id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 januari 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.156 Rolnummer: A. 243221/XIV-39663 Zaak: Arrest 262156 - Varia (economische zaken) - 29/01/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-02-05 Raadplegingen: 84 - laatst gezien 2026-06-17 03:04 Fiche Arrest nr 262.156 van 29 januari 2025 Economische zaken - Varia (economische zaken) Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 262.156 van 29 januari 2025 in de zaak A. 243.221/XIV-39.663 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tariq Pels kantoor houdend te 2000 Antwerpen Michel De Braeystraat 52/109 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Economie en Werk bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tine Bricout kantoor houdend te 9041 Gent/Oostakker Orchideestraat 61A bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: de BV D. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Wouter Vaassen en Gauthier Berth kantoor houdend te 1090 Brussel Odon Warlandlaan 187 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 14 oktober 2024, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van het koninklijk besluit van 17 september 2024 “houdende uitspraak over de beroepen op 27 mei 2024 en op 30 mei 2024 ingesteld door de bv D. tegen het besluit van de deputatie van de provincie Antwerpen van 2 mei 2024 [….]”. XIV-39.663-1/10 II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend. Met een verzoekschrift van 12 november 2024 heeft de bv D. gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen. Eerste auditeur Wouter De Cock heeft een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 22 januari 2025 om 15:00 uur. Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. Verzoekster, die in persoon verschijnt, en advocaat Tariq Pels, die verschijnt voor verzoekster, advocaat Brecht Heirman, die loco advocaat Tine Bricout verschijnt voor de verwerende partij en advocaten Gauthier Berth en Wouter Vaassen, die verschijnen voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Wouter De Cock heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Op 18 juli 2019 verleent de deputatie van de provincie Antwerpen aan de tussenkomende partij de vergunning “tot het opslaan en/of verbruiken van explosieven in het eigendom Kapelstraat 12 te 2387 Baarle- XIV-39.663-2/10 Hertog, kadastergegevens (afdeling - sectie - nummer) 1-C-170L2 en 1-C- 170M2, meer bepaald de hermachtiging en de uitbreiding van een opslagplaats voor vuurwerk met 75 kg pyrotechnisch sas tot een opslag, voor verkoop aan consumenten, van 150 kg pyrotechnische sas vuurwerk met de categorieën T1 en P1, beperkt tot vuurwerk en pyrotechnische artikelen die aan consumenten mogen verkocht worden volgens artikel 12 van het Koninklijk besluit van 20 oktober 2015, in 1 bunker.” Luidens het artikel 2 van die beslissing is de vergunning verleend voor een termijn eindigend op 30 juni
- 3.
- Op 2 mei 2024 weigert de deputatie van de provincie Antwerpen aan de tussenkomende partij de vergunning “tot het opslaan en het verkopen van explosieven in het eigendom Kapelstraat 12 te 2387 Baarle-Hertog, kadastergegevens (afdeling - sectie - nummer) 1-C-170L2 en 1-C-170M2.” De tussenkomende partij dient administratief beroep in tegen deze weigeringsbeslissing. 3.
