← België

Arrest 262132 - Varia (economische zaken) - 27/01/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 januari 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.132 Rolnummer: A. 236998/XIV-39520 Zaak: Arrest 262132 - Varia (economische zaken) - 27/01/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-01-28 Raadplegingen: 97 - laatst gezien 2026-06-17 03:03 Fiche Arrest nr 262.132 van 27 januari 2025 Economische zaken - Varia (economische zaken) Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 262.132 van 27 januari 2025 in de zaak A. 236.998/XIV-39.520 In zake : de BV REMMEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Joris Wouters en Geert Van Engelgem kantoor houdend te 2600 Antwerpen-Berchem Borsbeeksebrug 36 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Relance en Strategische Investeringen, belast met Wetenschapsbeleid bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Joost Bosquet kantoor houdend te 2650 Edegem (Antwerpen) Mechelsestenweg 326 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 8 augustus 2022, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis van 7 juni 2022 waarbij perceel 1 van de overheidsopdracht “Restitutie, reconstructie en integratie van ‘Salle Cousin’ in de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis” wordt gegund aan een derde. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. XIV-39.520-1/12 Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Eylenbosch heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 6 november
  3. Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. Zaakvoerder Martin Remmen, die persoonlijk verschijnt, advocaat Geert Van Engelgem, die verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Julie Philtjens, die loco advocaat Joost Bosquet verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Eylenbosch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. De verwerende partij schrijft een overheidsopdracht voor werken uit met als voorwerp de restitutie, reconstructie en integratie van ‘Salon Cousin’ in de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis. De opdracht wordt gegund door middel van een openbare procedure. XIV-39.520-2/12 De opdracht is opgesplitst in zeven percelen. Enkel perceel 1 is te dezen aan de orde. 3.
  6. Het bestek bepaalt voor perceel 1 inzonderheid de volgende selectievereiste: • “[….] De inschrijver beschikt over minstens 3 referenties van restauratiewerken in gebouwen uit de art-nouveau en/of art-deco periode en waarbij minstens twee van de 3 referenties betrekking hebben op een gebouw ontworpen door arch. Victor Horta. De inschrijver moet bewijzen dat hij over de nodige expertise beschikt inzake de originele, verfijnde metaalbewerkings- en/of assemblagetechnieken uit de art-nouveau en/of art-deco periode en de reconstructie- en restauratietechnieken hiervan en beschikt over de nodige kennis van het originele materiaal. Deze expertise en kennis moeten blijken uit de 3 gekozen referenties. De werken moeten uitgevoerd zijn door de inschrijver zelf. […]” 3.
  7. De verzoekende partij en een derde dienen een offerte in voor perceel
  8. 3.
  9. Op 7 juni 2022 beslist de ordonnateur van de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis om de verzoekende partij niet te selecteren en perceel 1 te gunnen aan een derde. Dit is de bestreden beslissing. Zij is wat de offerte van de verzoekende partij betreft, als volgt gemotiveerd: “De offerte van [verzoekende partij] is niet regelmatig, de vereiste referenties ontbreken (referenties die betrekking hebben op een gebouw ontworpen door architect Victor Horta)”. IV. Onderzoek van het enig middel Standpunt van de partijen
