← België

Arrest 262091 - Varia (openbaar ambt) - 23/01/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 januari 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.091 Rolnummer: A. 243394/IX-10576 Zaak: Arrest 262091 - Varia (openbaar ambt) - 23/01/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-02-03 Raadplegingen: 96 - laatst gezien 2026-06-17 03:21 Fiche Arrest nr 262.091 van 23 januari 2025 Openbaar ambt - Varia (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.091 no lien 281060 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 262.091 van 23 januari 2025 in de zaak A. 243.394/IX-10.576 In zake: O.R. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Deborah Smets kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: HR RAIL, nv van publiek recht bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Chris Van Olmen en Vincent Vuylsteke kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 221 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 25 oktober 2024, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 27 augustus 2024 waarbij per 31 augustus 2024 een einde wordt gesteld aan de tewerkstelling van verzoeker als stagedoend treinbegeleider. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een verslag opgesteld. IX-10.576-1/10 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting van 13 januari 2025, welke zitting is uitgesteld naar de terechtzitting die heeft plaatsgevonden op 20 januari
  3. Staatsraad Jurgen Neuts heeft verslag uitgebracht. Advocaat Elliott Missault, die loco advocaat Deborah Smets verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Laurent Generet, die loco advocaten Chris Van Olmen en Vincent Vuylsteke verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten
  5. Verzoeker is met ingang van 2 oktober 2023 door de verwerende partij aangesteld als statutair treinbegeleider. Hij wordt daarbij aan een stage onderworpen. Op 5 april 2024 wordt een eerste periode van de stage gunstig geëvalueerd. Op 25 juli 2024 stellen de Manager Passenger Services Train en de Senior Manager Passenger Services Train een ‘omstandig verslag’ op omtrent het functioneren van verzoeker met het oog op de vroegtijdige beëindiging van de stage. IX-10.576-2/10 Op 27 augustus 2024 wordt beslist om de tewerkstelling van verzoeker per 31 augustus 2024 “na diensteinde” te beëindigen. Dit is de bestreden beslissing. IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
  6. Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden. V. Spoedeisendheid Uiteenzetting
  7. Ter adstructie van de spoedeisendheid van zijn vordering voert verzoeker in zijn verzoekschrift het volgende aan (met weglating van twee voetnoten): “
  8. Concreet. Verzoekende partij is in oktober 2023 aangevat met zijn stage als treinbegeleider, nu het voor hem steeds een grote droom was en is om in het treingebeuren aan de slag te gaan. Ten gevolge van de bestreden beslissing wordt niet alleen een einde gemaakt aan zijn tewerkstelling – waardoor verzoekende partij geen inkomen meer heeft – maar wordt ook letterlijk gesteld dat hij kennelijk ongeschikt zou zijn om als treinbegeleider te functioneren. Beide zaken brengen evident een nadeel met zich mee dat onherroepelijke schadelijke gevolgen zal teweeg brengen. Verzoekende partij verklaart zich nader. Het spreekt voor zich dat de beslissing tot ‘afdanking’ van verzoekende partij evident leidt tot een financieel nadeel. Sinds september 2024 beschikt verzoekende partij immers niet langer over inkomsten. Deze inkomsten bedroegen een netto maandelijks inkomen van 2.649 euro. Ten gevolge van de bestreden beslissing wordt dit inkomen herleid naar 0 euro. Deze impact valt niet te ontkennen. IX-10.576-3/10 Los van het gegeven of deze afdanking voor verzoekende partij al dan niet ingrijpende gevolgen op materieel-financieel vlak oplevert, berokkent de afdanking verzoekende partij onmiskenbaar een morele schandvlek en imagoschade die ontoereikend zouden kunnen worden