id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 februari 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.268 Rolnummer: A. 233637/VII-41111 Zaak: Arrest 262268 - Kansspelen - 06/02/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-02-11 Raadplegingen: 86 - laatst gezien 2026-06-17 02:47 Fiche Arrest nr 262.268 van 6 februari 2025 Justitie - Kansspelen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.268 no lien 281417 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 262.268 van 6 februari 2025 in de zaak A. é.637/VII-41.111 In zake :
(2)de verzoekende partijen met hun vordering de stopzetting nastreven van feitelijke gedragingen die als oneerlijke marktpraktijken worden aangemerkt, missen de excepties feitelijke grondslag. VI. Ontvankelijkheid van het beroep Belang van de verzoekende partijen 10.1. De tussenkomende partij stelt vast dat geen van de verzoekende partijen beschikt over een vergunning F1 die hen toelaat weddenschappen in te richten, zodat een persoonlijke benadeling door de bestreden beslissing niet wordt aangetoond en het beroep als niet ontvankelijk moet worden verworpen. VII-41.111-6/21 10.2. De verwerende partijen werpen in de eerste plaats op dat de nv Rocoluc en de nv Fremoluc hun belang steunen op de foutieve veronderstelling dat de bestreden beslissing oneerlijke handelspraktijken zou toelaten. Daarbij verwijzen zij naar een arrest van het hof van beroep te Brussel van 20 juni 2017, waarin dat hof zich uitsprak over een geschil inzake oneerlijke concurrentie tussen casino-exploitanten en oordeelde dat er geen sprake was van oneerlijke marktpraktijken wat betreft de exploitatie van weddenschappen en casinospelen in de reële en de virtuele wereld door verschillende houders van vergunningen klassen A+ en F+. De tussenkomende partij valt bij dat de eerste verzoekende partij geen commercieel nadeel aantoont. In dit verband verwijst zij naar rechtspraak van de Raad van State over het commercieel belang bij het bestrijden van een milieuvergunning en naar het arrest van het hof van beroep te Brussel van 20 juni 2017. Voorts laat zij gelden dat de eerste verzoekende partij niet aantoont dat de nietigverklaring van de bestreden beslissing haar een voordeel kan verschaffen, meer bepaald dat na de nietigverklaring van de bestreden beslissing er spelers zullen overstappen naar de inrichting van de eerste verzoekende partij. 10.3. Specifiek met betrekking tot het belang van de tweede verzoekende partij werpen de verwerende partijen en de tussenkomende partij op dat zij enkel over een vergunning beschikt voor de exploitatie van een kansspelinrichting klasse III en dat de bestreden vergunning geen enkele rechtstreekse impact heeft op de activiteiten van de nv Fremoluc die behoren tot een andere markt. 10.4. Ten aanzien van derde verzoeker wordt opgeworpen dat hij geen persoonlijk nadeel aantoont, zelfs in de veronderstelling dat hij effectief kansspelen zou spelen of zou deelnemen aan weddenschappen. 11. In de memorie van wederantwoord wordt, met betrekking tot het belang van de eerste en de tweede verzoekende partij, benadrukt dat zij concurrentieel nadeel ondervinden doordat de bestreden beslissing toelaat verboden live en virtuele weddenschappen aan te bieden en dat de bestreden ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.268 VII-41.111-7/21 beslissing de “strikte regels inzake kansspelen” schendt waardoor aan één marktspeler een onrechtmatig voordeel wordt verleend. Over het belang van derde verzoeker wordt verduidelijkt dat hij als “burger en speler” door reclame en door zijn aanwezigheid in de fysieke inrichting van de tussenkomende partij wordt geconfronteerd met een aanbod van verboden weddenschappen en dat hij als “leider van een onderneming die in directe concurrentie staat” beschikt over “een moreel, rechtstreeks en persoonlijk belang” bij het aanvechten van een “onwettige praktijk”. 