id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 januari 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.130 Rolnummer: A. 238317/XIV-39343 Zaak: Arrest 262130 - Varia (economische zaken) - 27/01/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-01-28 Raadplegingen: 162 - laatst gezien 2026-06-18 19:17 Fiche Arrest nr 262.130 van 27 januari 2025 Economische zaken - Varia (economische zaken) Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 262.130 van 27 januari 2025 in de zaak A. 238.317/XIV-39.343 In zake :
- de BV LUWICO
- XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Mattias Vandevyvere kantoor houdend te 2300 Turnhout Gemeentestraat 4/6 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door het VLAAMSE ENERGIE- EN KLIMAATAGENTSCHAP (VEKA) bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Damien Verhoeven, Bert Van Herreweghe en Vincent Verbelen kantoor houdend te 1000 Brussel Keizerslaan 3 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 2 februari 2023, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van het intern verzelfstandigd agentschap zonder rechtspersoonlijkheid Vlaams Energie- en Klimaatagentschap van 8 december 2022 houdende uitspraak over de aanvraag in het kader van de call voor de ondersteuning van steunaanvragen voor middelgrote installaties op basis van zonne-energie en kleine en middelgrote windturbines. XIV-39.343-1/10 II. Verloop van de rechtspleging
- Bij arrest nr. 259.814 van 22 mei 2024 (ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.814) werd het debat heropend en werd het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat gelast met het aanvullend onderzoek. Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een aanvullend verslag opgesteld. De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 5 november 2024 om 14:15 uur. Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. Advocaat Rens Van Wezel, die loco advocaat Matthias Vandevyvere verschijnt voor de verzoekende partijen, en advocaat Vincent Verbelen, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- XIV-39.343-2/10 III. Feiten
- In arrest nr. 259.814 van 22 mei 2024 (ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.814) worden de feiten uiteengezet. Er wordt naar verwezen. IV. Ontvankelijkheid - Rechtsmacht van de Raad van State Standpunt van de partijen
- In het hiervoor in punt 3 genoemde tussenarrest zijn de standpunten van de partijen weergegeven. Er wordt naar verwezen.
- Hieraan dient nog toegevoegd dat de verzoekende partijen in hun laatste memorie na het aanvullend auditoraatsverslag betogen dat niet is voldaan aan beide connexe voorwaarden. Zij hernemen hierbij hun standpunt dat, wat de eerste connexe voorwaarde betreft, de verwerende partij niet over een volledig gebonden bevoegdheid beschikte. Wat de tweede connexe voorwaarde betreft, erkennen zij dat zij inderdaad slechts één middel hebben opgeworpen, met name de schending van artikel 7.11.2 van het Energiebesluit van 19 november 2010, doch dat zij hierbij reeds van in den beginne hebben aangehaald dat de verwerende partij de op haar rustende motiveringsverplichting daarbij heeft geschonden. Volgens hen houdt dit geenszins enkel en alleen de beoordeling in van een subjectief recht in haar hoofde, doch eveneens van “een objectief recht”. Beoordeling
- In de mate dat de verzoekende partijen in hun laatste memorie blijven volharden dat aan de eerste connexe voorwaarde niet is voldaan, gaan zij voorbij aan het gezag van het gewijsde van het tussenarrest. Hun kritiek ter zake is derhalve niet ontvankelijk. XIV-39.343-3/10 Hierna wordt derhalve – alvorens te kunnen besluiten of de exceptie wegens gebrek aan rechtsmacht kan worden ingewilligd – nog nagegaan of ook de tweede connexe voorwaarde is vervuld.
- De tweede voorwaarde heeft betrekking op de ‘ingeroepen middelen en vermeende onwettigheden’ die tot staving van het vernietigingsberoep worden aangevoerd. Opdat een (betwisting over een) subjectief recht zou voorliggen, is vereist dat een verzoekende partij zich beroept op een welbepaalde juridische verplichting die een regel van objectief recht rechtstreeks aan een derde, te dezen de verwerende partij oplegt, en bij de nakoming waarvan de verzoekende partij belang heeft. Uit de in het tussenarrest aangehaalde arresten van de algemene vergadering volgt dat niet elk annulatiemiddel onder de rechtsmacht van de Raad van State valt.
- Het ontbreken van een belang in hoofde van de verzoekende partij bij de nakoming van de door de toepasselijke regelgeving aan de verwerende partij opgelegde welbepaalde juridische verplichting, brengt mee dat geen betwisting over een subjectief recht kan voorliggen. Aldus, wanneer in een middel op grond van artikel 159 van de Grondwet de onwettigheid wordt aangevoerd van het reglementair besluit waarop de bestreden beslissing is gesteund, bijvoorbeeld omwille van de onbevoegdheid van de steller ervan, dan kan de Raad van State kennisnemen van het beroep omdat hij zich dan niet uitspreekt over het bestaan of de omvang van een subjectief recht.
