id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 februari 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.273 Rolnummer: A. 237147/VII-41655 Zaak: Arrest 262273 - Natuurbehoud - Vergunningen - 06/02/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-02-13 Raadplegingen: 81 - laatst gezien 2026-06-17 02:49 Fiche Arrest nr 262.273 van 6 februari 2025 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Natuurbehoud - Vergunningen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.273 no lien 281422 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 262.273 van 6 februari 2025 in de zaak A. 237.147/VII-41.655 In zake : J.V. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Niels Vansimpsen kantoor houdend te 2470 Retie Bosstraat 2 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Filip Vincke kantoor houdend te 8580 Avelgem Leopoldstraat 63 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 29 augustus 2022, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van het departement Omgeving, afdeling Handhaving, van 29 juni 2022 waarbij het beroep van verzoeker tegen de beslissing van het Agentschap voor Natuur en Bos van 4 mei 2022 onontvankelijk wordt verklaard. II. Verloop van de rechtspleging 2. Verzoeker heeft een toelichtende memorie ingediend. Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft op 31 maart 2023 een verslag opgesteld. VII-41.655-1/11 Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 16 januari 2025. Staatsraad Francis Van Nuffel heeft verslag uitgebracht. Advocaat Niels Vansimpsen, die verschijnt voor verzoeker en advocaat Filip Vincke, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. De toezichthoudende ambtenaar van het Agentschap voor Natuur en Bos legt op 4 mei 2022 aan verzoeker bestuurlijke maatregelen op. 3.2. Verzoeker tekent tegen dit besluit een bestuurlijk beroep aan. Het bestreden besluit verklaart dit beroep onontvankelijk op grond van volgende motieven: “Op straffe van onontvankelijkheid moet het beroep binnen een termijn van veertien dagen vanaf de kennisgeving van het besluit houdende bestuurlijke maatregelen worden ingediend (artikel 16.4.17, §3, eerste lid DABM). De bestreden beslissing is verzonden met een aangetekend schrijven zonder ontvangstbewijs van 5 mei 2022. Een schriftelijke mededeling is het startpunt voor een termijn en als deze gedaan is door middel van een aangetekende brief zonder ontvangstbewijs begint de termijn te lopen de derde werkdag na de dag waarop de verzending heeft plaatsgevonden (artikel 16.1.3, §2, eerste lid DABM). Dit betekent dat de laatste nuttige dag om het ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.273 VII-41.655-2/11 beroep te verzenden 23 mei 2022 was. Uw beroepschrift werd afgestempeld op 23 juni 2022. De datum van de poststempel geldt als datum van verzending (artikel 16.1.3, §5 DABM). Wat de tijdigheid van het beroep betreft, werpt u in het beroepschrift op dat de kennisgeving van de bestreden beslissing via aangetekende brief zonder ontvangstbewijs niet zou hebben plaatsgevonden. De aangetekende brief zou in tegenstelling tot wat de Track & Trace van bpost van de aangetekende zending laat uitschijnen, niet zijn aangeboden op 6 mei 2022 en er zou ook geen bericht in de brievenbus zijn achtergelaten. De beroepsindiener zou dus niet geweten hebben dat er een aangetekende zending op hem lag te wachten in het postkantoor. U bent daarom van mening dat door het ontbreken van enige kennisgeving er geen schriftelijke mededeling plaatsvond die het startpunt vormde voor de beroepstermijn. Enerzijds is het onvoldoende duidelijk dat de kennisgeving van de bestreden beslissing via aangetekende zending zonder ontvangstbewijs door een onregelmatigheid zou zijn aangetast. De stukken die als bewijs van deze vermeende onregelmatigheid als bijlagen bij het verzoekschrift worden aangebracht, leveren, in tegenstelling tot wat wordt beweerd, niet het onomstootbaar bewijs dat de aangetekende zending zonder ontvangstbewijs niet op 6 mei 2022 zou zijn aangeboden, zoals de Track & Trace van bpost aangeeft, noch dat er geen bericht van deze aanbieding in de brievenbus zou zijn achtergelaten. Evenmin kan het louter indienen van een klacht bij bpost, waarvan het verder onderzoek of de afloop onbekend is, dit tegenbewijs leveren om te concluderen dat de beroepsindiener, spijts het wettelijk vermoeden, de derde werkdag na de dag waarop de verzending heeft plaatsgevonden, geen kennis kon hebben van de aangetekende zending. Anderzijds blijkt uit het dossier dat de beroepsindiener de initiële aangetekende zending zonder ontvangstbewijs, na niet afhaling en nieuwe verzending, per gewone post zou hebben ontvangen op 24 mei 2022. Uitgaande van de verduidelijking in de memorie van toelichting waarnaar u in uw beroepschrift verwijst, meer bepaald ‘dat de decreetgever de termijn enkel wou doen ingaan op de dag waarop de geadresseerde naar alle waarschijnlijkheid kennis heeft kunnen nemen van de betrokken brief’, kan niet anders dan besloten worden dat de beroepstermijn van veertien dagen, in dit geval dan te rekenen vanaf 25 mei 2022, op 13 juni 2022 evenzeer ruimschoots is verstreken.” IV. Onderzoek van het middel tot nietigverklaring Uiteenzetting van het middel 4. In een enig middel tot nietigverklaring voert verzoeker de schending aan van de artikelen 16.1.2, 3° en 3°bis, 16.1.3, § 2 en § 4, en 16.4.17, § 3, van het decreet van 5 april 1995 ‘houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid’ (hierna: DABM), in combinatie met de artikelen 2 en 3 van de wet VII-41.655-3/11 van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: motiveringswet), het materiëlemotiveringsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel als beginselen van behoorlijk bestuur. Het middel wordt ontwikkeld in twee onderdelen. 