- Bij koninklijk besluit van 17 september 2024 wordt aan de tussenkomende partij de vergunning verleend “tot het opslaan van explosieven in het eigendom Kapelstraat 12-14 te 2387 Baarle-Hertog, kadastergegevens (afdeling — sectie — nummer) 1-C-170L2 en 1-C-170M2, meer bepaald de hernieuwing van een opslagplaats, voor verkoop aan consumenten, tot een maximum van 119 kg pyrotechnische sas feestvuurwerk, seinvuurwerk en technisch vuurwerk.” Luidens het artikel 2 van die beslissing is de vergunning verleend voor een termijn eindigend op 31 augustus
- Dit is het bestreden besluit. IV. Tussenkomst XIV-39.663-3/10
- Uit de gegevens van de zaak blijkt dat de belangen van bv De Bunker Baarle kunnen worden beïnvloed door de oplossing die aan het ingestelde beroep gegeven zou worden. Derhalve wordt zij toegelaten in dit geding voor die belangen op te komen. V. Ontvankelijkheid van de vordering
- Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over de door de tussenkomende partij opgeworpen ontvankelijkheidsexceptie uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over die exceptie zouden alleen nodig zijn indien de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. VI. Schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals van toepassing op de voorliggende vordering, kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden. VII. Spoedeisendheid Uiteenzetting in het verzoekschrift
- Verzoekster wijst er vooreerst op dat van de berstreden, vergunning gebruik wordt gemaakt, zonder dat, naar zij stelt, de vereiste omgevingsvergunning voorligt, hetgeen volgens haar onwettig is. Zij erkent dat het loutere feit dat van het bestreden besluit gebruik wordt gemaakt, niet XIV-39.663-4/10 afdoende is om de spoedeisendheid aan te tonen, maar verzoekster wenst in dit verband te wijzen op de eigen aard en kenmerken van de vergunde activiteiten, met name vuurwerkopslag en -verkoop. Ook al laat de bestreden beslissing de vuurwerk-activiteiten het ganse jaar door toe, toch moet volgens haar worden opgemerkt dat het verbruik en de bijhorende verkoop van vuurwerk sterk seizoensgebonden is en zich niet mooi doorheen het jaar verspreid voordoet maar zich zwaar concentreert rond de najaars- en eindejaarsperiode. Dit betekent concreet dat vanaf het latere najaar een piek ontstaat in het aantal bezoekers dat de vuurwerkwinkels frequenteert, met alle hinder en overlast voor de buurt tot gevolg. Dit effect wordt nog versterkt door de grote populariteit van vuurwerk in Nederland terwijl net daar de verkoop, het vervoer en het bezit van vuurwerk enkel toegestaan is op specifieke dagen net voor nieuwjaar. Zowat alle vergunningverlenende instanties, op het bestreden besluit na, hebben in dit dossier vastgesteld dat de vuurwerkverkoop en inzonderheid de toestroom omstreeks eindejaar, tot overlast, hinder en onveilige situaties leidt voor de buurt en omwonenden. Voorts wijst verzoekster op het veiligheidsrisico dat gepaard gaat met de vuurwerkopslag. Dit is volgens haar een risico dat op korte termijn ontstaat en uit de aard zelf een zekere mate van urgentie in zich draagt. Een calamiteit kan zich op elk moment voordoen en aangezien er, zoals blijkt uit het bestreden besluit, sowieso een “restrisico” is, is dit alleszins niet denkbeeldig of louter hypothetisch. Het kan dan ook niet worden verwacht van verzoekster dat zij eerst een daadwerkelijke aanwijzing op een concrete brand of calamiteit zou moeten afwachten teneinde aan de voorwaarde voor de hoogdringendheid te voldoen op gevaar af dat op dat moment het kwaad reeds zal zijn geschied. De aangehaalde veiligheidsrisico’s waaronder de onbereikbaarheid van de inrichting voor de hulpdiensten, is een ernstig en concreet nadeel dat voortvloeit uit het bestreden besluit en dat uit de aard ervan zelf urgent is. Bovendien wijst verzoekster erop dat het van algemene bekendheid is dat het aantal consumenten – en bijgevolg ook leveringen – van vuurwerk alleen maar zal toenemen naar het jaareinde toe. XIV-39.663-5/10 Het staat volgens haar vast dat er in het kader van de annulatieprocedure geen uitspraak meer zal tussenkomen voorafgaand aan het piekmoment van de vuurwerkverkoop van de aanstaande eindejaarperiode terwijl zich net dan de grootste risico’s voordoen inzake hinder en veiligheid gelet op de grote hoeveelheden vuurwerk