← België

Arrest 262150 - Wegenwezen - 28/01/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 januari 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.150 Rolnummer: A. 237624/X-18262 Zaak: Arrest 262150 - Wegenwezen - 28/01/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-01-31 Raadplegingen: 98 - laatst gezien 2026-06-17 03:03 Fiche Arrest nr 262.150 van 28 januari 2025 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Wegenwezen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 262.150 van 28 januari 2025 in de zaak A. 237.624/X-18.262 In zake :

  1. A.V.
  2. K.B. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jadzia Talboom en Stijn Verbist kantoor houdend te 2560 Kessel Torenvenstraat 16 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen :
  3. de GEMEENTE KONTICH bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Sven Vernaillen en Katrien Dams kantoor houdend te 2600 Antwerpen - Berchem Borsbeeksebrug 36 bij wie woonplaats wordt gekozen
  4. het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jonas De Wit kantoor houdend te 2800 Mechelen Antwerpsesteenweg 16-18 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  5. Het beroep, ingesteld op 31 oktober 2022, strekt tot de nietigverklaring van:
  6. het besluit van de gemeenteraad van Kontich van 21 februari 2022 betreffende “de wegeniswerken Witte-Stedeweg, Boskapelweg, Duffelshoek, Montfortstraat OMV_2021172353”.
  7. het besluit van de Vlaamse minister van Mobiliteit en Openbare Werken van 24 augustus 2022 waarmee het bestuurlijk beroep van de verzoekende partijen tegen het voormelde besluit van de gemeenteraad van de gemeente Kontich van 21 februari 2022 ongegrond wordt verklaard. X-18.262-1/21 II. Verloop van de rechtspleging
  8. De verwerende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Adjunct-auditeur Evelien De Taeye heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partijen hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 13 december
  9. Staatsraad David D’Hooghe heeft verslag uitgebracht. Advocaat Jadzia Talboom, die verschijnt voor de verzoekende partijen, advocaat Enya Hicquet, die loco advocaten Sven Vernaillen en Katrien Dams verschijnt voor de eerste verwerende partij en advocaat Dylan Vercammen, die loco advocaat advocaat Jonas De Wit verschijnt voor de tweede verwerende partij, zijn gehoord. Adjunct-auditeur Evelien De Taeye heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  10. X-18.262-2/21 III. Feiten 3.
  11. Op 17 november 2021 dient de Provinciale Intercommunale Drinkwatermaatschappij der Provincie Antwerpen (Pidpa) een omgevings-vergunningsaanvraag in om te Kontich wegenis- en rioleringswerkzaamheden uit te voeren. 3.
  12. Naar aanleiding van het openbaar onderzoek van 13 december 2021 tot 12 januari 2022 dienen, onder anderen, verzoekers een bezwaarschrift in. 3.
  13. In het kader van de omgevingsvergunningsaanvraag neemt de gemeenteraad van de gemeente Kontich op 21 februari 2022 het volgende besluit omtrent de zaak van de wegen (hierna: het bestreden gemeenteraadsbesluit): “Artikel
  14. De gemeenteraad neemt kennis van de omgevingsaanvraag tot het bekomen van een omgevingsvergunning voor weg- en rioleringswerken in de Witte-Stedeweg, Boskapelweg, Duffelshoek en Montfortstraat en het bijhorende rooilijnplan. Art.
  15. De gemeenteraad neemt kennis van de resultaten van het openbaar onderzoek waarbij bezwaarschriften werden [ingediend] m.b.t. de aangevraagde werken. Art. 3 De gemeenteraad neemt kennis van de ingediende adviezen en legt de volgende voorwaarde op:  De voorwaarden in het advies van het Centrum voor Toegankelijkheid dient te worden nageleefd. Art. 4 De gemeenteraad gaat akkoord met de aangevraagde handelingen m.b.t. het wegentracé en de straataanleg. Art. 5 De gemeenteraad keurt het ingediende rooilijnplan T112013-rooilijnplan 1 en T112013- rooilijnplan 2 opgemaakt door landmeter Pellegrims dd. 12/08/2021, goed. Dit rooilijnplan maakt integraal deel uit van de ingediende aanvraag OMV_
  16. Feiten en Context De aanvraag betreft weg- en rioleringswerken in de Witte- Stedeweg, Boskapelweg, Montfortstraat en Duffelshoek. Het project omvat de aanleg van een gescheiden riolering in de Duffelshoek (deels), Witte-Stedeweg, Montfortstraat (deels), Boskapelweg en Langbosweg (deels). Alle woningen langsheen het traject worden hierbij X-18.262-3/21 gescheiden aangesloten. Langs de Boskapelweg wordt een open regenwaterbuffer aangelegd. De reeds bestaande grachten langs het traject blijven behouden en geruimd. Langs de Witte-Stedeweg wordt bovendien een nieuwe langsgracht voorzien. Het oppervlaktewater wordt d.m.v. stuwen in de grachten maximaal gebufferd met het oog op infiltratie. Afwaarts de Boskapelweg is een RWA lozing voorzien op de Babbelsebeek. Het oppervlaktewater wordt echter eerst afgeleid naar een bestaande wintergracht alvorens het met debietbeperking af te voeren naar de Babbelsebeek. Het vuilwater wordt afgeleid naar de Boskapelweg waar het verpompt wordt naar de bestaande DWA-leiding van de Langbosweg. Gelijktijdig met de rioleringswerken, wordt tevens de wegenis langsheen het traject heraangelegd. De asfaltverharding wordt vervangen door waterpasserende betonstraatstenen. De parkeerbalans langs het traject bedraagt nul. Het project voorziet hierbij in onderstaande stedenbouwkundige handelingen: […] Inspraak en advies A. Openbaar onderzoek De aanvraag werd onderworpen aan een openbaar onderzoek. […] Een openbaar onderzoek werd georganiseerd van 13 december 2021 tot en met 12 januari