12. De verzoekende partijen voegen in hun laatste memorie nog toe dat de Raad van State in arrest nr. 246.999 van 6 februari 2020 heeft geoordeeld dat er wel degelijk sprake is van concurrentie tussen kansspelinrichtingen van klasse III en andere categorieën van inrichtingen voor het, zowel offline als online, aannemen van weddenschappen. In dit geval zou de tussenkomende partij door het aanbieden van “aantrekkelijkere vormen van onlinekansspelen” in staat zijn om meer spelers te verleiden. 13. In hun laatste memorie beklemtonen de verwerende partijen dat er geen sprake kan zijn van oneerlijke concurrentie tussen de betrokken operatoren van kansspelen. Beoordeling 14. Overeenkomstig artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kunnen de beroepen tot nietigverklaring voor de Raad van State worden gebracht door elke partij welke doet blijken van een benadeling of van een belang. Een verzoekende partij beschikt over het rechtens vereiste belang indien zij door de bestreden administratieve rechtshandeling een persoonlijk, rechtstreeks, zeker, actueel en wettig nadeel lijdt en tegelijk dat de eventueel tussen te komen nietigverklaring van die rechtshandeling haar een direct en persoonlijk voordeel verschaft, hoe miniem ook. Het belang als VII-41.111-8/21 ontvankelijkheidsvoorwaarde verbiedt beroepen die een zuiver symbolische vernietiging beogen of die enkel strekken tot het vernietigen in het belang van de wet, zonder dat de verzoekende partij enig voordeel, hoe miniem ook, kan halen uit die nietigverklaring. 15. De eerste verzoekende partij, die als operator actief is in de sector van de kansspelen, beschikt over het in rechte vereiste belang omdat zij, geplaatst in een concurrentiële omgeving met andere operatoren van kansspelen, aannemelijk maakt dat zij commercieel nadeel kan ondervinden door de exploitatie van de vergunning die met de bestreden beslissing wordt verleend. Aangezien het voorwerp van voorliggend beroep niet bestaat uit een vordering wegens het beweerd gebruik van oneerlijke handelspraktijken, is het door de verwerende partijen en de tussenkomende partij aangehaalde arrest van het hof van beroep te Brussel van 20 juni 2017 niet relevant. 16. Bij de beoordeling van het belang van de tweede verzoekende partij moet er rekening mee worden gehouden dat haar economische activiteit in de reële wereld beperkt is tot de exploitatie op het grondgebied van de gemeente Elsene van een kansspelinrichting klasse III, i.e. een drankgelegenheid waar drank, ongeacht de aard ervan, wordt verkocht voor gebruik ter plaatse en waarin maximaal twee automatische kansspelen en twee automatische kansspelen met verminderde inzet mogen worden geëxploiteerd. De tweede verzoekende partij maakt niet aannemelijk dat zij klanten/spelers zal verliezen door het bijkomend aanbod van weddenschappen dat met de bestreden beslissing mogelijk wordt gemaakt, zodat het beweerde commercieel nadeel een louter hypothetisch karakter vertoont. Om voormelde redenen beschikt de tweede verzoekende partij niet over het in rechte vereiste belang. 17. In het verzoekschrift tot nietigverklaring knoopt derde verzoeker zijn belang vast aan het feit dat hij “een natuurlijk persoon [is] die af en toe kansspelen speelt, of die af en toe kan spelen, die op online sites worden ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.268 VII-41.111-9/21 aangeboden”. Hij meent dat hij er als (potentiële) speler belang bij heeft om tegen de bestreden beslissing in rechte op te komen omdat die “de bescherming van de spelers nadelig beïnvloedt”. De summiere wijze waarop derde verzoeker zijn belang toelicht, leidt tot de vaststelling dat de vordering aangemerkt moet worden als een actio popularis waarbij hij uitsluitend optreedt ter verdediging van het algemeen belang en niet wegens de aantasting van een voldoende geconcretiseerd persoonlijk belang. De verwijzing in de memorie van wederantwoord naar zijn hoedanigheid van bestuurder van een onderneming actief in de sector van de kansspelen, leidt niet tot een ander besluit. Er blijkt immers niet dat hij als natuurlijk persoon zelf titularis is van een kansspelvergunning, zodat hij als natuurlijk persoon ook niet in concurrentie kan treden met de begunstigde van de bestreden kansspelvergunning of er een moreel nadeel door kan lijden. 