die op dat moment verkocht worden en de drukte en toestroom van “vuurwerktoeristen”. Deze zullen zich voornamelijk in de Kapelstraat ophouden aangezien daar de winkel van de exploitant gelegen is én waar bovendien in de directe omgeving nog een tweede winkel gevestigd is. De toestroom van vuurwerktoeristen zorgt voor onveilige situaties voor verzoekster. Zo belemmeren deze de vrije doorgang voor de hulpdiensten wat een dadelijk en aantoonbaar nadeel van serieuze ernst vormt voor verzoekster mocht de tussenkomst van de hulpdiensten op zulk moment dringend nodig zijn. Zulks is een risico waarvan het niet verantwoord is de ganse doorlooptijd van de annulatieprocedure te moeten afwachten. Beoordeling
- Naar eis van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State moet het verzoekschrift “een uiteenzetting van de feiten [bevatten] die, volgens de indiener ervan, de spoedeisendheid verantwoorden die ter ondersteuning van dit verzoekschrift wordt ingeroepen”. Hetzelfde is te lezen in artikel 8, 4°, van het procedurereglement kort geding van 5 december
- Dit houdt in dat het aan verzoeker toevalt aan de zaak eigen, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen dat de zaak spoedeisend is, gelet op de gevolgen van een - voortdurende - tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing. Voorts kan luidens artikel 17, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, een vordering tot schorsing worden gevorderd “op elk moment” en dus niet meer, zoals in de voorheen bestaande regelgeving, noodzakelijk in een enig verzoekschrift samen met de vernietiging. Met deze regeling heeft de wetgever precies de situaties willen verlaten waarbij “geen enkele bijzondere gebeurtenis vereist dat de Raad van State zich bij XIV-39.663-6/10 spoedeisendheid over de zaak die haar wordt voorgelegd uitspreekt” (memorie van toelichting, Parl. St. Senaat, 2012-13, nr. 5-2277/1, 4). De spoedeisendheid “zal worden vastgesteld wanneer de verzoeker het resultaat van [de] procedure [ten gronde] niet kan afwachten om zijn beslissing te verkrijgen, op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen” (memorie van toelichting, Parl. St. Senaat, 2012-13, nr. 5-2277/1, 13). Bovendien mag een nieuwe vordering worden ingediend, indien die steunt op nieuwe elementen die de spoedeisendheid van deze vordering rechtvaardigen (artikel 17, § 2, derde lid, gecoördineerde wetten op de Raad van State). Uit wat voorafgaat, volgt dat niet zal volstaan te stellen dat de doorlooptijd van een annulatieprocedure te lang duurt of dat het resultaat van een annulatieprocedure niet kan worden afgewacht. Het moeten afwachten van het normale procedureverloop in het kader van een beroep tot nietigverklaring maakt het onvermijdelijke lot uit van elke beroepindiener en het staat aan verzoeker om aan te tonen dat hij het resultaat van de procedure tot nietigverklaring niet kan afwachten op straffe van zich in een toestand te bevinden met ernstige schadelijke gevolgen. Tot slot moet een schorsing van de tenuitvoerlegging van een bestreden beslissing ook een nuttig effect hebben. Ze dient verzoeker te behoeden van de gevreesde schade.
- Het bestreden besluit betreft een hernieuwing van een opslagplaats van springstof, meer bepaald de hernieuwing van de vergunning van een opslagplaats, voor verkoop aan consumenten, van een laatstens op 18 juli 2019 vergunde bestaande inrichting, waarvan niet wordt betwist dat op dezelfde locatie reeds jarenlang de exploitatie van een (vergunde) vuurwerkopslagplaats en -winkel aanwezig is. Verzoekster verantwoordt de spoedeisendheid in essentie op grond van de (sterk seizoensgebonden) verkoop van vuurwerk en de ermee XIV-39.663-7/10 gepaard gaande (verkeers)hinder, overlast en onveilige situaties voor de buurt enerzijds en het veiligheidsrisico dat gepaard gaat met de door het bestreden besluit vergunde vuurwerkopslag anderzijds. Uit het verzoekschrift en de overige stukken van de zaak, blijkt dat de aangevoerde mobiliteits- en overlasthinder gerelateerd aan de exploitatie van de bij het bestreden besluit vergunde inrichting, niet nieuw is en reeds jarenlang wordt ondergaan, onder meer (minstens) sinds de uitvoering van de vorige springstoffenvergunning van 18 juli 2019 die het opslaan en/of verbruiken van vuurwerk vergunde op dezelfde plaats. Niet blijkt