- Wanneer daarentegen het beroep strekt tot de nietigverklaring van een administratieve rechtshandeling waarbij een administratieve overheid weigert om een verplichting uit te voeren die overeenstemt met een subjectief recht van de verzoekende partij en het ingeroepen annulatiemiddel is gebaseerd op de XIV-39.343-4/10 schending van een regel van materieel recht die deze juridische verplichting in het leven roept en, aldus, het geschil inhoudelijk bepaalt, is de Raad van State zonder rechtsmacht. Het is daarbij evenwel niet voldoende dat een annulatiemiddel de Raad van State in het raam van het wettigheidstoezicht incidenteel of onrechtstreeks verplicht om uitspraak te doen over het bestaan of over de draagwijdte van een subjectief recht om te beslissen tot de afwezigheid van rechtsmacht van de Raad van State.
- Te dezen voeren de verzoekende partijen in het verzoekschrift een enig middel aan, die zij in de memorie van wederantwoord hernemen, afgeleid uit de schending van artikel 7.11.2 van het Energiebesluit van 19 november
- Zij vatten het middel als volgt samen: “doordat het [VEKA] ten onrechte besliste dat ‘een eerste onomkeerbare contractuele verbintenis werd voor dossier [XXX] gesteld op 11-11-2021 door middels van het document Uitbetaling-Offerte […] (ondertekend), het [VEKA] […] geen reden [heeft] om te twijfelen aan de authenticiteit van het document [en] de datum van het document valt voor de positieve beslissing aan de aanvrager betekend werd op 16-11-2021, Terwijl [het] op grond van manifest onjuiste en onredelijke overwegingen tot deze beslissing [is] gekomen en [het] motiveerde haar besluit niet afdoende en/of deugdelijk; de aangehaalde motivatie kan de beslissing niet dragen;” Kort gesteld, voeren de verzoekende partijen derhalve aan dat de bestreden beslissing, volgens hen ten onrechte, heeft beslist dat zij reeds onomkeerbare contractuele beslissingen hadden aangegaan vóór de betekening van de positieve beslissing over hun steunaanvraag, en dus strijdig handelde met artikel 7.11.2, § 1, tweede lid, van het Energiebesluit van 19 november 2010 luidens hetwelk “pas nadat de positieve beslissing aan de aanvrager betekend is, […] de aanvrager onomkeerbare contractuele verbintenissen [mag] aangaan om de werkzaamheden voor de investering uit te voeren.” XIV-39.343-5/10
- De verzoekende partijen voeren in dit middel, op grond van artikel 159 van de Grondwet, niet de onwettigheid aan van artikel 7.11.2 van het Energiebesluit van 19 november 2010 waarop de bestreden beslissing steunt. Integendeel, zij voeren aan dat de bestreden beslissing de voornoemde bepaling van dit reglementair besluit schendt door een verkeerde of onjuiste toepassing ervan, minstens kunnen de motieven waarop die volgens hen onwettige beslissing steunt, deze niet dragen. Aldus beogen de verzoekende partijen in wezen de (volgens hen) correcte interpretatie én toepassing van die reglementaire bepaling te verkrijgen waardoor zij wel aanspraak kan maken – wat meteen het door de verzoekende partijen beoogde voordeel en hun belang is bij het voorliggende beroep – op de gevraagde steun. Zij willen er aldus de Raad van State toe brengen zich uit te spreken over een schending van een regel van materieel recht die de gebonden bevoegdheid van de verwerende partij en dus het daarmee overeenstemmende subjectief recht van de verzoekende partijen vestigt. In de mate dat in het middel ook is vervat dat de motieven niet afdoende zijn – wat de materiëlemotiveringsplicht betreft – kan een schending van dat beginsel van behoorlijk bestuur niet worden aangenomen indien de overheid, zoals uit de beoordeling in het tussenarrest van de eerste connexe voorwaarde is gebleken, bij het nemen van een beslissing niet over een discretionaire bevoegdheid doch slechts over een volledig gebonden bevoegdheid beschikt. Zij beogen dan immers nog steeds, zij het via de controle op de motieven, de Raad van State ertoe te brengen zich uit te spreken over een schending door de verwerende partij van een regel van materieel recht die het subjectief recht in hoofde van de verzoekende partijen, vestigt.