18. Het beroep is enkel ontvankelijk in hoofde van de nv Rocoluc die hierna wordt aangeduid als de verzoekende partij. VII. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de verzoekende partij 19. In een eerste middel wordt de schending aangevoerd van de “artikelen 10, 11 en 23 van de Grondwet, van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers, in het bijzonder van artikelen 2, 1° en 5°, 4, 21, 25, 43/1, 43/2 en 43/3, van het koninklijk besluit van 22 december 2010 betreffende de vorm van de vergunning klasse F1, de wijze waarop de aanvragen voor een vergunning klasse F1 moeten worden ingediend en onderzocht en de verplichtingen waaraan VII-41.111-10/21 vergunninghouders F1 moeten voldoen inzake beheer en boekhouding, in het bijzonder artikel 1 ervan, van het algemeen beginsel van interne motivering volgens dewelke elke bestuurshandeling moet rusten op exacte, relevante en toelaatbare motieven, van artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van kennelijke onjuiste beoordeling en van misbruik van bevoegdheid”. In het verzoekschrift wordt het middel als volgt toegelicht: “Live betting, of live weddenschappen, is een relatief nieuwe vorm van gokken (die de laatste jaren wel fenomenaal gegroeid
- is)en die de speler de mogelijkheid geeft om een weddenschap te plaatsen nadat het betreffende evenement (bijvoorbeeld een race of een wedstrijd) is begonnen. […] De bestreden beslissing staat […] louter « weddenschappen » toe, zonder dat hierbij enige specificatie aan wordt gegeven en zonder enige beperkingen te stellen. Echter exploiteert Unibet Belgium Ltd, net als de meerderheid van de F1 vergunninghouders, live weddenschappen zowel in wedkantoren in de reële wereld als op « www.sports.unibet.be », onder een « live » tabblad. De verwerende partij heeft geen enkele stap genomen om deze vorm van weddenschappen te verbieden, hoewel deze niet door de wet op de Kansspelen toegelaten werden […]. De verzoekende partijen leiden hier dus uit af dat deze exploitatie toegestaan werd door de Kansspelcommissie, zo niet expliciet, dan toch op zijn minst impliciet door het niet te verbieden.” In ondergeschikte orde “in de mate dat [de] Raad zou oordelen dat live weddenschappen wél toegestaan zouden zijn door de wet op de kansspelen”, stelt de verzoekende partij voor om een reeks prejudiciële vragen te stellen aan het Grondwettelijk Hof: “Schenden de artikelen 43/3, 43/4 en 43/8 van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers het artikel 23 van de Grondwet, in die zin dat zij de houders van vergunningen van type F1/F1+/F2 toestaan om live weddenschappen in te richten en aan te nemen, terwijl (
- i)deze vorm van weddenschap niet bestond op het moment van de goedkeuring van de wet van 10 januari 2010 tot wijziging van de wet van 7 mei 1999 door het toepassingsgebied van de weddenschappen uit te breiden, (