geremedieerd en derhalve onherroepelijk dreigen te worden indien verzoekende partij zou moeten wachten op een uitspraak van uw Raad over zijn beroep tot nietigverklaring. Het ontslag is immers gesteund op een zogenaamde kennelijke ongeschiktheid, hetgeen rechtstreeks betrekking heeft op de uitvoering van de functie. Deze beslissing – en vooral de voorgehouden grondslag van de beslissing – kleurt de beroepsgeschiedenis van verzoekende partij evident negatief en legt een ernstige schandvlek op hem. Deze imagoschade en schandvlek heeft in eerste orde uitwerking binnen de NMBS. Ondanks dat verzoekende partij werkelijk echt voor de NMBS wenst te werken, wordt een nieuwe sollicitatie de facto onmogelijk. Het etiket van de vroegtijdige beëindiging van de stage wegens het kennelijk ongeschikt zijn, kleeft aan de persoon van verzoekende partij. Hier zal hij niet zonder meer van af geraken. In tweede orde heeft de imagoschade en schandvlek ook extern uitwerking. Er zal bij eventuele sollicitaties immers aan verzoekende partij gevraagd worden waarom zijn stage bij de NMBS vroegtijdig beëindigd werd. Indien dan vernomen wordt dat dit wegens een kennelijke ongeschiktheid is, zal een potentiële werkgever niet geneigd zijn om verzoekende partij nog aan te nemen. De veroorzaakte morele schade – die een impact heeft op de tewerkstelling van verzoekende partij – dreigt dan ook onherroepelijk […] te worden indien verzoekende partij dient te wachten op een uitspraak over zijn beroep tot nietigverklaring. Dit alles klemt des te meer, nu de beslissing op een kennelijke gebrekkige en onjuiste wijze gemotiveerd is.” Beoordeling
  9. Het komt er voor een verzoekende partij die beweert dat de zaak te spoedeisend is om de uitkomst van het annulatieberoep te kunnen afwachten, op aan om van die urgentie te overtuigen aan de hand van de concrete feiten die zij in haar vordering aanvoert. Dit houdt in dat het aan deze partij toevalt om in haar verzoekschrift op de omstandigheden van haar zaak betrokken, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen waarom de nadelige gevolgen die een tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing voor haar persoonlijk veroorzaakt, niet gedragen kunnen worden gedurende de gewone doorlooptijd van de annulatieprocedure en waarom de afloop van deze procedure bijgevolg niet afgewacht kan worden. IX-10.576-4/10 Die gegevens moeten door de verzoekende partij worden onderbouwd op een wijze die de rechter toelaat om ze te verifiëren, zodat hij kan aftoetsen of ze de beweerde spoedeisendheid inderdaad verantwoorden. De spoedeisendheid van de zaak wordt niet vermoed, welke ook de aard van de bestreden beslissing is. In beginsel mag alleen rekening worden gehouden met hetgeen in het verzoekschrift tot schorsing of de daarbij gevoegde stukken wordt uiteengezet én gestaafd. Eventueel ter terechtzitting nieuw aangehaalde argumenten kunnen niet in aanmerking worden genomen, aangezien alleen de in het verzoekschrift aangebrachte gegevens de overige partijen toelaten zich daartegen op de geëigende wijze – in hun geschreven procedurestukken – te verweren en het voorwerp kunnen uitmaken van het onderzoek door het auditoraat.
  10. Om de spoedeisendheid aan te tonen, volstaat het niet te stellen dat de doorlooptijd van een annulatieprocedure te lang duurt of dat het resultaat van een annulatieprocedure niet kan worden afgewacht. Het moeten afwachten van het normale procedureverloop in het kader van een beroep tot nietigverklaring maakt het onvermijdelijke lot uit van elke beroepindiener en het staat aan de verzoekende partij om aan te tonen dat zij het resultaat van de procedure tot nietigverklaring niet kan afwachten op straffe van zich in een toestand te bevinden met ernstige schadelijke gevolgen. Overigens moet die verzoekende partij zich er rekenschap van geven dat een vordering tot schorsing luidens artikel 17, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, mag worden ingesteld “op elk moment”.