- Uit wat voorafgaat volgt dat bij de beoordeling van de ontvankelijkheid en de gegrondheid van de middelen er in wezen uitspraak zou worden gedaan over een subjectief recht van de verzoekende partijen. XIV-39.343-6/10 Besluit
- Het werkelijk en rechtstreeks voorwerp van het voorliggende beroep betreft een betwisting over een subjectief recht waarvoor de Raad van State op grond van de artikelen 144, eerste lid en 145, van de Grondwet zonder rechtsmacht is. Op grond van die bepalingen zijn de hoven en rechtbanken – altijd, wat de geschillen over burgerlijke rechten betreft, en in principe, wat de geschillen over politieke rechten betreft – bevoegd om daarvan kennis te nemen. Of de verwerende partij van oordeel mocht zijn dat de verzoekende partijen de steun niet mocht worden toegekend, de juiste feitelijke vaststellingen heeft gedaan en het toepasselijke reglementaire voorschrift correct heeft geïnterpreteerd en toegepast, staat ter beoordeling van de bevoegde justitiële rechter.
- In het licht van het voorgaande dient te worden besloten dat de Raad van State geen rechtsmacht heeft om het vernietigingsberoep te behandelen. De exceptie is gegrond. V. De kosten A. Betreffende kosten van het geding Uiteenzetting van het standpunt van de verwerende partij
- De verwerende partij stelt in haar laatste memorie dat de verzoekende partijen de kosten moeten dragen. Volgens haar is het gegeven dat een administratieve beslissing stelt dat de Raad van State bevoegd is, niet voldoende om haar in de kosten te verwijzen als blijkt dat de Raad van State geen rechtsmacht heeft. XIV-39.343-7/10 Beoordeling
- In de kennisgeving van de bestreden beslissing stelt de verwerende partij expliciet het volgende: “Overeenkomstig artikel 14 en artikel 19 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan er tegen deze beslissing beroep worden ingesteld bij de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Dit beroep moet op straffe van onontvankelijkheid ingediend worden binnen zestig dagen na de betekening die u hierbij gedaan wordt. Het beroep wordt ingeleid door een gedagtekend verzoekschrift dat door u of door een advocaat ondertekend moet zijn. Het verzoekschrift moet bij aangetekende brief gestuurd worden aan de eerste voorzitter van de Raad van State, Wetenschapsstraat 33, 1040 Brussel.” Hieruit blijkt onmiskenbaar dat de verzoekende partijen op het verkeerde been zijn gezet door de verwerende partij, die bij de kennisgeving van de bestreden beslissing had laten weten dat er (alleen) een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State tegen openstond. Op de verwerende partij rust niettemin de juridische plicht om de jurisdictionele beroepsmogelijkheid aan te duiden, hetgeen impliceert dat de verstrekte informatie juist moet zijn. Aangezien dit te dezen niet het geval is en de verzoekende partijen hebben gedaan wat de verwerende partij aangaf, verantwoordt zulks dat de kosten van het geding te haren laste worden gelegd. B. Betreffende de rechtsplegingsvergoeding
- Er is te dezen grond om overeenkomstig artikel 30/1, § 1, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, de verzoekende partijen een rechtsplegingsvergoeding toe te kennen nu deze als de in het gelijk gestelde partijen dienen te worden beschouwd.
- De verzoekende partijen vorderen evenwel zonder enige motivering, een verhoogde rechtsplegingsvergoeding van 3.000 euro. Dit verzoek wordt niet ingewilligd, om de navolgende redenen. XIV-39.343-8/10 Luidens artikel 30/1 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de afdeling Bestuursrechtspraak een rechtsplegingsvergoeding toekennen, die een forfaitaire tegemoetkoming is in de kosten en honoraria van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij. Bij een met bijzondere redenen omklede beslissing kan de afdeling Bestuursrechtspraak de vergoeding desgevallend verhogen, zonder daarbij het door de Koning bepaalde maximale bedrag te overschrijden. In haar beoordeling houdt zij rekening met: 1° de financiële draagkracht van de in het ongelijk gestelde partij, 2° de complexiteit van de zaak, 3° de kennelijk onredelijke aard van de situatie. Deze bepaling somt de criteria op waarmee de Raad van State rekening houdt om al dan niet af te wijken van het toe te kennen basisbedrag. Deze opsomming is limitatief zodat de Raad van State niet op andere gronden mag afwijken van het basisbedrag. De verzoekende partijen brengen geen enkel element bij waaruit een reden zou moeten blijken waarom het basisbedrag moet worden verhoogd, en dit overigens los van het feit dat het gevorderde bedrag overigens meer bedraagt dan dat wat de Raad van State zou mogen toekennen.
- Aan de verzoekende partijen wordt het basisbedrag van 770 euro toegekend. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, een bijdrage van 22 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partijen. XIV-39.343-9/10
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de tweede verzoeker niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zevenentwintig januari tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Kaat Leus, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV-39.343-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.130 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.814 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.