- ii)dat de wetgever zijn wil heeft doen blijken door enkel de weddenschappen die al op de Belgische markt aangeboden worden toe te staan, en (iii) dat het toestaan van live weddenschappen ervoor zou zorgen dat het ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.268 VII-41.111-11/21 beschermingsniveau dat de spelers genieten hierdoor gevoelig verminderd wordt, zonder dat deze vermindering gebaseerd is op enige redenen van algemeen belang?” “Schenden de artikelen 43/3, 43/4 et 43/8 van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, wanneer zij het aannemen van weddenschappen op paardenrennen met behulp van mobiele inrichtingen van type IV niet toestaan en deze aanneming geschiedt na het begin van de race, terwijl de exploitatie van de inrichting en het aannemen van live kansspelen in al de andere gevallen toegestaan zou zijn?” “Schenden de artikelen 43/3, 43/4 et 43/8 van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, wanneer zij de exploitatie van de inrichting en het aannemen van virtuele weddenschappen zouden verbieden voor reden dat deze niet aanwezig waren op de markt vóór de wijziging van de wet door de wet van 10 januari 2010, terwijl deze exploitatie van de inrichting en het aannemen van live weddenschappen, die ook niet aanwezig waren op de Belgische markt vóór de wijziging van de wet, wel toegelaten zou zijn?” 20. In de memorie van wederantwoord herhaalt de verzoekende partij dat de bestreden beslissing de exploitatie van live weddenschappen toestaat en beargumenteert zij uitvoerig dat zulke weddenschappen door de kansspelwet verboden zijn. 21. De verzoekende partij benadrukt in haar laatste memorie dat de bestreden beslissing “uitdrukkelijk” toelating verleent om live weddenschappen te exploiteren aangezien de vergunning verleend wordt voor alle kansspelen die vermeld worden op een lijst die onderdeel is van het aanvraagdossier, dat de aanvraag voor het exploiteren van kansspelen die door de kansspelwet en de uitvoeringsbesluiten ervan verboden zijn moet worden geweigerd, dat in dit geval vast staat dat “de Kansspelcommissie noch geweigerd heeft om de vergunning toe te kennen, noch specifieke verboden heeft opgelegd die verwijzen naar bepaalde weddenschappen die de aanvrager voornemens was om te exploiteren maar die niet toegelaten zijn” en dat de exploitatie van door de wet verboden live weddenschappen niet louter verband houdt met de tenuitvoerlegging van de bestreden vergunning. VII-41.111-12/21 VII-41.111-13/21 Beoordeling 22. Artikel 4, § 1, van de kansspelwet bepaalt dat het eenieder verboden is om “zonder voorafgaande vergunning van de Kansspelcommissie overeenkomstig deze wet toegestaan en behoudens de uitzonderingen door de wet bepaald, een kansspel of kansspelinrichting te exploiteren, onder welke vorm, op welke plaats en op welke rechtstreekse of onrechtstreekse manier ook”. Een vergunning F1 vormt een bijzondere administratieve toelating van de Kansspelcommissie om een door de wet in beginsel verboden activiteit, in casu het inrichten van weddenschappen, toch rechtmatig te exploiteren. Die toelating of vergunning komt er in wezen op neer dat op individuele basis een ontheffing wordt verleend van een door de wet ingesteld verbod. Het ligt voor de hand dat een overheidsinstantie geen vergunning kan verlenen voor activiteiten of handelingen waarvoor geen ontheffing van een door de wet ingesteld verbod kan worden toegestaan. 23. In artikel 2, 5°, van de kansspelwet wordt een weddenschap gedefinieerd als een kansspel “waarbij elke speler een inzet inbrengt en waarbij winst of verlies wordt opgeleverd die niet afhangt van een daad gesteld door de speler, maar van de verwezenlijking van een onzekere gebeurtenis die zich voordoet zonder tussenkomst van de spelers”. Het middel gaat uit van de veronderstelling dat de wetgever met de wet van 10 januari 2010 ‘tot wijziging van de wetgeving inzake kansspelen’, waarbij artikel 2 van de kansspelwet werd aangevuld met punt 5, de bedoeling heeft gehad om live weddenschappen niet op de Belgische markt toe te laten en dat de Kansspelcommissie voor het inrichten van dergelijke weddenschappen geen vergunning kan verlenen. Uit artikel 4, § 1, van de kansspelwet vloeit rechtstreeks voort dat de Kansspelcommissie in geen enkel geval een vergunning kan verlenen voor weddenschappen die niet op de Belgische markt