is die beslissing uit het rechtsverkeer verdwenen door de tweede beslissing van 10 mei
- Tot dezelfde conclusie is het auditoraat gekomen in de zaken A. 239.389/XII-9614 en 239.472/XII-9617 die als voorwerp die ingetrokken beslissing van 10 mei 2023 hebben.
- Het beroep tot nietigverklaring tegen de vigerende beslissing van 10 mei 2023 (met referentienummer DW/EVA/23/1.5/008b-bis) is door de Raad van State verworpen bij arrest nr. 261.385 van 20 november
- Dienvolgens staat het vast dat het verbod om een nieuwe erkenningsaanvraag in te dienen tot 1 augustus 2025, wat ook het verbod inhoudt om tussen 1 augustus 2023 en 1 augustus 2025 een erkenningsplichtige inrichting te beheren of er een direct toezicht op de dieren uit te oefenen, heeft standgehouden.
- In toepassing van artikel 2, § 8, van het koninklijk besluit van 27 april 2007 ‘houdende erkenningsvoorwaarden voor inrichtingen voor dieren en de voorwaarden inzake de verhandeling van dieren’ heeft de Vlaamse minister bevoegd voor Dierenwelzijn de erkenningen van de eerste verzoekende partij ingetrokken – en hééft mogen intrekken, gelet op het arrest nr. 261.385 van 20 november 2024 – omdat die niet langer voldeed aan de in de wet en haar uitvoeringsbesluiten gestelde voorwaarden. Artikel 5, § 4, van de wet van 14 augustus 1986 ‘betreffende de bescherming en het welzijn der dieren’ legt in de betrokken omstandigheid op: ‘De Vlaamse Regering kan de erkenning van de inrichting intrekken. Dat brengt voor de eigenaar of de houder die de betrokken inrichting beheert en er een direct toezicht uitoefent op de dieren, gedurende een bepaalde of onbepaalde tijd of definitief het verbod met zich om een nieuwe erkenning aan te vragen. Bovendien mag deze laatste gedurende de betrokken periode geen inrichting bedoeld in artikel 5, § 1, beheren noch er een direct toezicht uitoefenen op de dieren’. XII-9621-3/6
- De eigenaar of de houder die de inrichting waarvan de erkenningen zijn ingetrokken, beheerde en er een direct toezicht uitoefende op de dieren, is de tweede verzoeker.
- Zelfs in het geval de bestreden beslissing wordt vernietigd, dan nog zou de verwerende partij opnieuw moeten beslissen dat de aanvraag tot erkenning, zoals ingediend, wordt verworpen op grond van artikel 5, § 4, van de wet van 14 augustus
- Als tot intrekking van de erkenning wordt overgegaan, is daaraan het bij wet opgelegde gevolg gekoppeld dat de eigenaar of de houder die de betrokken inrichting beheert en er een direct toezicht uitoefent op de dieren, gedurende de betrokken periode geen kwekerij mag beheren noch er een direct toezicht uitoefenen op de dieren. Dit is door de wetgever zelf bepaald.
- Een vernietiging van de bestreden beslissing kan de verzoekende partijen geen voordeel opleveren. Zij ontberen het vereiste belang bij het beroep.” Beoordeling
- Wanneer de ontvankelijkheid van het beroep in vraag wordt gesteld - en zulks des te meer wanneer dit zoals te dezen gebeurt in het beredeneerd verslag dat over de zaak is opgesteld door het daartoe aangestelde lid van het auditoraat - dan moet die partij daarover een standpunt innemen en de nodige verduidelijkingen bijbrengen. Ter terechtzitting, dit is bij de eerste procedurele gelegenheid die zich voor de verzoekende partijen in het kader van de toegepaste procedure van artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ daarvoor aanbood, betwisten de verzoekende partijen de conclusie in het auditoraatsverslag. De verzoekende partijen laten in essentie gelden dat zij een nieuwe aanvraag tot erkenning tot 1 augustus 2023 (datum waarop het verbod om een nieuwe erkenningsaanvraag in te dienen van toepassing werd, inhoudende tevens het verbod om tussen 1 augustus 2023 en 1 augustus 2025 een erkenningsplichtige inrichting te beheren of er een direct toezicht op de dieren uit te oefenen) konden indienen, wat zij hebben gedaan met hun aanvraag van 15 februari 2023 en dat zij gelet op het voorgaande het rechtens vereiste belang hadden bij het indienen van het voorliggende beroep tot nietigverklaring. Dit betoog doet geen afbreuk aan de redenering in het auditoraatsverslag, waarin terecht wordt gesteld dat zelfs in het geval de bestreden beslissing wordt XII-9621-4/6 vernietigd, de verwerende partij opnieuw zal moeten beslissen dat de aanvraag tot erkenning, zoals ingediend, wordt verworpen op grond van het thans van toepassing zijnde artikel 17, § 5, van de Vlaamse Codex Dierenwelzijn van 17 mei 2024, waarin wordt bepaald dat de intrekking van de erkenning van een inrichting voor de eigenaar of de houder die de betrokken inrichting beheert en er een direct toezicht uitoefent op de dieren tot gevolg heeft dat 1° gedurende een bepaalde of onbepaalde tijd of definitief de voormelde eigenaar of houder geen nieuwe erkenning kan aanvragen en 2° de voormelde eigenaar of houder gedurende de periode, vermeld in punt 1°, geen inrichting als vermeld in paragraaf 1 (zijnde te deze de uitbating van een hondenkwekerij) kan beheren noch er een direct toezicht uitoefenen op de dieren. In die omstandigheden en na een eigen onderzoek, ziet de Raad van State geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, dat de verzoekende partijen het rechtens vereiste belang ontberen bij het voorliggende beroep tot nietigverklaring. Het auditoraat heeft terecht gemeend dat de zaak met korte debatten een oplossing kan krijgen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. XII-9621-5/6 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op tweeëntwintig januari tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Chantal Bamps, kamervoorzitter, bijgestaan door Silja Doms, griffier. De griffier De voorzitter Silja Doms Chantal Bamps XII-9621-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.061 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.