id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 januari 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:202
§ 2
, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO) en van artikel 149 van de Grondwet: “De Provincie heeft in het kader van de beoordeling van de goede ruimtelijke ordening, inderdaad een ruime appreciatiebevoegdheid. Bij de beoordeling van de goede ruimtelijke ordening, mag de vergunningverlenende overheid zich evenwel niet schuldig maken aan een kennelijke onredelijke, onzorgvuldige en foutieve beoordeling van de goede ruimtelijke ordening. [De aanvankelijk verzoekende] partijen hebben uitvoerig uiteengezet in het verzoekschrift dat de beoordeling van de goede ruimtelijke ordening door de verwerende partij onredelijk is en onzorgvuldig. VII-42.093-16/23 Evenwel doet de RvVb de uiteenzetting van het middel door [de aanvankelijk] verzoekende partijen af, als zijnde ‘het formuleren van een eigen visie over de inpasbaarheid van het gevraagde in de omgeving’ en [de aanvankelijk] verzoekende partijen zouden zich beperken tot ‘het formuleren van een tegengesteld standpunt en andere visie’; De RvVb heeft het ook over ‘diffuse en beperkte stellingen, verwijzingen, beweringen en citaten’. De [aanvankelijk] verzoekende partijen kunnen niet anders, dan in het kader van de afweging van de goede ruimtelijke ordening en de onjuistheid, de onredelijkheid en de onzorgvuldigheid ervan, verwijzen naar feitelijkheden in de onmiddellijke en verdere omgeving. [De aanvankelijk verzoekende] partijen stellen hun eigen visie hierbij niet in de plaats van de visie van de verwerende partij. De verwerende partij heeft een ruime beoordelingsbevoegdheid wanneer ze onderzoekt of een aanvraag verenigbaar is met de goede ruimtelijke ordening. In haar beoordeling moet ze duidelijk aangeven op welke motieven ze haar beslissing steunt. Daarbij moet ze rekening houden met de relevante, in de omgeving bestaande toestand en met de aandachtspunten en criteria die relevant zijn voor het aangevraagde project (artikel 4.3.1, § 2, eerste lid, 1° VCRO). Het toezicht van de [RvVb] is beperkt. Hij kan enkel nagaan of de verwerende partij de feitelijke gegevens correct vaststelt en of ze op basis daarvan niet kennelijk onredelijk of foutief beslist. De [RvVb] kan zelf geen eigen beoordeling van de goede ruimtelijke ordening maken in de plaats van de verwerende partij. Wanneer tijdens de administratieve procedure bezwaren en opmerkingen zijn geformuleerd over een relevant en te beoordelen aspect, geldt in principe dat de vergunningverlenende overheid haar beslissing op dat punt des te zorgvuldiger dient te motiveren. De vergunningverlenende overheid moet aangeven of afdoende laten blijken waarom ze de bezwaren en opmerkingen niet volgt. Uit de bestreden beslissing moet blijken waarom in tegengestelde zin wordt beslist. [De aanvankelijk verzoekende] partijen hebben aan de hand van foto’s over de nabije en verdere omgeving, aan de hand van het verslag van de provinciale omgevingsambtenaar, aangetoond, dat de beoordeling van de goede ruimtelijke ordening door de verwerende partij kennelijk onredelijk, onzorgvuldig en onjuist was en is. [De aanvankelijk verzoekende] partijen hebben zich niet beperkt tot het formuleren van een tegengesteld standpunt of een andere visie. Het is trouwens de vraag wat dient te worden verstaan onder ‘diffuse en beperkte stellingen’. De RvVb gaat een wijze van interpretatie van art. 4.3.1, §
§ 2VCRO maken, die dit artikel niet voorziet, wat een schending inhoudt van art.