  10. De verzoekende partij voert in het verzoekschrift in een enig middel de schending aan van onder meer artikel 71 van de wet van 17 juni 2016 XIV-39.520-3/12 ‘inzake overheidsopdrachten’ (hierna: de wet van 17 juni 2016) en van de materiëlemotiveringsplicht. Zij acht deze geschonden, “doordat de verwerende partij perceel 1 van de opdracht heeft gegund aan [een derde]; Dat uit de bestreden beslissing blijkt dat de offerte van verzoekende partij als ‘onregelmatig’ is verklaard nu deze niet zou voldoen aan de vooropgestelde selectiecriteria (verzoekende partij werd derhalve niet geselecteerd); Dat verwerende partij daarbij motiveert dat verzoekende partij niet beschikt over de door het bestek vereiste 3 referenties waarvan er 2 betrekking moesten hebben op een gebouw ontworpen door architect Victor Horta; Dat verzoekende partij reeds na publicatie van de opdracht en voor het indienen van de offerte er met schrijven van 26 januari 2022 op gewezen heeft dat de vooropgestelde selectie-eis met betrekking tot een gebouw ontworpen door architect Victor Horta, te streng en te specifiek was waardoor de mededinging onnodig werd beperkt; Dat verwerende partij niet heeft geantwoord op dit schrijven; Dat er klaarblijkelijk slechts één onderneming in staat was om de door verwerende partij gevraagde referenties voor te leggen; Terwijl de gevraagde referenties in het kader van de kwalitatieve selectie verband moeten houden met en in verhouding moeten staan tot het voorwerp van de opdracht; Dat de mededinging niet onnodig beperkt mag worden door te strenge of te specifieke selectiecriteria voor op te stellen; Dat uit niets blijkt dat de door verwerende partij vooropgestelde zeer precieze selectie-eis met betrekking tot gebouwen ontworpen door Victor Horta gerechtvaardigd is en proportioneel in het kader van het voorwerp van de opdracht, perceel 1; Dat het voorschrijven door verwerende partij van zulke selectie-eis derhalve onwettige is; Dat dit eveneens blijkt uit de vaststelling dat verwerende partij niet heeft geantwoord op het schrijven van 26 januari 2022 vanwege verzoekende partij; Dat alleszins uit de door verzoekende partij voorgebrachte referenties blijkt dat zij beschikt over de vereiste expertise om het voorwerp van de opdracht, perceel 1, uit te voeren en dat er geen reden was om de referenties te beperken tot gebouwen ontworpen door Victor Horta; Dat de betrokken selectie-eis derhalve onwettig is waardoor ook de bestreden beslissing onwettig is.” De verzoekende partij licht het middel toe, hetgeen het auditoraat als volgt samenvat in het verslag over de zaak: “Verzoekende partij licht toe dat verwerende partij selectiecriteria hanteert die niet in verhouding staan met het doel en het voorwerp van de opdracht. Door specifiek gebouwen te vragen van Victor Horta, beperkt verwerende partij onnodig en onrechtmatig de mededinging. Deze gebouwen zijn zeer beperkt in aantal en betreffen metaaltechnieken die eigen zijn aan de art-nouveau/art-deco periode (en dus niet beperkt tot gebouwen van Victor Horta). Hierdoor wordt het voor nagenoeg elke restaurateur onmogelijk gemaakt om in aanmerking te komen, niettegenstaande de betrokken restaurateur wél zijn kennis in de art-nouveau periode kan bewijzen. Verzoekende partij stelt in haar offerte wel degelijk referenties te hebben voorgelegd die allemaal voldoen aan de vereiste expertise en waarbij eveneens als extra motivering een studie is toegevoegd die zou bewijzen dat verzoekende partij de vereiste werken kan uitvoeren. XIV-39.520-4/12 In het geval waarin enkel referenties mogelijk zijn van één specifiek persoon (hier Victor Horta), mag volgens verzoekende partij van een aanbestedende overheid worden verwacht dat zij afdoende en deugdelijk motiveert waarom zij dergelijke specifieke referenties vraagt. Immers in casu blijkt dat verwerende partij reeds bijzondere referenties vereist. Restauraties aan gebouwen van Victor Horta brengen geen noodzakelijke meerwaarde aan de gevraagde drie referenties die afkomstig moeten zijn uit de art-nouveau en/of art-deco periode. Verzoekende partij geeft in haar verzoekschrift een uiteenzetting van de technische eisen met verwijzing naar haar referenties en andere gebouwen in de art-nouveau/art-deco periode, om aan te tonen dat de gebouwen van Victor Horta geen unieke metaaltechnieken bevatten. Verzoekende partij merkt op dat zij de aanbestedende overheid in dat verband voorafgaand heeft gevraagd de selectiecriteria aan te passen. Verzoekende partij besluit dat enkel de vaste restaurateur in staat is gebleken te voldoen aan de gevraagde referenties, waardoor deze op directe wijze is bevoordeeld.”