zijn toegelaten en waarvoor de wet geen uitzonderingen via een stelsel van vergunningen toestaat. Bijgevolg moet ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.268 VII-41.111-14/21 in de kansspelvergunning zelf ook niet uitdrukkelijk bepaald worden welke types van weddenschappen niet toegelaten worden en die dus niet mogen worden geëxploiteerd. In zoverre wordt aangevoerd dat de verleende vergunning een concrete opsomming moet bevatten van de kansspelen en weddenschappen die door de houder van de vergunning mogen worden geëxploiteerd, ontbeert het middel de vereiste juridische grondslag. In elk geval blijkt uit de bestreden vergunning niet dat de toelating voor het inrichten van weddenschappen mede betrekking heeft op de door de verzoekende partij als onwettig aangemerkte live weddenschappen. 24. Om voormelde redenen moet besloten worden dat met de in het middel aangevoerde kritieken geen onwettigheid wordt aangetoond van de bestreden kansspelvergunning. Het verbod om live weddenschappen in te richten, zoals voorgehouden door de verzoekende partij, kan er desgevallend wel toe leiden dat de Kansspelcommissie, die op grond van artikel 20 van de kansspelwet ertoe gehouden is om de toepassing en de naleving van de kansspelwet en haar uitvoeringsbesluiten te controleren, een sanctieprocedure opstart ten aanzien van de betrokken kansspeloperator(en). Het voorwerp van voorliggend annulatieberoep is echter niet gerelateerd aan de handhaving van de kansspelwet en haar uitvoeringsbesluiten. De Raad van State kan in voormelde zin oordelen zonder dat hij zich in het kader van voorliggend geding ten gronde moet uitspreken over de principiële vraag of live weddenschappen al dan niet toegelaten zijn door de kansspelwet. 25. De in “ondergeschikte orde” geformuleerde prejudiciële vragen, die volledig gebaseerd zijn op de premisse dat de Raad van State van oordeel zou zijn dat “live weddenschappen wél toegestaan zouden zijn door de wet op de kansspelen”, hebben geen prejudicieel karakter omdat in het vorige randnummer reeds werd aangegeven dat de Raad van State over die kwestie geen standpunt moet innemen. 26. Het eerste middel is ongegrond. VII-41.111-15/21 B. Tweede middel Standpunt van de verzoekende partij 27. De verzoekende partij voert als tweede middel de schending aan van de “artikelen 10, 11 en 23 van de Grondwet, van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers, in het bijzonder van artikelen 2, 1° en 5°, 4, 6, 7, 21, 25, 34, 43/1, 43/2 en 43/3, 43/4 en 43/8, van het koninklijk besluit van 8 april 2003 betreffende de werking van de automatische kansspelen waarvan de exploitatie is toegelaten in de kansspelinrichtingen klasse II, met name de artikels 2 en 10, van het koninklijk besluit van 26 april 2004 tot vaststelling van de lijst van de automatische kansspelen waarvan de exploitatie is toegestaan in de kansspelinrichtingen klasse II, met name artikels 1/1 en 4, van het koninklijk besluit van 22 december 2010 tot vaststelling van de lijst van de automatische kansspelen waarvan de exploitatie is toegelaten in de kansspelinrichtingen klasse IV, met name artikels 1 en 2, van het koninklijk besluit 22 december 2010 betreffende de vorm van de vergunning klasse F1, de wijze waarop de aanvragen voor een vergunning klasse F1 moeten worden ingediend en onderzocht en de verplichtingen waaraan vergunninghouders F1 moeten voldoen inzake beheer en boekhouding, van het algemeen beginsel van interne motivering volgens dewelke elke bestuurshandeling moet rusten op exacte, relevante en toelaatbare motieven, van artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van kennelijke onjuiste beoordeling en van misbruik van bevoegdheid”. Het middel wordt in het verzoekschrift als volgt samengevat: “Doordat de bestreden beslissing aan de Unibet Belgium Ltd de exploitatie van virtuele weddenschappen