  17. Tijdens deze periode werden verschillende bezwaren ingediend die betrekking hebben op de wegenis, zijn aanhorigheden en het rooilijnplan. Deze zijn te lezen in een afzonderlijk document: Bijlage OMV_2021172353_weerlegging bezwaarschriften. B. Adviezen Binnen de vergunningsprocedure werden adviezen gevraagd aan de volgende instanties: […] Argumentatie Overeenkomstig artikel 10 van het decreet houdende de gemeentewegen dient bij elke beslissing over o.a. de aanleg van gemeentewegen rekening gehouden te worden met de doelstellingen en principes vermeld in artikel 3 en 4 van datzelfde decreet. […] De aangevraagde werken hebben als doel om enerzijds de bestaande rooilijnplannen te herbevestigen en anderzijds, daar waar rooilijnplannen ontbreken, vast te leggen. Enkel in een deel van Duffelshoek wordt de bestaande buurtweg nr. 19 gewijzigd. Met deze stappen wordt de grens tussen het openbaar domein en de privé eigendommen juridisch vastgelegd. Het ontwerp van de wegenis heeft als doel om waar mogelijk te ontharden voor een beter hemelwaterinfiltratie en het bestaande rioleringsnet te herdimensioneren naar de plaatselijke noden. Deze werken worden uitgevoerd met aandacht voor optimalisatie van het gemeentelijke wegennet voor zowel gemotoriseerd verkeer als voor zwakke weggebruikers.” Dit is het eerste bestreden besluit. X-18.262-4/21 In het besluit wordt ook verwezen naar een aantal bijlagen waaronder het “Dossier OMV_2021172353 - Weerlegging bezwaarschriften.pdf”. 3.
  18. Op 21 februari 2022 verleent het college van burgemeester en schepenen van Kontich de omgevingsvergunning. 3.
  19. Op 30 maart 2022 dienen de verzoekende partijen een georganiseerd bestuurlijk beroep in, en dit zowel tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van 21 februari 2022 om de omgevingsvergunning te verlenen als tegen het gemeenteraadsbesluit van 21 februari 2022 betreffende de zaak van de wegen. 3.6.
  20. Bij ministerieel besluit van 24 augustus 2022 (hierna: het bestreden ministerieel besluit) wordt het beroep van de verzoekende partijen tegen het gemeenteraadsbesluit ongegrond verklaard. Dit is het tweede bestreden besluit. Het door verzoekers ingediende bestuurlijk beroep wordt onder meer op grond van de volgende overwegingen verworpen: 3.6.
  21. - wat de beoordeling door de gemeenteraad en het onderzoek van de bezwaren betreft: “Overwegende dat de beroepsindieners in een eerste beroepskritiek van oordeel zijn dat de bestreden beslissing dient te worden vernietigd aangezien er een schending voorligt van artikel 31 Omgevingsvergunningsdecreet, artikel 8 van het Decreet Gemeentewegen alsook het materiële motiveringsbeginsel en zorgvuldigheidsbeginsel als beginselen van behoorlijk bestuur. In een eerste onderdeel argumenteren beroepsindieners dat de gemeenteraad van Kontich de ligging, breedte en uitrusting van de gemeenteweg niet heeft onderzocht en beoordeeld, waardoor een goedkeuring, zoals bedoeld in artikel 8 Gemeentewegendecreet, ontbreekt. Artikel 8 Gemeentewegendecreet bevat de exclusieve bevoegdheid van de gemeenteraad betreffende gemeentewegen: X-18.262-5/21 ‘Niemand kan een gemeenteweg aanleggen, wijzigen, verplaatsen of opheffen zonder voorafgaande goedkeuring van de gemeenteraad.’ Overeenkomstig artikel 31, §1 tweede lid Omgevingsvergunningsdecreet dient de gemeenteraad, in het kader van een geïntegreerde procedure, zich uit te spreken over de ligging, breedte en uitrusting van de gemeenteweg en over de eventuele opname in het openbaar domein. Uit de bestreden beslissing blijkt dat het onderwerp van deze beslissing een omgevingsvergunningsaanvraag (met referte OMW_2021172353) betreft, met als voorwerp om riolerings- en wegeniswerken (uitrusting van de weg) uit te voeren, zoals ook opgenomen is onder het gedeelte ‘Feiten en Context’ van de bestreden beslissing. Bij het boordelen door de gemeenteraad over de zaak der wegen spreekt de gemeenteraad zich uit over het wegtracé, alsook de weguitrusting. Onder weguitrusting wordt onder andere verstaan de wegverharding, aanleg van stoepen en wegborden, aanplanting, inrichting van parkeerplaatsen, de nutsleidingen en het rioleringsstelsel […]. Uit artikel 4 van de bestreden beslissing volgt dat de gemeenteraad zijn goedkeuring hecht aan de aangevraagde handelingen m.b.t. het wegentracé en de straataanleg. Dit artikel luidt: ‘De gemeenteraad gaat akkoord met de aangevraagde handelingen m.b.t. het wegenistracé en de straataanleg.’ Uit de motivering, blijkt dat de gemeenteraad zich uitgesproken heeft over de zaak der wegen: ‘Het ontwerp van de wegenis heeft als doel om waar mogelijk te ontharden voor een beter hemelwaterinfiltratie en het bestaande rioleringsnet te herdimensioneren naar de plaatselijke noden. Deze werken worden uitgevoerd met aandacht voor optimalisatie van het gemeentelijke wegennet voor zowel gemotoriseerd verkeer als voor zwakke weggebruikers.’ Aldus ligt er een goedkeuring voor, in de zin van artikel 8 Gemeentewegendecreet en artikel 31, §1 Omgevingsvergunningsdecreet doordat de gemeenteraad zich uitgesproken heeft over het wegtracé en de uitrusting van de weg en de wegenis […]. In een tweede onderdeel uiten beroepsindieners de kritiek dat een concrete beoordeling ontbreekt door de gemeenteraad, aangezien de motivering louter beperkt blijft tot een weergave van de doelstellingen van de wegeniswerken en zich anderzijds beperkt tot loutere stijlformules. De voorliggende bestreden beslissing betreft een positieve beslissing, genomen in het kader van de zaak der wegen. Uit rechtspraak van de Raad van State volgt dat een dergelijke beslissing een verordenende kracht heeft, waardoor enkel het materiële motiveringsbeginsel van toepassing is (RvS (10e k.) nr. 239.792, 7 november 2017; RvS 4 oktober 2016, nr. 235.964). De materiële motiveringsplicht houdt in dat elke bestuurshandeling moet worden gedragen door motieven die in rechte en in feite aanvaardbaar zijn, en die daartoe moeten kunnen worden gecontroleerd. Er is sprake van een afdoend karakter wanneer, enerzijds, de motivering in feite en in rechte evenredig is met de aard, het voorwerp en het belang van de genomen beslissing en, anderzijds, de aangehaalde redenen volstaan om de beslissing te dragen (RvS 21 april 2021, nr. 250368). X-18.262-6/21 Beroepsindieners voeren ook een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel aan als beginsel van behoorlijk bestuur. Het zorgvuldigheidsbeginsel impliceert dat de gemeenteraad haar beslissing op een zorgvuldige wijze moet voorbereiden en ervoor moet zorgen dat de feitelijke en juridische aspecten van het dossier deugdelijk onderzocht worden, zodat ze met kennis van zaken kan beslissen. De motivering opgenomen in de beslissing zelf is beperkt. De motivering beperkt zich tot de weergave van de doelstellingen die bereikt worden met de wegeniswerken, maar geenszins kunnen deze motieven de beslissing dragen. Daarnaast bevat de motivering ook enkele stijlformules, zoals ‘een ontharding voor een betere hemelwaterinfiltratie’ en ‘herdimensionering naar plaatselijke noden’ als ‘met aandacht voor optimalisatie van het gemeentelijk wegennet’. Echter werd een zeer uitgebreide weerlegging van de bezwaarschriften opgesteld, hetgeen als bijlage bij het gemeenteraadsbesluit werd gevoegd. Dit kan ook blijken uit het gemeenteraadsbesluit zelf, waarin hiernaar verwezen wordt. De reactie van de gemeenteraad op de bezwaren, ingediend tijdens het openbaar onderzoek, behoort ook tot het administratief dossier en maakt derhalve ook deel uit van de materiële motivering aangezien de gemeenteraad hiernaar verwijst en deze ook opgenomen is als bijlage (RvS (12e k.) nr. 225.437, 12 november 2013; RvS (6e k.) nr. 223.411, 7 mei 2013). Gelet op de materiële motiveringsverplichting is het voldoende dat de beroepsindieners uit de stukken van het administratief kunnen afleiden dat hun bezwaren behandeld werden en om welke redenen het tracé en de uitrusting van de wegen werden goedgekeurd. In de bestreden beslissing wordt verwezen naar het volgende document dat opgenomen werd als bijlage bij de beslissing: Dossier OMV_2021172353 - Weerlegging bezwaarschriften.pdf. Door uitdrukkelijk te verwijzen naar dit stuk, en dit stuk aanvullend op te nemen bij de bestreden beslissing, voldoet de gemeenteraadsbeslissing op dit punt aan het materiële motiveringsbeginsel. Hieruit blijkt dat de gemeenteraad meer uitgebreid is ingegaan op onder andere de keuze van de wegverharding en dus de uitrusting. Zo stelt de gemeenteraad van Kontich: ‘Asfalt is te vermijden omwille van infiltratieproblematiek. Gezien de lage snelheid, is geluidsoverlast te verwaarlozen. Tractoren passeren zeer occasioneel (geen noemenswaardige oppervlakte landbouw) en de klinkers zijn geschikt om dit op te vangen zonder schade. In Molenstraat werden geslepen natuursteenkasseien, die op ongeschikte fundering geplaatst werden, vervangen’. Daarbovenop spreekt zij zich ook uitvoerig uit over de ligging en breedte van de rooilijn. Zo stelt zij dat de verbreding van de rooilijn ter hoogte van de Boskapelweg niet wenselijk is, gelet op de hogere snelheid door gemotoriseerd verkeerd. Bijkomstig gaat de gemeenteraad van Kontich ook uitgebreid in op de waterhuishouding en de noodzaak van de aanleg van bijkomende grachten, de uitbreiding van bestaande grachten, de aanleg van nieuwe X-18.262-7/21 rioleringsleidingen. Niet-limitatief gaat zij hierop uitvoerig in bij de behandeling van bezwaarpunten 17, 31, 39, 54 en 63-