4.3.1, §
§ 2VCRO. Het feit dat de Rv
Vb de omschrijving van het middel van [de aanvankelijk] verzoekende partijen, afdoet als een andere eigen visie, is een niet beantwoording van het middel en derhalve een gebrek aan motivering, dus een schending van art. 149 van de Grondwet.” VII-42.093-17/23 VII-42.093-18/23 Beoordeling
- De verzoekende partij leidt de schending van artikel 149 van de Grondwet af uit de omstandigheid dat het bestreden arrest de kritiek van de verzoekende partij afdoet als een eigen visie op de goede ruimtelijke ordening die afwijkt van de visie van de verwerende partij. Zij gaat aldus uit van een verkeerd begrip van de rechterlijke motiveringsplicht, zodat haar kritiek naar recht faalt.
- Als cassatierechter treedt de Raad van State niet in de beoordeling van de zaak zelf (artikel 14, § 2, RvS-wet). In zoverre het middel de Raad van State uitnodigt opnieuw te beoordelen of de verwerende partij correct heeft onderzocht of het project verenigbaar is met de goede ruimtelijke ordening in de zin van artikel 4.3.1 VCRO, en of de aanvankelijk verzoekende partijen zich al dan niet beperkt hebben tot het formuleren van een tegengesteld standpunt of een andere visie op de goede ruimtelijke ordening, is het niet ontvankelijk. In zoverre het bestreden arrest wordt verweten artikel 4.3.1 VCRO te hebben geïnterpreteerd op een wijze die deze bepaling niet voorziet, mist het middel de vereiste nauwkeurigheid opdat de Raad van State zijn wettigheidstoezicht zou kunnen uitoefenen, en is de kritiek eveneens niet ontvankelijk.
- In zoverre het ontvankelijk is, is het middel ongegrond. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
- Het derde middel wordt afgeleid uit de schending van artikel 149 van de Grondwet: “Nopens het zesde middel De RvVb heeft in [zijn] motivatie in het bestreden arrest verwezen naar de ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.074 VII-42.093-19/23 motivatie van de provincie, die stelt dat de parkeerverordening niet van toepassing zou zijn. [De aanvankelijk verzoekende] partijen hebben in hun middel duidelijk uiteengezet dat de parkeerverordening wel van toepassing is en hebben er een berekening van het aantal nodige parkeerplaatsen aan toegevoegd. Ofwel treedt de RvVb het standpunt van de provincie bij dat de parkeerverordening niet van toepassing is, ofwel treedt zij dit niet bij. Als er door de RvVb dan verwezen wordt naar de aangehaalde overweging van de provincie, die wel een beoordeling van de parkeermogelijkheden heeft gemaakt, dan is de motivatie van de RvVb tegenstrijdig. Als de RvVb dan toch een beoordeling maakt van de motivatie van de verwerende partij over de parkeermogelijkheden, dan stelt de RvVb dat de uiteenzetting van [de aanvankelijk] verzoekende partijen in het verzoekschrift, ‘onbegrijpelijk en onduidelijk’ is. Dit is een gebrek aan motivering of dient hiermee gelijkgesteld te worden en is derhalve mede de tegenstrijdigheid een schending van art. 149 van de Grondwet.” Beoordeling
- Het bestreden arrest bevat volgende motieven als antwoord op het zesde middel dat de aanvankelijk verzoekende partijen hebben aangevoerd: “De verzoekende partijen betwisten het andersluidend standpunt van de verwerende partij over de Parkeerverordening. Terwijl de provinciale ambtenaar het aangevraagde strijdig acht met de Parkeerverordening, acht de verwerende partij de Parkeerverordening niet van toepassing. De verwerende partij overweegt daarover in de bestreden beslissing het volgende: […] De verzoekende partijen kunnen dus niet gevolgd worden dat de verwerende partij niet (afdoende) motiveert waarom het standpunt van de provinciale ambtenaar niet wordt gevolgd. De uiteenzetting in het verzoekschrift bevat wel een passus dat de Parkeerverordening wel van toepassing is, maar is te onduidelijk en onbegrijpelijk om beoordeeld te kunnen worden. Het is de Raad alleszins niet duidelijk hoe er in de onderliggende zaak sprake kan zijn van vergunningsplichtige functiewijzigingen, die dan tot de conclusie moeten leiden dat de Parkeerverordening wel van toepassing is. De verzoekende partijen wijzen dan nog op de zorgvuldigheidsplicht die in elk geval verplicht om het afdoende aantal parkeermogelijkheden te toetsen. Uit de hiervoor aangehaalde overwegingen […] blijkt echter dat de verwerende partij een beoordeling heeft gemaakt over de parkeermogelijkheden.” VII-42.093-20/23
- Met deze motieven treedt de RvVb het standpunt van de verwerende partij dat de parkeerverordening niet van toepassing is, niet bij, maar beslist hij enkel dat de aanvankelijk verzoekende partijen niet duidelijk maken waarom de parkeerverordening wel van toepassing zou zijn. Deze motieven zijn niet tegenstrijdig met het motief - dat aangewend wordt ter weerlegging van de aangevoerde schending van de zorgvuldigheidsplicht - waarin wordt vastgesteld dat de verwerende partij een beoordeling heeft gemaakt over de parkeer-mogelijkheden. In zoverre de schending van de rechterlijke motiveringsplicht wordt gesteund op een tegenstrijdigheid van motieven, mist de kritiek dan ook feitelijke grondslag.