5. In het eerste onderdeel van het middel betwist verzoeker de beoordeling van het bestreden besluit dat de voorgelegde stukken niet het onomstootbaar bewijs leveren dat de aangetekende zending niet op 6 mei 2022 werd aangeboden. Het bestreden besluit verduidelijkt niet waarom de voorgelegde stukken daartoe niet voldoende zijn, niettegenstaande verzoeker hieromtrent een omstandige motivering had aangebracht in zijn verzoekschrift. Verzoeker voert in het bijzonder aan dat de verwerende partij het gegeven van de klacht over bpost niet deugdelijk en naar behoren heeft onderzocht. Hij wijst erop dat hij bij zijn beroepschrift een schermafbeelding heeft gevoegd van de beelden van de deurbelcamera waaruit blijkt dat er op het tijdstip waarop de zending volgens bpost werd aangeboden, geen zending werd aangeboden, laat staan een bericht werd achtergelaten in de brievenbus. Daarbij heeft hij aangevoerd dat de schermafbeelding “rechtstreeks afkomstig is uit de interface van de app waarmee de beelden kunnen geraadpleegd worden, waarbij het onmogelijk is de interface te wijzigen”, zodat de vermelding van datum en tijdstip niet kunnen worden aangepast. Het bestreden besluit bevat geen correcte beoordeling van dit bewijsstuk. Ook de motivering omtrent de klacht van verzoeker bij bpost getuigt niet van een zorgvuldig onderzoek van de feiten, nu bpost hem in zijn antwoord op de klacht heeft verwezen naar de verzender van de zending opdat die verzender een onderzoek bij bpost zou opstarten. Het zorgvuldigheidsbeginsel, als onderdeel van de materiëlemotiveringsplicht, schrijft nochtans voor dat de verwerende partij haar beslissing op een zorgvuldige wijze moet voorbereiden en ervoor moet zorgen dat ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.273 VII-41.655-4/11 de feitelijke en juridische aspecten van het dossier deugdelijk onderzocht zijn. De materiëlemotiveringsplicht vereist dat de genomen beslissing gedragen wordt door motieven die in feite juist en in rechte aanvaardbaar zijn, hetgeen onder meer betekent dat de motieven pertinent moeten zijn en de beslissing naar recht moeten kunnen verantwoorden. 6. In het tweede onderdeel van het middel komt verzoeker op tegen de verwijzing in het bestreden besluit naar de verzending bij gewone post om het beroep hoe dan ook onontvankelijk te verklaren. Dergelijke verzending is echter niet voldoende om de termijn die bedoeld wordt in artikel 16.4.17, § 3, DABM te doen lopen, nu een kennisgeving overeenkomstig artikel 16.1.2, 3°, DABM moet plaatsvinden via een beveiligde zending. Door toch de verzending per gewone post in aanmerking te nemen om de termijn te gaan berekenen, heeft de verwerende partij de aangehaalde bepalingen en beginselen geschonden. De verwijzing naar de door verzoeker uiteengezette redenering omtrent de bedoeling van de decreetgever is dan ook naast de kwestie nu dit geen afbreuk doet aan de duidelijke in het DABM voorziene voorwaarden omtrent de kennisgeving van een bestuurlijke maatregel per beveiligde zending. Standpunt van de verwerende partij 7. In haar laatste memorie merkt de verwerende partij met betrekking tot het eerste onderdeel van het middel op dat er omtrent de opname van de deurbelcamera geen objectieve mogelijkheid is om na te gaan of de opname effectief dateert van 6 mei 2022. De “track and trace” van bpost wordt niet van valsheid beticht. Zodoende is het niet kennelijk onredelijk om geloof te hechten aan de vermeldingen van de “track and trace” om het administratief beroep als laattijdig te bestempelen. 8. Wat het tweede onderdeel betreft, bevestigt de verwerende partij in haar laatste memorie dat de tweede betekening de termijn niet doet lopen. Zij merkt niettemin ten aanzien van deze betekening op dat het administratief beroep sowieso ook nog laattijdig zou geweest zijn. VII-41.655-5/11 Beoordeling Eerste onderdeel 9. Overeenkomstig artikel 16.4.17, § 1, DABM kan degene ten aanzien van wie de bestuurlijke maatregelen zijn opgelegd bij de minister beroep indienen tegen het besluit houdende bestuurlijke maatregelen. In artikel 16.4.17, § 3, eerste lid, DABM wordt bepaald dat dit beroep op straffe van onontvankelijkheid moet worden ingediend “binnen een termijn van veertien dagen vanaf de kennisgeving van het besluit houdende de bestuurlijke maatregelen”. Onder het begrip “kennisgeving” wordt voor de toepassing van deze bepaling verstaan: “een schriftelijke mededeling die wordt gedaan met een beveiligde zending” (artikel 16.1.2, 3°, DABM). Een “beveiligde zending” is “een van de volgende betekeningswijzen:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.