  22. Zodoende dient voor de eerste beroepskritiek besloten te worden dat er weldegelijk een goedkeurende beslissing van de gemeenteraad voorligt, welke zorgvuldig tot stand is gekomen. Ook worden afdoende motieven teruggevonden omtrent de ligging, breedte en uitrusting van de wegen in het administratieve dossier, zodat de materiële motiveringsplicht niet geschonden werd.” En “Overwegende dat de beroepsindieners in een derde beroepskritiek stellen dat de gemeenteraad de doelstellingen en principes van artikel 3 en 4 van het Decreet Gemeentewegen geschonden heeft, alsook de materiële motiveringverplichting en het zorgvuldigheidsbeginsel als beginselen van behoorlijk bestuur. In het bijzonder meent beroepsindiener dat de doelstellingen uit artikel 4, 1e en 5e Decreet Gemeentewegen niet werden nageleefd doordat de gemeenteraad van Kontich zich niet uitgesproken heeft over de impact van de aan te leggen wegen op de waterhuishouding en de afwatering via de riolering te betrekken bij hun beoordeling. […] Uit de bestreden beslissing is op te merken dat de gemeenteraad rekening gehouden heeft met deze principes door te motiveren dat: ‘werken worden uitgevoerd met aandacht voor de optimalisatie van het gemeentelijk wegennet voor zowel gemotoriseerd verkeer als voor zwakke weggebruikers’ en ‘de aangevraagde werken hebben als doel om enerzijds de bestaande rooilijnplannen te herbevestigen en anderzijds daar waar rooilijnplannen ontbreken, vast te leggen.’ Daarnaast is er echter, in tegenstelling tot wat beroepsindieners stellen, wel degelijk een uitgebreide motivering terug te vinden in het document waarin de bezwaren behandeld worden. Zo wordt in de behandeling van bezwaar 39 dieper ingegaan op de waterhuishouding en de functie die de nieuwe gracht zal uitoefenen. Zo wordt ‘er een verbinding voorzien op de RWA-leiding in de straat die op haar beurt afwatert naar de aanwezige RWA-leiding in de Langbosweg’. Daarnaast stelt de gemeenteraad ook dat ‘Er is veel meer buffercapaciteit dan nu het geval is. In de nieuwe grachten worden schotten geplaatst om het water ‘op te houden’ zodat het minder snel naar beneden loopt. Dit zal minder overlast (en vooral minder geurhinder) geven dan nu het geval is.’ Bijkomend behandel[t] de gemeenteraad de impact op de waterhuishouding verder door te stellen dat: ‘Er wordt geen regenwater opgepompt. Het pompstation is enkel voorzien voor het oppompen van vuil water. Dit vuil water wordt verpompt richting de aanwezige leiding langs de Langbosweg (afwatering naar het westen -> RWZI Hove). De oostelijke leiding langs de Lintsesteenweg (zijde spoorweg - RWA) wordt aangesloten op de afwateringsgracht langs de toegangsweg voetbal/scouts’ en ‘Het is niet mogelijk om water gravitair af te voeren naar een hoger gelegen gebied. Het terrein in de projectzone helt af van noord naar zuid. Oppervlaktewater wordt afgeleid naar het oosten (Babbelkroonbeek). Vuil X-18.262-8/21 water wordt afgeleid naar het westen (RWZI Hove). Tussen Duffelshoek en Boskapelweg 2 zit een hoogteverschil in maaiveldpeil van 1,70m. het is niet mogelijk om de woningen lager gelegen gravitair naar daar aan te sluiten.’ De beroepskritiek van beroepsindieners dat de gemeenteraad geen rekening gehouden zou hebben met de waterhuishouding en de afwatering via de riolering is dan ook ongegrond.” En “Overwegende dat de beroepsindieners in een vierde beroepskritiek stellen dat het bestreden gemeenteraadsbesluit de bezwaren van beroepsindieners niet behandelt zodanig dat er een schending is van een substantiële vormvereiste, namelijk een schending van artikel 31/1, §5 3e Omgevingsvergunningsdecreet en het zorgvuldigheidsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur. Overeenkomstig de bepalingen die de geïntegreerde procedure procedureel regelen, dient de gemeenteraad rekening te houden met de bezwaren die ingediend werden tijdens het openbaar onderzoek en die betrekking hebben op de zaak der wegen (Art. 47 Omgevingsvergunningsbesluit). Gelet op de materiële motiveringsverplichting is het voldoende dat de beroepsindieners uit de stukken van het administratief kunnen afleiden dat hun bezwaren behandeld werden. In de bestreden beslissing wordt verwezen naar het volgende document dat opgenomen werd als bijlage bij de beslissing: Dossier OMV_2021172353 - Weerlegging bezwaarschriften.pdf. Door uitdrukkelijk te verwijzen naar dit stuk, en dit stuk aanvullend op te nemen bij de bestreden beslissing, voldoet de gemeenteraadsbeslissing op dit punt aan het materiële motiveringsbeginsel maar ook aan het zorgvuldigheidsbeginsel. Uit deze bijlage blijkt duidelijk dat de ingediende bezwaren van beroepsindieners behandeld werden, waardoor de kritiek van beroepsindieners ongegrond is. […] Overwegende dat het besluit van de gemeenteraad van Kontich van 21 februari 2022 houdende goedkeuring van de wegeniswerken in de Witte-Stedeweg, Boskapelweg, Duffelshoek en Monfortstraat in het kader van een omgevingsaanvraag (OMW_2021172353) voor weg- en rioleringswerken in de Witte-Stedeweg, Boskapelweg, Duffelshoek en Montfortstraat, de artikelen 3, 4, 8, 11, 16, 17, 18, 19, 31 van het Gemeentewegendecreet alsook het materiële motiveringsbeginsel en zorgvuldigheidsbeginsel als beginselen van behoorlijk bestuur niet geschonden heeft.” 3.6.