online met een vergunning FA 116799 toelaat; Terwijl de wet op de kansspelen de exploitatie van virtuele weddenschappen niet toelaat.” VII-41.111-16/21 In het verzoekschrift wordt het middel in wezen als volgt toegelicht: “Virtuele weddenschappen zijn weddenschappen waarbij het evenement een « virtueel » feit kan zijn, dat het gevolg is van operaties die door computers worden uitgevoerd en waarop kan worden gewed. De bestreden beslissing laat (minstens impliciet) de exploitatie van virtuele weddenschappen door Unibet Belgium Ltd […] toe, terwijl virtuele weddenschappen geen weddenschappen zijn die in klasse IV toegestaan zijn […]. De bestreden beslissing staat […] louter « weddenschappen » toe, zonder dat hierbij enige specificatie aan wordt gegeven en zonder enige beperkingen te stellen. Echter exploiteert Unibet Belgium Ltd de verboden aanneming van virtuele weddenschappen. De verwerende partij heeft echter geen enkele stap genomen om deze vorm van weddenschappen te verbieden, hoewel deze niet door de wet op de Kansspelen toegelaten werden […]. De verzoekende partijen leiden hier dus uit af dat deze exploitatie toegestaan werd door de Kansspelcommissie, zo niet expliciet, dan toch op zijn minst impliciet door het niet te verbieden. Daarnaast dient ook te worden benadrukt dat de Kansspelcommissie de aanneming van deze weddenschappen uitdrukkelijk had moeten verbieden. Uit het aanvraagdossier blijkt immers uitdrukkelijk dat Unibet Belgium Ltd inderdaad virtuele kansspelen uitbaat (of minstens de intentie heeft om deze spellen uit te baten) […].” Indien de Raad van State van oordeel zou zijn dat virtuele weddenschappen door de kansspelwet zijn toegelaten, stelt de verzoekende partij voor om de volgende prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen: “Schenden de artikelen 43/3, 43/4 en 43/8 van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers het artikel 23 van de Grondwet, in die zin dat zij de houders van vergunningen van type F1/F1+/F2 toestaan om virtuele weddenschappen in te richten en aan te nemen, terwijl (
- i)deze vorm van weddenschap niet bestond op het moment van de goedkeuring van de wet van 10 januari 2010 tot wijziging van de wet van 7 mei 1999 door het toepassingsgebied van de weddenschappen uit te breiden, (
- ii)dat de wetgever zijn wil heeft doen blijken door enkel de weddenschappen die al op de Belgische markt aangeboden worden toe te staan, en (iii) dat het toestaan van virtuele weddenschappen ervoor zou zorgen dat het beschermingsniveau dat de spelers genieten hierdoor gevoelig verminderd wordt, zonder dat deze vermindering gebaseerd is op enige redenen van algemeen belang?” VII-41.111-17/21 28. In de memorie van wederantwoord herhaalt de verzoekende partij dat de bestreden beslissing de exploitatie van virtuele weddenschappen toestaat en beargumenteert zij uitvoerig dat zulke weddenschappen verboden zijn. 29. De verzoekende partij beklemtoont in haar laatste memorie dat de bestreden beslissing “uitdrukkelijk” toelating verleent om virtuele weddenschappen te exploiteren aangezien de vergunning betrekking heeft op alle kansspelen die vermeld worden op een lijst die onderdeel is van het aanvraagdossier, dat het exploiteren van kansspelen die door de kansspelwet en de uitvoeringsbesluiten ervan verboden zijn moet worden geweigerd, dat in dit geval vast staat dat “de Kansspelcommissie noch geweigerd heeft om de vergunning toe te kennen, noch specifieke verboden heeft opgelegd die verwijzen naar bepaalde weddenschappen die de aanvrager voornemens was om te exploiteren maar die niet toegelaten zijn” en dat de exploitatie van door de wet verboden virtuele weddenschappen niet louter verband houdt met de tenuitvoerlegging van de bestreden vergunning. Bijkomend wordt in geval “[de] Raad zou oordelen dat het toegelaten zou zijn voor de houders van een vergunning F1+ om