  11. Wat de spoedeisendheid betreft, verwijst verzoeker vooreerst naar de financiële gevolgen van de bestreden beslissing. IX-10.576-5/10 Dat het aan verzoeker gegeven ontslag financiële gevolgen heeft, laat zich raden. Om de rechter evenwel ervan te overtuigen dat de impact van die financiële gevolgen redelijkerwijze niet gedragen kan worden tot een uitspraak volgt over het beroep tot nietigverklaring, mag van verzoeker wel een minimale inspanning worden gevraagd om die impact toe te lichten en op zijn individuele situatie te betrekken. In het verzoekschrift bepaalt verzoeker zich ertoe zijn inkomen tijdens de stage mee te delen en te stellen dat dit inkomen door de bestreden beslissing wordt “herleid naar 0 euro”. Aldus betoogt verzoeker dat hij in afwachting van de uitspraak ten gronde onmogelijk een andere job kan vinden die hem enig inkomen oplevert en ondertussen evenmin voor een vervangingsinkomen in aanmerking komt. Zonder concretisering ervan, is zo een bewering gans ongeloofwaardig. Als verzoeker daarmee enkel bedoelt, dat hij tijdelijk – zonder enige indicatie over hoe lang precies – zonder inkomen valt, dient erop gewezen dat hij nalaat ook maar enig inzicht te verschaffen in zijn financiële toestand. Van eventuele andere inkomsten, zijn uitgaven en zijn spaargelden – kortom zijn vermogenstoestand – brengt verzoeker geen enkel bewijs bij. Evenmin licht hij zijn gezinssituatie toe. Zonder enig stuk omtrent zijn bestaansmiddelen en de toestand waarin hij verkeert, maakt verzoeker het voor de Raad van State onmogelijk om zijn bewering dat hij de beëindiging van zijn tewerkstelling op financieel vlak niet of moeilijk het hoofd kan bieden, daadwerkelijk te toetsen. De Raad van State bedenkt overigens in dat verband dat bij een eventuele nietigverklaring verzoeker wordt geacht nooit ontslagen te zijn geweest, zodat zijn loopbaan, ook geldelijk, moet worden gereconstrueerd. 9.
  12. Voorts voert verzoeker een moreel nadeel aan, namelijk dat zijn ontslag hem een “morele schandvlek en imagoschade” berokkent die “ontoereikend zouden kunnen worden geremedieerd” indien hij een uitspraak ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.091 IX-10.576-6/10 over zijn annulatieberoep moet afwachten. Hij wijst erop dat de bestreden beslissing steunt op een “kennelijke ongeschiktheid” voor de functie van treinbegeleider. Deze beslissing heeft volgens verzoeker gevolgen, zowel binnen de NMBS, als extern. 9.
  13. Een moreel nadeel wordt in principe goedgemaakt door een eventueel later tussen te komen vernietigingsarrest. Verzoeker toont met geen enkele bijzondere omstandigheid aan dat het aangevoerde moreel nadeel van zodanige aard is dat een dergelijk arrest, waarin de onregelmatigheid van de bestreden beslissing zou worden vastgesteld, hem geen voldoende morele genoegdoening zou kunnen verschaffen. In het bijzonder dient erop te worden gewezen dat verzoeker eraan voorbijgaat dat het in casu gaat om een ontslag wegens beroepsongeschiktheid in het kader van de reglementair voorgeschreven proefperiode die hij als stagedoende ambtenaar vervult. Als stagiair in overheidsdienst bevindt verzoeker zich onvermijdelijk in een precaire situatie aangezien hij steeds het resultaat van zijn stage dient af te wachten. De stagiair dient daarbij rekening te houden met de mogelijkheid dat, hoewel hij tijdens de selectie als ‘geschikt’ wordt beoordeeld, de stage met een ongunstig resultaat wordt beëindigd en de stagiair geen vaste benoeming verkrijgt, maar wordt ontslagen. Een proefperiode strekt precies ertoe om na te gaan of de geschiktheid van de betrokken stagiair voor het ambt waarvoor hij heeft gesolliciteerd en waarvoor hij, alvast prima facie, geschikt werd bevonden, aldus in de concrete werksituatie geplaatst zijnde, ook daadwerkelijk kan worden bevestigd. Het is dan ook niet vanzelfsprekend dat een personeelslid- stagiair zoals verzoeker die te maken krijgt met een dergelijke beëindiging van zijn tewerkstelling als stagiair, zich erop vermag te beroepen dat zijn zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring. Het ligt integendeel op de weg van verzoeker om te overtuigen van bijzondere omstandigheden. IX-10.576-7/10 9.