  23. - wat de eigenlijke vaststelling van de rooilijn betreft: “Overwegende dat de beroepsindieners in een tweede beroepskritiek de schending van artikelen 11, 16, 17, 18 en 19 van het Decreet Gemeentewegen aanvoeren, alsook de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur. Aldus ligt er X-18.262-9/21 een schending voor van een substantiële vormvereiste volgens beroepsindieners. Beroepsindieners stellen meer in het bijzonder dat het aanvraagdossier, ten gevolge van artikel 11, §2 en 12, §2 Decreet Gemeentewegen een ontwerp van rooilijnplan dient te bevatten. Beroepsindieners menen dat het toegevoegde rooilijnplan bij onderliggende omgevingsaanvraag foutief opgesteld werd en de vereiste opmetingen niet bevat, waardoor dit rooilijnplan aangemerkt dient te worden als een vorm van onrechtmatige onteigening. De bestreden beslissing door de gemeenteraad werd genomen in het kader van de geïntegreerde procedure overeenkomstig artikel 12 §2 Gemeentewegendecreet en artikel 31 §1 Omgevingsvergunningsdecreet. Daartoe is inderdaad vereist dat er in het aanvraagdossier een rooilijnplan opgenomen wordt dat voldoet aan de vereisten qua vorm en inhoud zoals voorgeschreven door het Decreet Gemeentewegen. Vooreerst kan de vermeende kwalificatie van het rooilijnplan als een ‘onrechtmatige onteigening’ niet weerhouden worden. Dat een rooilijnplan gelegen is op aangelande eigendommen is eigen aan rooilijnen en maakt nog niet dat eigendomsrechten hierdoor worden overgedragen of verloren worden. De in het rooilijnplan begrepen percelen krijgen een openbare bestemming en worden belast met een erfdienstbaarheid van openbaar nut overeenkomstig artikel 2, 5e en artikel 26, §3 Decreet Gemeenteweg. Door de vestiging van deze erfdienstbaarheid wordt er geen eigendomsoverdracht verwezenlijkt, maar wordt er wel een bouwverbod ingesteld (Art. 4.3.8 VCRO). Dergelijk bouwverbod houdt een eigendomsbeperking in die overeenkomstig de vaststaande rechtspraak van de Raad van State toegestaan is, indien ze beantwoordt aan een rechtmatig evenwicht tussen het algemeen belang van de gemeenschap en de bescherming van de grondrechten van het individu (RvS 10 maart 2022, nr. 253.182). Door te stellen dat het rooilijnplan een onrechtmatige onteigening uitmaakt, miskennen beroepsindieners de draagwijdte van de eigendomsbeperking en kan deze kritiek dan ook niet weerhouden worden. In een tweede onderdeel stellen beroepsindieners dat het rooilijnplan geen afmetingen bevat en onterecht geen rekening houdt met de bouwvergunningen afgeleverd op respectievelijk 31 juli 2013 en 31 juli 2017, alsook geen of onvoldoende rekening houdt met het BPA Duffelshoek van 1990, doordat soms de feitelijke toestand gevolgd wordt en soms het BPA. Aldus besluiten beroepsindieners dat het gaat om een onterecht rooilijnplan en er aldus een schending van een substantiële vormvereiste voorligt. Bij het bepalen van de rooilijn beschikt de gemeente over een ruime beslissingsbevoegdheid, waarbij zij zich moet laten leiden door motieven van algemeen belang (RvS 5 mei 2015, nr. 231.127; RvS 30 januari 2015, nr. 230.041; RvS 5 februari 2014, nr. 226.335). Integendeel tot hetgeen beroepsindieners lijken aan te nemen, is de gemeenteraad daarbij niet gebonden door bestaande feitelijke of vastgestelde rooilijnen, noch door een stedenbouwkundig vergunde toestand. Eigen aan rooilijnen is immers net dat [ze], ook naar de toekomst X-18.262-10/21 toe, de grenzen vastleggen tussen de openbare weg en de aangelande eigendommen. Het bijzonder plan van aanleg (BPA) bevat de stedenbouwkundige bestemmingen en voorschriften die, binnen het BPA, nageleefd dienen te worden. Daarin vervat onder andere ook het tracé van het weggennet. Overeenkomstig artikel 7.4.4 VCRO behouden deze hun verordenende kracht tot zij worden vervangen. Wat de onderhavige situering betreft is dit BPA nog niet vervangen door een RUP, waardoor deze nog van kracht blijft. Wel dient erop gewezen te worden dat, zoals de gemeente terecht aanwijst, een deel van het BPA vervallen is, namelijk het gedeelte van het BPA dat gelegen is in woongebied zoals aangeduid door het gewestplan. Dit blijkt uit de weerlegging van bezwaar