  11. De verwerende partij repliceert in de memorie van antwoord, dat als volgt wordt samengevat in het verslag van het auditoraat: “Verwerende partij antwoordt in de eerste plaats dat de keuze van de selectiecriteria niet onderworpen is aan de formele motiveringsplicht. Het volstaat dat de selectiecriteria redelijkerwijze verband houden met het voorwerp van de opdracht en het prestatieniveau een passend niveau hanteert in het licht van het voorwerp van de opdracht en het vrijwaren van een afdoende mededinging op de relevante markt. Daarbij kan de Raad zijn oordeel niet in de plaats stellen van deze van de aanbestedende dienst doch kan hij nagaan of deze keuze gelet op de kenmerken van de opdracht verantwoord is, en de doelstellingen van de mede[din]ging op objectieve en transparante grondslag niet verhindert. Het verzoeken van bepaalde waarborgen dat de specialisatie van de inschrijver zich uitstrekt tot de behandeling van originele materialen van de architect wiens werk men heropbouwt, is geen disproportionele voorwaarde. Het is niet aan verzoekende partij om te oordelen of de gevraagde referenties al dan niet een meerwaarde kunnen bieden aan de opdracht in kwestie. De aanbestedende dienst is het best geplaatst om de vereiste kennis en expertise in te schatten. Een afdoende mate van mededinging is volgens verwerende partij niet uitgesloten of gehypothekeerd. Bovendien kon verzoekende partij met toepassing van artikel 78 Wet Overheidsopdrachten juncto artikel 73 KB Plaatsing beroep doen op de draagkracht van een derde. Verwerende partij vervolgt dat het bestek duidelijk is geschreven. Er wordt op geen enkele manier een keuze gegeven aan de inschrijver om zijn technische beroepsbekwaamheid te staven aan de hand van loutere expertise inzake metaalconstructies, zonder dat deze gerelateerd waren aan de kunde van de bewerking en restauratie van authentieke Horta elementen. Daarenboven is verwerende partij bij haar selectiebeslissing en gunningsbeslissing op basis van het patere legem-beginsel gebonden door haar eigen bestek. Verwerende partij kon dan ook de vermeende gelijkaardige referenties niet goedkeuren. XIV-39.520-5/12 Of de technieken al dan niet overeenstemmen met de technieken gebruikt door Horta is niet relevant gezien de afweging van het prestatieniveau verbonden aan het selectiecriterium onder de discretionaire bevoegdheid van de aanbestedende dienst valt. Doorheen de diverse percelen hebben diverse inschrijvers zich aangediend, hoewel ook daar sprake was van referenties met betrekking tot werken van Horta. Hoewel België een beperkt aantal gebouwen ontworpen door Horta, telt, duidt dit geenszins op een uiterste zeldzaamheid. Tot slot betekent het loutere feit dat er maar een beperkt aantal inschrijvers voor een opdracht zijn niet de facto dat de mededinging werd beperkt.” In haar laatste memorie betoogt de verwerende partij dat de technieken die Victor Horta gebruikte, dateren van verschillende tijdsperiodes en verschillende stijlen betreffen van onder andere vóór 1890 (waarbij de verwerende partij de art-nouveau periode dateert van 1890 -1914). De voorliggende opdracht heeft betrekking op een kunstwerk, waarbij onomstotelijk kan worden vastgesteld dat de verwerende partij ervan uitgaat dat het werk van Victor Horta niet zonder meer vergelijkbaar is met een bouwwerk van de art-nouveau en/of art-deco. Voorts gaat zij verder in op de opdracht, die volgens haar zeer bijzondere kenmerken vertoont dewelke zij omstandig detailleert. Zij besluit dat “wegens de complexiteit en het belang van de opdracht” werd gekozen om te werken met gespecialiseerde aannemers waarbij er een opdeling bestaat van de overheidsopdracht in verschillende percelen en waarbij het doel daarbij is om de waarheidsgetrouwheid zo dicht mogelijk te benaderen. Voorts wijst de verwerende partij op de“universal outstanding value” die het oeuvre van Victor Horta in zijn geheel toebedeeld kreeg, om daaruit af te leiden dat de aard van de opdracht “wijst op bijzondere risico’s indien de technische en beroepsbekwaamheid van de opdrachtnemers gedurende de uitvoering van de opdracht onvoldoende blijkt te zijn”. Dit alles blijkt, luidens de verwerende partij, uit de opdrachtdocumenten waaronder het voorwerp, dat de noodzaak van een dergelijke graad van expertise aantoont. Beoordeling