  14. In de mate dat verzoeker vreest voor zijn professionele reputatie, moet erop worden gewezen dat dergelijke in algemene termen gestelde verwijzing naar een mogelijke perceptie binnen de diensten van de verwerende partij of zelfs door derden, op zich echter niet aantoont dat verzoeker het resultaat van de annulatieprocedure niet kan afwachten. Zoals hiervóór is opgemerkt, neemt een nietigverklaring in beginsel het stigma van het ontslag weg. Verzoeker moet aantonen waarom dat odium van ontslag wegens beroepsonbekwaamheid zo zwaar drukt dat de gewone procedure niet afgewacht kan worden. Dat doet hij alvast niet door te beweren dat “een nieuwe sollicitatie de facto onmogelijk” is. Naar luid van artikel 11 van het Statuut van het Personeel van de verwerende partij wordt onder meer voor “de statutaire personeelsleden die ontslagen zijn tijdens of na een ongunstige stage” een ‘Freeze Mobiliteit’ – dit betekent “dat een externe niet aangeworven kan worden, en dat een personeelslid niet kan deelnemen aan een proef en geen graadbevordering, graadverandering of overplaatsing op aanvraag meer kan bekomen tijdens een bepaalde periode” – van vijf jaar toegepast voor alle betrekkingen. De bestreden beslissing maakt het voor verzoeker bijgevolg voor de eerstvolgende vijf jaar onmogelijk om te solliciteren. Op de daaropvolgende periode heeft de bestreden beslissing géén invloed. Waarom dat “de facto” wél zo is, verduidelijkt verzoeker evenwel niet. Evenmin maakt hij inzichtelijk waarom hij de uitkomst van de annulatieprocedure – die alleszins mag worden verwacht voordat de periode van vijf jaar is verstreken – niet kan afwachten. Dat er bij “eventuele sollicitaties” gevraagd zal worden naar de stage bij de verwerende partij en dat als gevolg daarvan andere werkgevers “niet geneigd zijn” om verzoeker aan te werven, is dan weer niet meer dan een hypothese die verzoeker op geen enkele manier staaft. Verzoeker brengt geen enkel stuk bij waaruit blijkt dat hij reeds een poging heeft ondernomen om elders IX-10.576-8/10 aan de slag te gaan, laat staan dat hem die mogelijkheid precies wegens de bestreden beslissing zou zijn ontzegd. 9.
  15. Ook in dat verband mag erop worden gewezen dat bij een eventuele nietigverklaring verzoeker wordt geacht nooit ontslagen te zijn geweest, zodat hij bijgevolg moet worden behandeld als een personeelslid dat nooit ontslagen is geweest. 9.
  16. Nog daargelaten dat, zoals hiervóór gezien, ter terechtzitting nieuw aangehaalde argumenten niet in aanmerking kunnen worden genomen, laat verzoeker hoe dan ook niet verstaan waarom het door hem op die terechtzitting met de spoedeisendheid in verband gebrachte “verlies van een toekomstperspectief” anders moet worden begrepen dan het hiervóór besproken moreel nadeel dat hij in zijn verzoekschrift heeft aangevoerd. 9.
  17. Uit wat voorafgaat volgt dat ook het morele nadeel niet kan worden bijgevallen.
  18. Voor zover verzoeker nog argumenteert dat een en ander “des te meer [klemt], nu de beslissing op een kennelijke gebrekkige en onjuiste wijze gemotiveerd is”, betrekt hij de ernst van het door hem aangevoerde eerste middel bij de voorwaarde van de spoedeisendheid. De voorwaarde van de spoedeisendheid is evenwel een schorsingsvoorwaarde die afzonderlijk moet worden onderzocht. De onwettigheden die tegen de bestreden beslissing worden aangevoerd kunnen op zich geen reden zijn om het bestaan van de spoedeisendheid te aanvaarden.
  19. De spoedeisendheid is niet aangetoond. IX-10.576-9/10 VI. Conclusie
  20. Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op drieëntwintig januari tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Jurgen Neuts, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Jurgen Neuts IX-10.576-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.091 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.