  24. In dit BPA werden tevens ook de wegen bestemmingsmatig aangeduid. Door het gedeeltelijke verval van het BPA, strekte dit zich ook uit tot de wegen opgenomen in het vervallen gedeelte van het BPA. Alleszins diende de gemeenteraad, bij gebreke aan vastgestelde rooilijnplannen voor dit gedeelte, zich te baseren op de reeds bestaande feitelijke rooilijn. Voor zover het rooilijnplan reeds zou afwijken van het BPA, wordt niet aangetoond dat dit een onzorgvuldige of onredelijke keuze zou uitmaken, die de discretionaire bevoegdheid van de gemeenteraad bij het bepalen van nieuwe rooilijnen te buiten zou gaan. Dit te meer gelet op het vastgestelde gedeeltelijke verval hiervan, waarbij afgegaan werd op de bestaande feitelijke rooilijnen. De verleende stedenbouwkundige vergunningen daterende van 31 juli 2013 en 31 juli 2017 zijn definitief en vormen niet het voorwerp van onderhavig beroep. De omstandigheid dat de gemeente bepaalde vergunningen heeft verleend, volstaat niet om aan te tonen dat de gemeente aan eigenaars zou hebben toegezegd om geen rooilijnplannen op te maken naar de toekomst toe, en vormt geen bewijs van enige andere constante, wettige gedragslijn waaruit zij dit zouden hebben kunnen afleiden. Bovendien heeft het rooilijnplan niet voor gevolg dat datgene wat werd toegestaan op basis van de verkavelingsvergunning en de stedenbouwkundige vergunning, onbruikbaar wordt of niet meer kan worden gerealiseerd (RvS (10e k.) nr. 209.984, 21 december 2010). Vastgesteld dient zodoende dat de keuze voor de nieuwe rooilijnen weldegelijk verantwoord werd, zonder dat sprake is van een willekeur of bepaling ‘à la carte’. Zelfs indien de nieuwe rooilijn zou afwijken van een reeds vergunde toestand op aangelande percelen, maakt dit deze nog niet onterecht of foutief. Wat de inhoud van het rooilijnplan betreft, dienen er verplicht enkele inhoudelijke elementen aanwezig te zijn. (Artikel 16 §2 Decreet Gemeentewegen) Het gemeentelijk rooilijnplan bevat minstens de volgende elementen: 1° de actuele en toekomstige rooilijn van de gemeenteweg; 2° de kadastrale vermelding van de sectie, de nummers en de oppervlakte van de getroffen kadastrale percelen en onroerende goederen; X-18.262-11/21 3° de naam van de eigenaars van de getroffen kadastrale percelen en onroerende goederen volgens kadastrale gegevens of andere gegevens die voor het gemeentebestuur beschikbaar zijn. De rooilijnplannen die toegevoegd werden aan de aanvraag, en waarover de gemeenteraad van Kontich heeft geoordeeld, voldoen aan de inhoudelijke elementen waaraan een rooilijnplan moet voldoen. Niet vereist wordt dat afmetingen worden toegevoegd aan het rooilijnplan, waarbij door de rooilijnen getroffen eigenaars de getroffen oppervlakte exact uit de kadastrale tabel kunnen afleiden. Het exact intekenen van de nieuwe grachten behoort de ontwerpplannen bij de omgevingsvergunning toe, zonder dat dit vereist is op een rooilijnplan. De kritiek wordt dan ook als ongegrond beschouwd.” 3.
  25. Verzoekers zijn eigenaars van percelen die gelegen zijn aan de Witte-Stedeweg, één van de wegen waarop het door het eerste bestreden besluit goedgekeurde rooilijnplan betrekking heeft. Beide verzoekers verkregen een stedenbouwkundige vergunning voor de oprichting van een eengezinswoning, waarbij voorzien wordt in een dubbele garage met oprit. Eerste verzoeker verkreeg ook een stedenbouwkundige vergunning voor de oprichting van een bijgebouw met overdekt terras. 3.
  26. De percelen van de verzoekende partijen zijn opgenomen in het bij ministerieel besluit van 26 februari 1990 goedgekeurd bijzonder plan van aanleg (BPA) ‘Duffelshoek’. 3.
  27. Ter hoogte van de percelen van de verzoekende partijen wordt de rooilijn bepaald door de aanduiding op het grafisch plan van het BPA Duffelshoek. Verder, richting het kruispunt met de Duffelshoek, wordt de feitelijke rooilijn gehanteerd om de ligging van de toekomstige rooilijn te bepalen. Hierna volgt een afbeelding van het rooilijnplan, zoals het door het bestreden gemeenteraadsbesluit werd goedgekeurd (de percelen van de verzoekende partijen zijn rood omlijnd): X-18.262-12/21 X-18.262-13/21 IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Samenvatting van het middel 4.
  28. In een eerste middel voeren verzoekers de schending aan van artikelen 3, 4, 8 en 70 van het decreet van 3 mei 2019 ‘houdende de gemeentewegen’ (hierna het gemeentewegendecreet), artikel 31/1, § 5, 1° en 3°, van het decreet van 25 april 2014 ‘betreffende de omgevingsvergunning’ (hierna het omgevingsvergunningsdecreet), artikel 47 van het besluit van de Vlaamse regering van 27 november 2015 ‘tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning’ (hierna: het omgevingsvergunnings-besluit), en de schending van de materiëlemotiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. 4.