  12. Overeenkomstig artikel 71, tweede lid, van de wet van 17 juni 2016 moet de aanbestedende overheid de door haar opgelegde voorwaarden voor deelname beperken tot die welke kunnen garanderen dat een kandidaat of XIV-39.520-6/12 inschrijver over, te dezen, de technische bekwaamheden en beroepsbekwaamheden beschikt om de te gunnen opdracht uit te voeren. Alle voorwaarden houden verband met en staan in verhouding tot het voorwerp van de opdracht. De aanbestedende overheid heeft bij het bepalen van de selectievoorwaarden, zoals te dezen, een discretionaire bevoegdheid. Zij beoordeelt aldus discretionair of enerzijds de opgelegde voorwaarde voor deelname garandeert dat een kandidaat of inschrijver over, te dezen, de technische bekwaamheden en beroepsbekwaamheden beschikt om de te gunnen opdracht uit te voeren en anderzijds de opgelegde voorwaarden verband houden met en in verhouding staan tot het voorwerp van de opdracht. Het komt aan de Raad van State binnen het raam van zijn wettigheidstoezicht niet toe om zelf een beoordeling te maken van de vraag of de opgelegde voorwaarden de uitvoering van de opdracht garanderen en of de opgelegde voorwaarden verband houden met en in verhouding staan tot het voorwerp van de opdracht. De Raad van State is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de aanbestedende overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is gekomen Deze eis moet bovendien worden samengelezen met het eveneens door de verzoekende partij geschonden geachte materiëlemotiveringsbeginsel. Luidens dat beginsel van behoorlijk bestuur moet iedere administratieve rechtshandeling steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen worden genomen. Hieruit volgt dat de verwerende partij moet aantonen dat afdoende blijkt dat de opgelegde voorwaarden - te dezen - in verhouding staan tot het voorwerp van de opdracht.
  13. In het enig middel voert de verzoekende partij onder meer aan dat “uit niets blijkt dat de door de verwerende partij vooropgestelde zeer precieze selectie-eis met betrekking tot gebouwen ontworpen door Victor Horta XIV-39.520-7/12 gerechtvaardigd is en proportioneel in het kader van het voorwerp van de opdracht, perceel 1” en dat het voorschrijven van zulke selectie-eis derhalve onwettig is. Uit de feitelijke gegevens (supra, punt 3.2.) blijkt dat het bestek inzake perceel 1 inzonderheid vereist dat de inschrijver beschikt over minstens drie referenties van restauratiewerken in gebouwen uit de art-nouveau en/of art-deco periode en waarbij minstens twee van de drie referenties betrekking hebben op een gebouw ontworpen door architect Victor Horta. De inschrijver moet bewijzen dat hij over de nodige expertise beschikt inzake de originele, verfijnde metaalbewerkings- en/of assemblagetechnieken uit de art-nouveau en/of art-deco periode en de reconstructie- en restauratietechnieken hiervan, alsook over de nodige kennis van het originele materiaal. Deze expertise en kennis moeten blijken uit de drie gekozen referenties. De werken moeten uitgevoerd zijn door de inschrijver zelf. De verzoekende partij betwist niet dat de door haar bij haar offerte gevoegde referenties niet beantwoorden aan de voormelde eis dat minstens twee van de drie referenties betrekking hebben op een gebouw ontworpen door architect Victor Horta. Zij voert evenwel wel aan dat de verwerende partij selectiecriteria hanteert die niet in verhouding staan met het doel en het voorwerp van de opdracht. Deze grief wordt getoetst aan de voormelde door de verzoekende partij geschonden geachte bepalingen en beginselen.