virtuele weddenschappen in te richten, terwijl dit voor de houders van een F1 vergunning verboden zou zijn”, voorgesteld om de volgende prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen: “Schenden de artikelen 43/3, 43/4 en 43/8 van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in die zin dat zij het zouden toelaten aan de houder van een vergunning type F1+ om de inrichting van virtuele weddenschappen te exploiteren, terwijl de houders van de vergunningen F1 in de reële wereld de inrichting van virtuele weddenschappen niet kunnen exploiteren?” Beoordeling 30. Naar analogie met de beoordeling van het eerste middel faalt ook dit middel naar recht. Het tweede middel steunt immers op dezelfde vooronderstelling dat met de bestreden beslissing weddenschappen worden ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.268 VII-41.111-18/21 toegelaten die door de wet verboden zijn. In dit verband wordt herhaald dat uit artikel 4, § 1, van de kansspelwet rechtstreeks voortvloeit dat de Kansspelcommissie in geen geval een vergunning kan verlenen voor weddenschappen die niet op de Belgische markt zijn toegelaten en waarvoor de wet geen uitzonderingen via een stelsel van vergunningen toestaat. Bijgevolg moet in een verleende kansspelvergunning niet uitdrukkelijk aangegeven worden welke types van weddenschappen niet toegelaten zijn en dus niet mogen worden geëxploiteerd op grond van die vergunning. Uit het beschikkend gedeelte van de bestreden beslissing blijkt ten andere niet dat de toelating voor het organiseren van weddenschappen mede betrekking heeft op de door de verzoekende partij als onwettig aangemerkte virtuele weddenschappen. Er moet dan ook besloten worden dat met de in het middel aangevoerde kritieken geen onwettigheid wordt aangetoond van de bestreden kansspelvergunning. Het verbod om virtuele weddenschappen te organiseren, zoals voorgehouden door de verzoekende partij, kan er desgevallend wel toe leiden dat de Kansspelcommissie die op grond van artikel 20 van de kansspelwet ertoe gehouden is om de toepassing en de naleving van de kansspelwet en haar uitvoeringsbesluiten te controleren, een sanctieprocedure opstart ten aanzien van de betrokken kansspeloperator(en). Het voorwerp van voorliggend annulatieberoep is echter niet gerelateerd aan de handhaving van de kansspelwet en haar uitvoeringsbesluiten. De Raad van State kan in voormelde zin oordelen zonder dat hij zich in het kader van voorliggend geding ten gronde moet uitspreken over de principiële vraag of virtuele weddenschappen al dan niet toegelaten zijn door de kansspelwet. 31. De in “ondergeschikte orde” geformuleerde prejudiciële vragen, die volledig gebaseerd zijn op de premisse dat de Raad van State van oordeel zou zijn dat het aanbieden van virtuele weddenschappen toegelaten is door de VII-41.111-19/21 kansspelwet, hebben geen prejudicieel karakter omdat in het vorige randnummer reeds werd aangegeven dat de Raad van State over die kwestie geen standpunt ten gronde moet innemen. 32. Het tweede middel is ongegrond. VIII. Toepassing van artikel 14ter van de gecoördineerde wetten op de Raad van State 33. Aangezien het beroep wordt verworpen is het verzoek van de verwerende partijen om de gevolgen van de bestreden beslissing te handhaven zonder voorwerp. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 600 euro, elk voor een derde, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partijen. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. VII-41.111-20/21 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zes februari tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Peter Sourbron, staatsraad, Francis Van Nuffel, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Carlo Adams VII-41.111-21/21 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.268 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div