dat de bestaande exploitatie door het bestreden besluit wordt uitgebreid of veranderd waardoor de aangevoerde nadelen een nieuwe dimensie (zouden) krijgen : integendeel blijkt uit het bestreden besluit dat thans de opslag tot een maximum van 119 kg pyrotechnische sas feestvuurwerk, seinvuurwerk en technisch vuurwerk is vergund, terwijl dat onder de vorige vergunning 150 kg betrof. Het betreft derhalve de hermachtiging van een bestaande inrichting met een kleinere opslagcapaciteit waarbij niet aangevoerd wordt dat het niet om dezelfde (of gelijkaardige) producten gaat. In deze feitelijke context impliceert zulks dat verzoekster de redenen inzichtelijk moet maken waarom de aangevoerde (reeds lang bestaande) (verkeers)hinder en overlast thans voor haar de zaak spoedeisend maken. Op dat punt schiet verzoekster evenwel tekort in haar stel- en bewijsplicht. Zij beperkt zich immers tot de vaststelling dat de vuurwerkverkoop en inzonderheid de toestroom van “vuurwerktoeristen” omstreeks het eindejaar tot overlast, hinder en onveilige situaties leidt voor de buurt en de omwonenden, maar zij verduidelijkt op generlei wijze waarom die hinder en overlast ingevolge het bestreden besluit thans in concreto van die aard is dat zij het resultaat van de procedure ten gronde niet kan afwachten, zonder dat zij zich daardoor in een toestand zou bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen ten gevolge van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit. Het nadeel afgeleid uit het veiligheidsrisico kent eenzelfde conclusie. Ook wat dit risico betreft, blijkt uit het verzoekschrift en de overige XIV-39.663-8/10 stukken van de zaak, dat dit niet nieuw is en reeds jarenlang wordt ondergaan, onder meer minstens sinds de uitvoering van de vorige springstoffenvergunning van 18 juli 2019 die het opslaan en/of verbruiken van vuurwerk vergunde op dezelfde plaats. Verzoekster toont niet aan in welke mate dat voorheen bestaande veiligheidsrisico is gewijzigd, c.q. is verergerd ten opzichte van de voorheen bestaande toestand. Ook op dat punt schiet verzoekster tekort in haar stel- en bewijsplicht. Zij beperkt zich immers tot het standpunt dat er op korte termijn een risico op een calamiteit ontstaat die uit zijn aard zelf een zekere mate van urgentie in zich draagt, maar zij zet niet uiteen waarom zij dat risico met inbegrip van die welke volgen uit de laad- en losproblematiek op de binnenplaats, thans en in het licht van het reeds voorheen bestaande risico, zonder onherroepelijke schadelijke gevolgen niet meer kan verdragen in afwachting van het resultaat van de procedure ten gronde.
- In de mate verzoekster opmerkt dat de houder van de bestreden vergunning onmiddellijk is overgaan tot de uitvoering ervan, refereert zij in wezen aan het uitvoerbaar karakter van de bestreden vergunning. Zoals zij zelf erkent volstaat dat evenwel niet op zich om de spoedeisendheid aan te tonen. Dat die uitbating, naar zij stelt, onwettig zou zijn omdat een omgevingsvergunning zou ontbreken voor deze activiteiten, leidt niet tot een ander besluit: het enkele gegeven dat een uitbating op onwettige wijze zou gebeuren, doet op zich niet blijken van spoedeisendheid. Overigens is de vraag of een uitbating onwettig gebeurt te dezen een zaak is van handhaving en niet van spoedeisendheid. In de mate tot slot dat verzoekster stelt dat enkel via een vordering tot schorsing een uitspraak kan worden bekomen vooraleer de aange- voerde hinder, overlast en onveilige situaties zich voordoen in het “hoogseizoen”, refereert zij in wezen aan de doorlooptijd van de annulatieprocedure. Daarmee toont zij evenwel niet de spoedeisendheid van haar vordering aan.
- Uit wat voorafgaat, volgt dat verzoekster niet aantoont dat er sprake is van spoedeisendheid. XIV-39.663-9/10 VIII. Conclusie
- Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. BESLISSING
- Het verzoek van de bv D. tot tussenkomst in het administratief kort geding wordt ingewilligd.
- De Raad van State verwerpt de vordering.
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoekster niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op negenentwintig januari tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV-39.663-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.156 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div