  14. Het bestek omschrijft het voorwerp van de opdracht als de “restitutie, reconstructie en integratie van ‘Salon Cousin’ in de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis”. De nota bij het bestek wijst op “de bijzondere aard van het terrein en de bijzondere aard van het project: de identieke renovatie van een geklasseerd object en de verbouwing in een atelier en vervolgens in een Museum en het behoud van het grootste deel van de bestaande structuur en de secundaire elementen.” XIV-39.520-8/12 Het bestek definieert de doelstelling van de restauratie voorts als volgt: “Doelstelling van de restauratie: Alle werken gebeuren in functie van de hieronder gedefinieerde doelstelling: - De restauratie van de bestaande elementen naar hun originele toestand; - De reconstructie (namaken ‘à l’identique’) van verdwenen onderdelen; - Het terug samenvoegen van alle elementen tot de oorspronkelijke samengestelde gehelen; - De constructie en afwerking van een nieuwe dragende structuur die de oorspronkelijke muren in metselwerk vervangt.”
  15. In de mate dat de verwerende partij in de memorie van antwoord betoogt dat zij “de keuze voor bepaalde selectiecriteria en het daarbij horende prestatieniveau niet [dient] te verantwoorden”, faalt zij in rechte. Ook een bestekbepaling moet steunen op deugdelijke en bewezen motieven die in redelijkheid aanvaardbaar zijn en waarop de Raad van State binnen zijn wettigheidstoets op toekijkt. De verplichting in hoofde van de aanbestedende overheid om selectiecriteria en het daartoe vereiste niveau die verband houden met en in verhouding staan tot het voorwerp van de opdracht te preciseren, moet wat volgt waarborgen: - enerzijds moeten de keuzes die de aanbestedende overheid maakt bij het bepalen van de selectiecriteria verantwoord kunnen worden in het licht van de kenmerken van de betrokken opdracht en de verplichtingen waaraan bij de uitvoering ervan de begunstigde zal worden onderworpen. Deze criteria moeten de aanbestedende overheid toelaten zich ervan te vergewissen dat de gekozen inschrijver in staat zal zijn de opdracht uit te voeren; - anderzijds, wanneer het evenredig karakter van een voor een selectiecriterium vereist niveau wordt betwist in het kader van een beroepsprocedure, moet de Raad van State, die aldus is belast met het controleren van de wettigheid van het betwiste criterium in het licht van de aangevoerde bepalingen en beginselen, uitspraak doen over de elementen die door de aanbestedende overheid worden ingeroepen als zijnde bepalend voor het bekritiseerde vereiste niveau.
  16. Aan de orde in het voorliggende beroep, is enkel de vraag of de aanbestedende overheid door als niveau van de selectievoorwaarde te eisen dat de XIV-39.520-9/12 inschrijver beschikt over minstens twee van de drie referenties die betrekking hebben op een gebouw ontworpen door architect Victor Horta, een niveau van een selectiecriterium heeft vastgesteld dat in evenredige verhouding staat tot het voorwerp van de opdracht waarvan het doel hiervoor is gesteld. Dat bewijs levert de verwerende partij niet. De verzoekende partij voert vooreerst aan dat de inschrijver moet bewijzen dat hij over de nodige expertise beschikt inzake de “originele, verfijnde metaalbewerkings- en/of assemblagetechnieken uit de art-nouveau en/of art-deco periode en de reconstructie- en restauratietechnieken hiervan en beschikt over de nodige kennis van het originele materiaal”, waarbij volgens haar die beschreven expertise onder meer wordt gekenmerkt door de ontwerpen van Victor Horta, doch ook door die van anderen. Dat maakt dat de eis dat restauraties betrekking dienen te hebben op een gebouw ontworpen door architect Victor Horta geen noodzakelijke meerwaarde met zich meebrengt aan de gevraagde drie referenties (die afkomstig moeten zijn uit de art-nouveau en/of art-deco periode), terwijl die meerwaarde er noodzakelijk moet zijn voor de goede uitvoering van de opdracht en daarmee proportioneel in verhouding