  29. Verzoekers houden in essentie voor dat de gemeenteraad zich zelf diende uit te spreken over de ligging, breedte en uitrusting van de gemeenteweg. Het volstaat niet om ter zake te verwijzen naar de bevindingen van een andere instantie – het Team Omgeving van de stedenbouwdienst van de gemeente Kontich – in het kader van een openbaar onderzoek over de omgevingsvergunningsaanvraag. Volgens verzoekers heeft de gemeenteraad zodoende niet gereageerd op de bezwaren die tijdens het openbaar onderzoek werden ingediend. 4.
  30. In de mate dat het bestreden ministerieel besluit verwijst naar de behandeling van de bezwaren in de bijlage, en ter zake verwijst naar de rechtspraak van de Raad van State inzake overheidsopdrachten, zijn verzoekers van oordeel dat dit niet terecht is, omdat de rechtspraak inzake het overheidsopdrachtenrecht niet zomaar mag worden doorgetrokken naar andere materies. X-18.262-14/21 4.
  31. Verzoekers houden ook voor dat aan het bestreden gemeenteraadsbesluit geen nauwgezette belangenafweging ten grondslag ligt. Er zijn geen alternatieven onderzocht en er wordt niet aangetoond waarom voor hun percelen wordt gekozen ter verwezenlijking van het algemeen belang. 4.
  32. Verzoekers betogen ook dat het bestreden gemeenteraadsbesluit geen beoordeling van de impact van de wegen op de waterhuishouding en de afwatering via de riolering bevat. Nochtans hadden verzoekers op dit punt een specifiek bezwaar geformuleerd. Beoordeling
  33. Verzoekers betwisten niet dat de bijlage houdende de behandeling en beoordeling van de bezwaren deel uitmaakt van het bestreden gemeenteraadsbesluit. Dat de gemeenteraad heeft beslist om zich aan te sluiten bij de beoordeling van de bezwaren door het team omgeving van de dienst stedenbouw toont niet aan dat de gemeenteraad over de zaak van de wegen geen eigen beoordeling heeft gemaakt. Het gegeven dat de betrokken bijlage ook bezwaren behandelt die geen betrekking hebben op de zaak van de wegen, doet geen afbreuk aan de pertinentie van de bijlage wat de behandeling van de bezwaren betreffende de wegenis betreft. Voorts blijkt dat het bezwaarschrift van verzoekers integraal wordt behandeld onder nrs. 37 tot 62 van dit document. Verzoekers betrekken de behandeling van deze bezwaren niet in hun betoog. Zij tonen zodoende niet aan dat daarop niet afdoende werd geantwoord.
  34. In het kader van het bestuurlijk beroep werd ingeroepen dat de gemeenteraad de ligging, de breedte, en de uitrusting van de gemeenteweg niet X-18.262-15/21 heeft onderzocht en beoordeeld, zich niet heeft uitgesproken over de impact van de aan te leggen wegenis op de waterhuishouding en de afwatering via de riolering, en de bezwaren niet heeft behandeld.
  35. Het bestreden ministerieel besluit heeft deze bezwaren uitvoerig behandeld en beantwoord (zie randnummer 3.6.2.). Door de grieven te hernemen, tonen verzoekers de onwettigheid van het bestreden ministerieel besluit niet aan. Meer bepaald tonen verzoekers niet aan dat het vermelde besluit de in het middel ingeroepen rechtsregels heeft miskend.
  36. In de in randnummer 5 vermelde omstandigheden kon de bevoegde minister terecht aannemen dat uit de bij het bestreden gemeenteraadsbesluit horende behandeling van de bezwaren blijkt dat er “afdoende motieven [worden] teruggevonden omtrent de ligging, breedte en uitrusting van de wegen in het administratieve dossier”.
  37. Verzoekers overtuigen er ten slotte niet van dat geen aandacht werd besteed aan hun bezwaren in verband met het ontbreken van een beoordeling van de impact van de wegen op de waterhuishouding. Het bestreden ministerieel besluit verwijst ter zake naar de behandeling van de behandeling van de bezwaren nrs. 17, 31, 54 en 63-65, en in het bijzonder naar de behandeling van bezwaar nr.
  38. De bevoegde minister besluit dat de kritiek “dat de gemeenteraad geen rekening gehouden zou hebben met de waterhuishouding en de afwatering via de riolering” ongegrond is.
  39. Het eerste middel wordt verworpen. X-18.262-16/21 B. Tweede middel Samenvatting van het middel 11.
  40. In het tweede middel voeren verzoekers de schending aan van de artikelen 11, 16, 17, 18 en 19 van het gemeentewegendecreet, artikel 16 van de Grondwet in samenhang met artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en het rechtszekerheids-, vertrouwens- en zorgvuldigheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. 11.
  41. Verzoekers achten deze regels geschonden omdat het nieuwe rooilijnplan niet strookt met de bestaande, vergunde toestand. Het rooilijnplan stemt ook niet overeen met de rooilijnen die zijn vermeld in de op 31 juli 2013 (aan eerste verzoeker) en op 31 juli 2017 (aan tweede verzoeker) verleende stedenbouwkundige vergunningen. Deze vergunningen zijn definitief waardoor hierop niet zomaar, zonder afdoende motivering, kan worden teruggekomen. Bovendien stemt het rooilijnplan niet steeds overeen met het BPA Duffelshoek. Het is volgens verzoekers niet duidelijk waarom de rooilijn op sommige plaatsen wel en elders niet de rooilijnen van het BPA volgt. 11.
  42. De vastgestelde rooilijn neemt bovendien een significant deel van de percelen van verzoekers in, hetgeen een onrechtmatige onteigening uitmaakt. 11.