- Het motief waarmee de RvVb bepaalde argumenten afdoet als “onduidelijk en onbegrijpelijk”, kan niet worden gelijkgesteld met een gebrek aan motivering. In zoverre de verzoekende partij uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt haar kritiek naar recht.
- Het middel wordt verworpen. D. Vierde middel Uiteenzetting van het middel
- De verzoekende partij voert de schending aan van artikel 16 van het decreet van 21 oktober 1997 ‘betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu’ (hierna: natuurdecreet) en van artikel 149 van de Grondwet: “[De aanvankelijk verzoekende] partijen hebben in hun middel gewezen op de juiste interpretatie van de toepassing van het artikel 16 van het Natuurdecreet, dit in volgende zin […] Volkomen onbegrijpelijk stelt de RvVb in het bestreden arrest, dat de redactie van het middel ‘vrij enigmatisch’ is en ‘niet toegespitst op de concrete aanvraag.’ ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.074 VII-42.093-21/23 [De aanvankelijk verzoekende] partijen hebben in hun middel aangevoerd dat het advies van ANB zich enkel heeft toegespitst op de verplichting van boscompensatie. Het middel is derhalve verre van enigmatisch en is trouwens wel degelijk geconcretiseerd. Feit is dat de RvVb er opnieuw niet heeft willen op antwoorden, wat als een gebrek aan motivatie dient te worden beschouwd en derhalve een schending van art. 149 van de Grondwet.” Beoordeling
- De verzoekende partij verzoekt de Raad van State om het middel dat aan de RvVb werd voorgelegd en waarin de schending van artikel 16 van het natuurdecreet werd aangevoerd, opnieuw te beoordelen, zonder duidelijk te maken hoe het bestreden arrest die bepaling zou schenden. Zij gaat eraan voorbij dat het bestreden arrest uitdrukkelijk de in het bestreden vergunningsbesluit vervatte natuurtoets aanhaalt, en vervolgens overweegt: “De verzoekende partijen kunnen niet succesvol aanvoeren dat artikel 16 van het Natuurdecreet niet is nageleefd zonder het middel daarover op een concrete wijze te ontwikkelen en zonder de natuurtoets in de bestreden beslissing in hun kritiek te betrekken.” De in het middel aangevoerde schending van artikel 16 van het natuurdecreet mist aldus de vereiste nauwkeurigheid en is in zoverre niet ontvankelijk.
- Het motief waarmee de RvVb bepaalde argumenten afdoet als “vrij enigmatisch” en “niet toegespitst op de concrete aanvraag” kan niet worden gelijkgesteld met een gebrek aan motivering. In zoverre de verzoekende partij uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt haar kritiek naar recht.
- Het middel wordt verworpen. VII-42.093-22/23 BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 24 euro. De tussenkomende partijen worden verwezen in de kosten van de tussenkomsten, begroot op 600 euro, elk voor een vierde. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op drieëntwintig januari tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Peter Sourbron, staatsraad, Francis Van Nuffel, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Carlo Adams VII-42.093-23/23 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.074 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div