staan. De verwerende partij beperkt zich ter zake in haar repliek tot het eigen blote standpunt dat het “uiteraard voor zich [spreekt] dat het niet onredelijk is om referenties te vragen die betrekking hebben op de gerenommeerde architect van het project in kwestie, mede gelet op de grote erfgoedwaarden die zijn gebouwen en objecten toegekend krijgen”, maar hiermee toont zij nog niet aan waarom de gestelde erfgoedwaarden niet afdoende kunnen zijn gediend met de geëiste expertise inzake de originele, verfijnde metaalbewerkings- en/of assemblagetechnieken uit de art-nouveau en/of art-deco periode en de reconstructie- en restauratietechnieken hiervan en met de nodige kennis van het originele materiaal. Zulks klemt des te meer daar de verwerende partij niet aantoont dat de technieken gebruikt door Victor Horta dermate uniek zouden zijn binnen de metaalbewerkings- en/of assemblagetechnieken uit de art-nouveau en/of art-deco periode en de reconstructie- en restauratietechnieken hiervan, dat wel referenties die betrekking hebben op een gebouw ontworpen door XIV-39.520-10/12 Victor Horta moeten worden vereist. Dat doet de verwerende partij niet blijken en zulks blijkt ook niet uit de stukken van het dossier zelf. De door de verwerende partij ter zake voor het eerst in haar laatste memorie aangevoerde kritieken zijn nieuw waarbij niet blijkt noch wordt aangevoerd dat zij niet vroeger konden worden aangevoerd, noch dat zij kunnen worden ingepast in het doel van de laatste memorie, met name de Raad van State in te lichten hoe de verwerende partij tegen de bevindingen van het auditoraatsverslag aankijkt. De laatste memorie is immers geen middel om nieuwe of andere argumenten voor het eerst aan te voeren waarvan de verwerende partij kennis had of moest hebben. De nieuwe argumenten ter adstructie van het verweer, zijn derhalve laattijdig en er wordt geen rekening mee gehouden. Bovendien valt niet te ontkennen dat in de feitelijke constellatie van het niet-betwiste gegeven dat slechts een beperkt aantal gebouwen in het Koninkrijk in aanmerking komen als mogelijke referentie, het vereiste bewijs van niveau van specialisatie, de kring van potentiële inschrijvers zeer sterk inperkt. Anders dan de verwerende partij voorhoudt, toont zij niet aan dat het betrokken voorschrift de inschrijver toelaat zich te beroepen op de draagkracht van derde entiteiten. De verwerende partij kan evenmin sluitende gevolgen trekken uit het aantal inschrijvingen voor de andere percelen. Het gaat om andere specialisaties en het in geding zijnde selectiecriterium is over de verschillende percelen heen bovendien op gedifferentieerde wijze geformuleerd. De verwerende partij spreekt tot slot niet tegen dat de enige inschrijver die aan de selectievoorwaarden voldoet, de vaste restaurateur is van de gebouwen van Victor Horta.
  17. Uit wat voorafgaat, volgt dat de verwerende partij geen deugdelijke motieven aanbrengt die aantonen dat het in het bestek vereiste niveau van expertise en kennis beantwoordt aan het vereiste van artikel 71 van de wet van 17 juni 2016 en derhalve afdoende doet blijken dat de opgelegde en betwiste voorwaarde in verhouding staat tot het voorwerp van de opdracht.
  18. Het enig middel is in de aangegeven mate gegrond. XIV-39.520-11/12 BESLISSING
  19. De Raad van State vernietigt de beslissing van de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis van 7 juni 2022 waarbij perceel 1 van de overheidsopdracht “Restitutie, reconstructie en integratie van ‘Salle Cousin’ in de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis” wordt gegund aan een derde.
  20. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 22 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zevenentwintig januari tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Kaat Leus, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV-39.520-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.132 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.