  43. Bovendien bevat het rooilijnplan geen afmetingen. Dit druist in tegen artikel 16, § 2, 1°, van het gemeentewegendecreet dat stelt dat het gemeentelijk rooilijnplan minstens de actuele en toekomstige rooilijn van de gemeenteweg bevat. Zonder vermelding van enige afmetingen op het plan is het bovendien niet mogelijk om te weten waar de rooilijn precies zal komen. X-18.262-17/21 11.
  44. Nergens verantwoordt het gemeenteraadsbesluit ten slotte waarom de weg ter hoogte van de percelen van verzoekers zo breed moet zijn, met als gevolg dat de open grachten diep op de percelen van verzoekers worden ingeplant. Beoordeling
  45. De kritiek in verband met de beweerde miskenning van het BPA Duffelshoek en de verkregen stedenbouwkundige vergunningen, werd ook opgeworpen in het kader van het bestuurlijk beroep dat bij de bevoegde minister tegen het bestreden gemeenteraadsbesluit werd ingesteld. In het ministerieel besluit werden de betrokken grieven ten gronde behandeld en op een gemotiveerde wijze afgewezen (zie randnummer 3.6.3.). Het louter hernemen van de grieven die in het kader van het bestuurlijk beroep werden geformuleerd, tonen de onwettigheid van het bestreden ministerieel besluit niet aan.
  46. In de mate dat verzoekers voorhouden dat de in het middel ingeroepen regels ertoe verplichten om afmetingen op te nemen op het rooilijnplan, volgt dit alvast niet uit de bepalingen van het gemeentewegendecreet. Verzoekers overtuigen er evenmin van dat de wijze waarop de rooilijnen in het door de gemeenteraad goedgekeurde rooilijnplan werden vastgesteld, niet toelaten om de precieze ligging ervan te bepalen. Bovendien blijkt uit de behandeling van bezwaar nr. 41 dat de afmetingen vermeld staan op de plannen die werden gevoegd bij de omgevingsvergunningsaanvraag.
  47. Ten onrechte houden verzoekers nog voor dat het rooilijnplan een onrechtmatige onteigening zou inhouden. Het louter vaststellen van een rooilijnplan strekt er niet toe om het eigendomsrecht van de betrokken oppervlakte over te dragen. Het feit dat er in X-18.262-18/21 een later stadium tot onteigening kan worden overgegaan, doet daaraan geen afbreuk. De eigendomsbeperkingen die uit een rooilijnplan kunnen voortvloeien, zijn toegestaan indien ze beantwoorden aan een rechtmatig evenwicht tussen het algemeen belang van de gemeenschap en de bescherming van de grondrechten van het individu. Verzoekers tonen niet aan dat aan de betrokken voorwaarden niet is voldaan.
  48. De omstandigheid dat de gemeente Kontich bepaalde vergunningen heeft verleend, heeft voorts niet tot gevolg dat nadien geen rooilijnplan meer zou mogen worden opgemaakt, noch dat hetgeen werd toegestaan op basis van de eerder verleende vergunningen, niet langer kan worden gerealiseerd of gehandhaafd. In antwoord op bezwaar nr. 45 wordt op dit punt bovendien uitdrukkelijk gesteld: “Zowel de hogervermelde aanvraag van huisnr. 19 […] als de vergunning van huisnr. 15 […] voor het bouwen van een woning worden geacht in overeenstemming te zijn met het wettelijke kader van het geldende BPA Duffelshoek. Indien de aanvragen foutieve informatie omvatten waardoor de vergunningverlenende overheid misleid wordt en de woningen toch buiten de afgebakende bouwzone van het BPA zijn komen te liggen dient de verantwoordelijkheid gezocht te worden bij de persoenen verantwoordelijk voor de uitvoering van de aanvraag. Voor zover de vergunningverlenende overheid kan inschatten wordt de grasberm, die binnen de zone voor wegenis, volgens het BPA, alsook de achteruitbouwstrook van 6m gerespecteerd”. Verzoekers betrekken dit antwoord niet in de door hun geformuleerde wettigheidskritiek.
  49. De kritiek die verzoekers uitoefenen met betrekking tot de locatie van de nieuwe open gracht heeft voorts geen betrekking op het met het bestreden gemeenteraadbesluit vastgestelde rooilijnplan, maar op de omgevingsvergunning. X-18.262-19/21
  50. Het administratief dossier bevat ten slotte voldoende duidelijk de motieven waarom ter hoogte van de percelen van de verzoekende partijen de rooilijn zoals aangeduid op het BPA Duffelshoek wordt gevolgd, terwijl op andere plaatsen de feitelijke toestand wordt gehanteerd. Zoals het bestreden ministerieel besluit vermeldt, en zoals ook uit het antwoord op de bezwaren blijkt, is het BPA Duffelshoek deels vervallen. Verzoekers betwisten dit niet. Zij doen er voor het overige niet van blijken dat er bij de vaststelling van de rooilijnen sprake van enige willekeur zou zijn geweest.
  51. Ook het tweede middel wordt verworpen. BESLISSING
  52. De Raad van State verwerpt het beroep.
  53. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de eerste verwerende partij. X-18.262-20/21 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op achtentwintig januari tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Jan Clement, kamervoorzitter, Stephan De Taeye, staatsraad, David D’Hooghe, staatsraad, bijgestaan door Karin Meerschaut, griffier. De griffier De voorzitter Karin Meerschaut Jan Clement X-18.262-21/21 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.150 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.